Woede als handelswaar in het Nederlands Fotomuseum

Angry: so what?

Bestaat de werkelijk radicale en kritische geest nog wel? Op de tentoonstelling ANGRY in Rotterdam wisselen zoete filmpjes en versleten waarheden elkaar af.

WIJ ZIJN BOOS. Grote stukken in de krant berichten dat onder de bevolking een grote, om niet te zeggen explosieve wrevel leeft. Wetenschappers uit verschillende disciplines buigen zich over de kwestie en bestrijden elkaar op de opiniepagina’s. Politici vuren ermee vanaf de heup of schrikken terug door een ketsend pistool. Maar wat ze ook zeggen, doen of nalaten, telkens weer vindt de verbolgenheid er zijn bevestiging in. Wij zijn boos. Want het is niet goed of het deugt niet. Zoveel mag duidelijk zijn.
Maar vragen hebben we natuurlijk ook. De vraag bijvoorbeeld of die boosheid alleen maar negatief is of ook positieve en misschien zelfs wel creatieve kanten kent. Of ze passief en bokkig is of actief op verandering koerst, zoals de volkswoede in de Arabische wereld waar revolte kan uitlopen op revolutionaire omwentelingen. ANGRY, de tentoonstelling die het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam over boosheid heeft georganiseerd, maakt nog eens duidelijk hoe urgent en actueel die vraag is. En ook hoe moeilijk te beantwoorden.
Hoe pak je zo'n veelomvattend onderwerp aan? De organisatoren kozen voor een invalshoek die sociale en politieke woede in een idealistisch kader plaatst: radicalisering. Want, schrijven ze, vormt radicalisering niet vaak een drijvende kracht achter maatschappelijke veranderingen? Tegelijkertijd laten ze aan het begin van de tentoonstelling al zien dat radicalisering een eigen mechanisme kent. Aan de hand van panelen met foto’s en teksten voeren ze ons van de ludieke publieksacties van Dolle Mina in de jaren zeventig naar het moment in 2010 waarop Jason W. publiekelijk afstand neemt van het moslimextremisme (en niet wordt geloofd). Daartussenin zitten onder meer de rellen bij de kroning van Beatrix (1980), de Columbine-moorden waarbij twaalf studenten werden doodgeschoten door twee medestudenten (1999) en de gewelduitbarstingen tijdens het Sundance Festival op het strand van Hoek van Holland (2009). Stuk voor stuk gewelddadige gebeurtenissen waar zeer verschillende motieven onder liggen en nauwelijks enige samenhang in valt te ontdekken. Wat je er hooguit van kunt zeggen is dat het geloof in radicale verandering van de idealist en de desperate verbetenheid van de extremist dicht bij elkaar liggen.
Onder al die foto’s met onderschriften en koptelefoons loopt nog een andere lijn: het commentaar van de massamedia. Ook dat kent een radicalisering die kan doorslaan tot in het extreme, iets waarmee we in de laatste decennia steeds meer vertrouwd zijn geraakt. Het enthousiasme waarmee we Vara-radioverslaggever Hanneke Groenteman horen rapporteren over de rookbommen tijdens de kroningsplechtigheden, werd door de rechtse media destijds als opruiing veroordeeld. Tegenwoordig belagen reporters van Powned gezagsdragers direct.
De vraag in hoeverre de media aan ingrijpende gebeurtenissen medeplichtig zijn, is ondertussen uitgegroeid tot een tot niets verplichtende, zelfkritische riedel van de media zelf. Niemand kijkt er meer van op als we weer een variatie horen op de verzuchting van The Guardian in 2005 naar aanleiding van gewelddadige rellen in Franse steden: ‘Sturen we journalisten omdat auto’s in brand staan? Of staan auto’s in brand omdat we journalisten sturen?’
Woede, of die nu strikt persoonlijk of massaal is, heeft in veel gevallen een gerechtvaardigde reden. Maar wie er de krant of tv mee haalt, krijgt een bijzondere erkenning: zijn of haar kwaadheid wordt deel van de sensatiecultuur. Daarbinnen verandert alles wat persoonlijk en oprecht is al snel in een fenomeen dat kan worden gemanipuleerd en geëxploiteerd. Het wordt een ding op zichzelf, een product, handelswaar.
En daar begint een netelig vraagstuk dat ook rond deze tentoonstelling zelf hangt, en dat door toedoen van een uitgenodigde kunstenaar in de spotlights is getrokken: hoe trek je maximale aandacht voor de goede zaak zonder jezelf te verloochenen? Die kunstenaar, Jonas Staal, sprak in een in NRC Handelsblad gepubliceerde brief zijn toorn over de organisatie uit. Hij voelde zich misleid want, schreef hij, 'de titel waarmee jullie mij voor participatie hadden benaderd - Angry: De verbeelding van de radicaal - (werd) zonder enig wederzijds overleg veranderd in Angry: Jong en radicaal.’ De oorspronkelijke titel verwees voor Staal naar de radicaal die een ander wereldbeeld nastreeft, de radicaal als schepper. Maar ook naar het beeld dat de media, de politiek en de kunst van de radicaal creëren. De tentoonstelling zou daarmee een herijking kunnen betekenen van radicaliteit als idealistisch principe. De nieuwe titel, vond hij, deed die deur dicht en mikte met een banale marketingtruc, 'het eeuwig terugkerende sleutelwoord jongeren’, op een zo breed mogelijk publiek. Redenen genoeg voor hem om van deelname af te zien. Met flink wat tromgeroffel in de media, dat ook.
De brief van Staal hangt nu, op zijn voorstel, op de plek in het Fotomuseum waar zijn installatie zou komen. Als betrof het een conceptueel kunstwerk. Sceptici beweren zelfs dat Staal bewust op de rel heeft aangestuurd. Opzien baren is immers een essentieel deel van zijn werk? Het is waar dat Staal in korte tijd een Bekende Kunstenaar werd dankzij een breed in de pers uitgemeten proces rond zijn 'Geert Wilders-werken’: met waxinelichtjes, bloemen en teddyberen omkranste portretjes van Wilders langs de kant van de weg. Ook met de grote luidspreker op het dak van het Centraal Museum waaruit vijf keer per dag de islamitische oproep tot gebed klonk, mikte hij gericht op een mediaschandaal. Dat maakt zijn bedoelingen als kunstenaar bij voorbaat al verdacht: een rel als artistieke daad, die truc kennen we nu wel. Maar heeft kunst die zich actief op de politiek richt wel een andere keuze dan de medeplichtigheid van de media te zoeken? Ik vrees van niet. Protest of welke vorm van activisme dan ook zonder media-aandacht is als een schreeuw zonder geluid. Dat geldt voor kunstenaars net zo goed als voor ieder ander die om welke reden dan ook in opstand komt.
Wat dat betekent komt op de tentoonstelling in allerlei vormen naar voren, al duurt het wel even voor je in de overvloed van foto’s, video’s, installaties en tekstborden een paar duidelijke constantes ontdekt. Een zo'n constante is beeldvorming. Hoe presenteer je een zaak, jezelf, zodat duidelijk is waar je voor staat? Door in te spelen op stereotypieën en clichés. Meer nog, door er zelf een te worden. Het is wonderlijk om te zien hoe conformistisch de gedaante van de opstand vaak is. We zien kinderen in brave protest-T-shirts, kaalkoppen in dreighoudingen, poses en gedragingen die terroristen en gijzelnemers typeren. En daar tegenover een zelfde herkenbaarheid bij slachtoffers en politie.
Jammer genoeg blijkt het inventariseren van die overbekende lichaamstaal de meeste kunstenaars niet verder te brengen dan even clichématige foto’s en video’s. Zo is Demo, een serie zwart-witfoto’s van het kunstenaarstrio Englert, Morgen & Piantoni, een dodelijk saaie academische studie van mensen in protesthoudingen. En de opgezwollen art speak bij de foto’s van Yvon Chabrowski (en bij alle kunstwerken) maakt zijn gestileerde ensceneringen van de geënsceneerde beelden die kidnappers aan de media sturen zeker niet interessanter. Bij tal van werken op deze tentoonstelling krijg je een déjà-vu dat mag passen bij het onderwerp, maar zich daarmee nog niet hoeft uit te strekken over de inhoudelijke en artistieke visie. Het zijn bloedeloze variaties op werk van succesvolle kunstenaars, dat hier in beperkte mate ook aanwezig is, zoals de meesterlijke video van Aernout Mik waarbij demonstranten en agenten tot een onontwarbare kluwen in elkaar draaien, de fijnzinnige serie fotoportretten door Rineke Dijkstra van een jonge Israëlische vrouw als burger en militair, en de veertien jaar oude, maar eeuwig fascinerende film van Johan Grimonprez Dial H-I-S-T-O-R-Y, met mediabeelden van vliegtuigkapingen.
Wat bij de meeste van deze beelden opvalt is hoe theatraal ze zijn, en hoe gecodeerd. Dat stemt overeen met het conformisme van de sensatiecultuur waarin bijzondere gebeurtenissen pas bijzonder kunnen zijn als ze tot herkenbaar dramatische beelden zijn gemodelleerd. Hoe dan het meest onbenullige detail een dreigende lading kan krijgen, wordt door verschillende kunstenaars belicht. Op een foto van Susan van Hengstum bijvoorbeeld zien we een rommelige schutting van golfplaat en baksteen waar een vliegtuig overheen vliegt. Ernaast hangt een foto van een groepje kortgeknipte mannenhoofden die vanaf de achterkant gezien naar een oudere man luisteren. Oorlogsgebied? Moslims? Het kan even goed wel als niet zo zijn, afhankelijk van de context waarin de foto’s worden geplaatst. Het is een tot op de draad versleten waarheid, maar voor deze tentoonstelling klaarblijkelijk toch nog niet versleten genoeg.
Veel interessanter is de aanpak van Allan Sekula, een kunstenaar die met zijn fotoseries verhaalt van gewone dingen en misstanden, mensen en hun omgeving, geschiedenis en actualiteit zonder in dramatische of esthetische vormgeving te vervallen. We kijken met zijn beelden naar de werkelijkheid van een demonstratie, de gewone dingen, zoals het wachten, de verveling, de kou. Het traangas, de rubberkogels en granaten zijn er nog niet, het is allemaal totaal niet spectaculair, maar wel het leven zelf.
Daar is, zoals bekend, van alles op aan te merken. Maar het vreemde is dat naarmate je langer op ANGRY rondloopt je steeds meer het gevoel krijgt dat een werkelijk radicale en kritische geest iets is van het verleden. Op een van de video’s waarop bekende en onbekende activisten over hun motieven praten, vertelt Wijnand Duyvendak, de politicus die een paar jaar geleden wegens zijn betrokkenheid bij een aanslag in de jaren tachtig in diskrediet is geraakt, hoe hij toentertijd als radicaal geen ver ideaal had maar een grote afstand voelde tot de maatschappij. Nu gelooft hij niet meer in radicaliteit en voelt hij zich 'te midden van alles’. Mooi. Zoals we ook met een zekere vertedering kijken naar Jeffrey, het echt gebeurde videoverhaal van een jongen die van breakdancer neonazi wordt, in een fabriek met veel allochtonen gaat werken en daar tot inkeer komt. Zoet zijn ook de video’s waarop we Marokkaanse straatjochies horen rappen. Ze doen dat voor het afstudeerproject van Annette Behrens. Het Albeda College De Vloot komt ook met zoiets. Alleen nu zijn het witte jongens en meisjes die boze teksten rappen, met een Marokkaanse tongval. Met radicaliteit heeft dit natuurlijk niets meer te maken. Wel met een educatief programma dat breeduit onder deze tentoonstelling ligt en verklaart waarom we hier rijp en groen, kunst en amateurisme door elkaar zien. Wat dit programma precies beoogt, vinden we het duidelijkst verwoord op de website van ANGRY. Daar kun je vragen beantwoorden die je radicale gezindheid meten nadat je in een flits beelden hebt gezien van het doodknuppelen van zeehondjes, milieuvervuiling, armoede. De uitkomst valt niet moeilijk te voorspellen: wij zijn boos. Precies zoals het hoort.

ANGRY: Jong en radicaal nog tot 13 juni te zien in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam