Privacy in gevaar

Angst alom

De BVD krijgt van het kabinet meer bevoegdheden. Is dat nodig of is privacy belangrijker? Bram Peper: «We zijn een beetje een doorvoerland, een handelsland, ook een land waar af en toe wat geknutseld wordt.»

«Stel, terroristen plegen een aanslag met antrax-bacteriën. Deze laten zich relatief eenvoudig als aërosolen (in lucht zwevende deeltjes) verspreiden en kunnen bij inademing een levensbedreigende infectie veroorzaken. Hoe ernstig zullen de gevolgen zijn?»

Met deze op dat moment puur hypothetische vraag begint het in juni van dit jaar door de Gezondheidsraad gepubliceerde rapport Verdediging tegen bioterrorisme. Het advies aan minister Borst beoogde een inventarisatie te zijn van de kwetsbaarheid van Nederland bij een biologische aanval, alsmede een poging aan te geven in hoeverre het land hier op voorbereid is. De commissie die onder leiding van Jan Terlouw rapporteerde, maande de Nederlandse gezondheidszorg tot meer alertheid en concludeerde dat artsen «beter en veelvuldiger» geattendeerd moeten worden «op de mogelijkheid dat plotseling optredende infectieziekten te maken hebben met een moedwillige verspreiding van ziekteverwekkers». Nederland is door zijn open samenleving immers behoorlijk kwetsbaar. Na- en bijscholingscursussen voor artsen zijn gewenst, schrijft de commissie, al is het natuurlijk maar de vraag wat er van de nieuwe inzichten beklijft. Ook zou er snel een «draaiboek bioterrorisme» moeten komen.

Dat draaiboek wordt inmiddels in allerijl vervaardigd. En hoewel er vooralsnog geen bijscholingscursus aan te pas is gekomen, zal de Nederlandse gezondheidszorg waakzamer zijn dan ooit. Niet vanwege het rapport van Terlouw cum suis, maar door de sinds vorige week ontstane paniek na het stijgend aantal miltvuurbesmettingen in de Verenigde Staten. Van Sydney tot Zwaag en van New Jersey tot Nieuwegein stromen de verdachte pakketjes binnen. Angst alom: iedere poederachtige substantie die in of op een enveloppe wordt gevonden, activeert een legertje mannen in witte, gele of rode pakken, dat moet vaststellen of er al dan niet sprake is van daadwerkelijk antraxgevaar of dat het, in de Nederlandse situatie, voor de zoveelste keer om een mailing met verpulverde wierrookkegeltjes of het obscure maar ongevaarlijke «bamboepoeder» gaat. Het profetische advies over bioterrorisme kwam al met al precies op tijd. Minister Borst heeft sinds de angst voor miltvuurbesmettingen naar de letter van het rapport geopereerd.

Haar collega-bewindslieden hebben vanaf 11 september op wisselende wijze blijk gegeven van een zekere vorm van paniek in de Trêveszaal. Wim Kok reageerde aanvankelijk bedachtzaam, maar kwam kort voor Prinsjesdag met klare oorlogstaal. «De wereld is nu anders», zei hij. Om te vervolgen: «Iedereen zal dat merken en iedereen zal zijn bijdrage moeten leveren.» Aanvankelijke rust maakte in de samenleving plaats voor een nieuw gevoel van onveiligheid. Gevreesd werd dat Koks dreigementen de voorbode zouden zijn van ruimere bevoegdheden voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Minderhedenminister Van Boxtel wist meteen wat de door Kok aangestipte bijdrage van burgers zou moeten zijn: instemmen met een identificatieplicht, een gruwel voor de premier, zo bleek later. Sinds Prinsjesdag komen Kok en de ministers van Justitie, Binnenlandse Zaken, Defensie en Buitenlandse Zaken bijeen om en petit comité over de veiligheid te praten. Vorige week resulteerde dat in een «Actieplan Terrorismebestrijding en Veiligheid», volgens de auteurs «een pakket maatregelen» met de niet geringe ambitie «om daden van terrorisme te voorkomen».

Het eerste van 43 actiepunten behelst, zoals verwacht, «uitbreiding van inlichtingen- en veiligheidsdiensten». Verder wordt gepleit voor de ontwikkeling van nieuwe vormen van identificatie, bijvoorbeeld de koppeling van lichaamskenmerken aan de registratie van persoonsgegevens (biometrische identificatie), alsmede verscherpte controle van de grenzen en strikter toezicht op vreemdelingen en mensensmokkelaars.

Op enkele bescheiden ingezonden stukken in dagbladen na, lijkt het of iedereen het allemaal best vindt. Uit opiniepeilingen bleek eerder dat een overweldigende meerderheid van de Nederlanders bereid was privacy in te leveren in ruil voor meer veiligheid. Het kabinet heeft uit naam van de terrorismebestrijding van deze gegevens gebruikgemaakt, zo blijkt uit het Actieplan, dat deze week in de Tweede Kamer besproken wordt. Afgelopen week was staatssecretaris Monique de Vries (Verkeer en Waterstaat) daar het duidelijkst in. Ondanks een moeizaam bereikt compromis dat in juni van dit jaar in de Europese Telecomraad bereikt was, werkt zij alweer aan een nieuwe privacyrichtlijn voor het telefoon- en internetverkeer. «De vraag is nu of de balans tussen de privacy van de individuele burger en de terrorismebestrijding nog steeds in evenwicht is», verklaarde de staatssecretaris dinsdag onomwonden.

Dat inperking van de privacy effectief zou kunnen zijn in de bestrijding van het terrorisme, is volgens de Twentse hoogleraar communicatiewetenschap en privacyexpert Jan van Dijk een illusie. Hij noemt de privacybeperkende maatregelen die het kabinet in het actieplan heeft gesteld «paniekvoetbal». Volgens hem moet er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen «een algemene benadering van alle burgers» en «een gerichte benadering van terroristen en andere slechtwillenden». Van Dijk: «Terroristen en burgers worden zo over een kam geschoren. Algemene maatregelen die voor alle burgers bedoeld zijn en niet alleen de terrorist treffen, werken averechts omdat ze het angstgevoel vergroten en mensen dan verkeerde dingen gaan doen. Het is een kortzichtige manier van reageren.»

Daar komt nog bij dat er geen enkel bewijs is dat de aanslagen van 11 september voorkomen hadden kunnen worden met meer technologische spionagemogelijkheden, zoals Lodewijk Asscher, onderzoeker bij het Amsterdamse Instituut voor Informatierecht, in een ingezonden artikel in NRC Handelsblad liet zien. «Alle commentaren wijzen (…) in de richting van de klassieke spionage. Wellicht heeft de westerse wereld te veel vertrouwd op elektronische opsporing», schreef hij.

Communicatiewetenschapper Jan van Dijk wijst er bovendien op dat de bevoegdheden van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) al behoorlijk ruim zijn. BVD’ers klagen zelf ook, maar zelden over hun mogelijkheden. «Het probleem ligt natuurlijk vooral in de organisatie. Men werkt langs elkaar heen, dat was in Amerika zo en hier ook. Het probleem is niet dat men te weinig informatie of mogelijkheden heeft, men heeft eerder te veel informatie en misschien zelfs wel te veel mogelijkheden. Men moet stomweg gerichter gaan optreden. Ik zie nog niet bewezen dat daarvoor algemene rechten van burgers of privacyrechten aangepakt moeten worden. Vooralsnog is de verdediging van de democratie en de burgerlijke vrijheden, dus ook van de privacy, het beste wapen tegen terrorisme.

Wat mij opvalt is de ongekende gretigheid waarmee men zich op al deze maatregelen stort. Dat kan natuurlijk geen toeval zijn. Er moet bijna wel een agenda achter zitten van lui die eindelijk hun gelijk willen halen. Het viel me bijvoorbeeld heel erg tegen dat minister Van Boxtel, nota bene verantwoordelijk voor minderheden, met die identificatieplicht kwam. Een identificatieplicht helpt nauwelijks. In kringen van politie- en veiligheidsdiensten zitten ze daar helemaal niet op te wachten. Natuurlijk willen ze altijd de mogelijkheid achter de hand houden, maar als je zegt dat dat ook betekent dat de politie vanaf nu veel meer moet controleren, dan is daar geen behoefte aan.»

En er is ook geen capaciteit voor. Nu al kampt de politie met een tekort aan personeel. Vorige week werd bekend dat jaarlijks één miljoen zaken waarvan aangifte wordt gedaan niet in behandeling worden genomen. Uitbreiding van de taken van de politie, bijvoorbeeld bij een identificatieplicht, zorgt voor een «schijnveiligheid», betoogden bestuurskundige Johri Maat en politicoloog Kees Teszelszky kort na publicatie van het actieplan van het kabinet. Het gevoel van veiligheid zal aanvankelijk toenemen, maar de daadwerkelijke veiligheid neemt af. «De kans dat in Nederland aanslagen zullen voorkomen, is natuurlijk niet uit te sluiten, maar andere vormen van criminaliteit vormen een veel groter probleem, dat door veel burgers dagelijks ervaren wordt: inbraken, diefstal, bedreigingen, verkrachtingen, fraude.»

Los daarvan is het nog maar de vraag of een identificatieplicht daadwerkelijk een oplossing is. In de Verenigde Staten is immers al jarenlang een identificatieplicht en toch werd op Amerikaanse bodem wekenlang gewerkt aan de aanslagen die op 11 september het World Trade Center en het Pentagon verwoestten. «Die lui zijn zo goed georganiseerd — als ze érgens verstand van hebben, dan is het van valse legitimatiebewijzen», zegt Van Dijk. «Wie dit treft is volkomen duidelijk: onschuldige mensen met een Arabisch en bruin uiterlijk.»

Een oproep aan de burger om «waakzaam» te zijn, wat premier Kok heeft gedaan, is van eenzelfde bedenkelijk allooi, vindt de Twentse privacyspecialist. Want wie weet waarop hij moet letten? Nee, dan Bram Peper. De oud-minister vindt dat de burger in de gelegenheid gesteld moet worden een ander aan te geven. «Dit leidt niet tot een klikmaatschappij, want valse aangifte, zo moet bekend zijn, blijft strafbaar», schreef Peper. Van Dijk: «Hij vindt dat je mensen moet aangeven, maar de burger is geen rechercheur. De gemiddelde burger kan dit niet aan, al was het maar omdat we het hebben over een abstract gevaar. Mensen met een Arabisch uiterlijk, moslims en moskeeën — dat zijn concrete dingen. Maar dit is precies wat er niet moet gebeuren.»

Bram Peper zelf is zich van geen kwaad bewust, hij spreekt niet van klikken maar van «klokkenluiden». Tijdens het tamelijk turbulente televisiedebat waarin de zondag na 11 september intellectuelen, wetenschappers, commentatoren en oud-ministers in soundbites hun mening konden geven, verraste de gewezen bewindsman van Binnenlandse Zaken met een voorstel om het veiligheidsbeleid te laten coördineren door een speciale minister van Veiligheid. De externe veiligheid, een verantwoordelijkheid van de krijgsmacht, en de interne veiligheid (politie, rampenbestrijding) zijn door de aanslagen in Amerika zo verstrengeld geraakt, dat het beter zou zijn als de verschillende verantwoordelijkheden die nu nog onder Binnenlandse Zaken, Defensie, Buitenlandse Zaken en Justitie vallen, één verantwoordelijk minister krijgen.

«Een typisch bureaucratische ambtenarenreactie», vindt Van Dijk.

Peper, een maand later vanuit zijn huis in Wassenaar: «Als je constateert dat met de aanslagen in de Verenigde Staten de grens tussen externe en interne veiligheid verwaterd is, wie zorgt er dan nog voor welk type veiligheid? Eén persoon, zowel in de ambtelijke structuur als in de politieke structuur, moet de eerste verantwoordelijkheid krijgen voor de informatiepositie. Het kabinetsclubje dat nu druk bezig is, houdt het natuurlijk niet vol. Zo’n situatie is een uitputtingsslag.»

Het voorstel van Peper was geen lang leven beschoren. Daags na het televisiedebat maakten verscheidene columnisten zich uitgebreid vrolijk om de chaos die dankzij of ondanks het presentatietrio Van Ingen, Rottenberg en Witteman kon plaatsvinden en in een halve bijzin pikten ze slechts terzijde de suggestie van de oud-minister nog even mee. Peper zelf mocht op de opiniepagina van het weekblad Vrij Nederland zijn relaas op papier zetten, maar serieuze reacties bleven uit. En dat terwijl men ervan mag uitgaan dat hij als voormalig minister, onder meer verantwoordelijk voor de BVD en de rampenbestrijding, enige kijk op de materie heeft.

«Ik zit niet als een belegen oude heer verwijten te maken», benadrukt de oud-minister, «maar de aanleiding is nu gewoon erg goed. En het is natuurlijk bijzonder noodzakelijk om én in de verantwoordelijkheidsstructuur én in de bevelsstructuur iets te veranderen.»

Geen verwijten. Maar wordt er nu dan langs elkaar heen gewerkt, zoals ook Van Dijk suggereert?

Peper: «Och, iedereen doet zijn best.»

Eén minister dus, maar ook één inlichtingen- en veiligheidsdienst. De in omvang nogal bescheiden BVD en de veel grotere MID (Militaire Inlichtingen Dienst) zouden omwille van die vervlechting van interne en externe veiligheid samengevoegd kunnen worden. Overigens niks ten nadele van de BVD. Dit is een uitstekende dienst, weet Peper als voormalig verantwoordelijke. De afgelopen jaren zijn regelmatig calamiteiten voorkomen, al kan hij hierover natuurlijk niet in detail treden. Peper: «Dat zit bijvoorbeeld in de sfeer van de middelen, instrumenten die mogelijkerwijs gebruikt kunnen worden voor de aanmaak van producten die voor oorlogsvoering geschikt zijn. We zijn een beetje een doorvoerland, een handelsland, ook een land waar af en toe wat geknutseld wordt.» In zijn artikel in Vrij Nederland was Peper duidelijk over de westerse kwetsbaarheid, ook die van Nederland. «Ieder belangrijk object in de westerse wereld — dus ook in Nederland — is een potentieel doelwit van terrorisme», schreef hij dreigend.

Maar klopt dit wel? Is Nederland überhaupt een doelwit? Zoveel vijanden als de Verenigde Staten en Engeland heeft Nederland niet. In het verleden maakten terreur organisaties en gewelddadige bevrijdingsbewegingen echter maar al te vaak gebruik van de mogelijkheden die een open samenleving als de Nederlandse te bieden heeft. Organisaties als Eta, Ira en Raf opereerden in het verleden veelvuldig vanuit Nederland. Verscheidene commentatoren hebben er de afgelopen weken op gewezen dat juist daarom Nederland zelf, cynisch genoeg, niet zo kwetsbaar zou zijn: een land waar terroristen zich ongestoord kunnen ophouden hoeft zich weinig zorgen te maken, een slimme dief breekt immers ook niet in bij zijn buurman.

Clingendael-professor Rob de Wijk vindt dat onzin. «Dit is een domme vergelijking. Je moet een onderscheid maken tussen terreur als tactisch probleem, zogeheten law enforcement, en als strategisch probleem. Als je mee gaat doen met militaire operaties, dan zijn terreuracties van de tegenstander tegen Nederland hét middel om publiek en politiek draagvlak voor die militaire deelname te verminderen. Dit zijn dan, cru gezegd, uitgelokte aanslagen die rechtstreeks een gevolg zijn van het gevoerde buitenlands en veiligheidsbeleid. Dat Nederland een vrijplaats was voor terroristen van Eta en Raf, heeft er helemaal niets mee te maken. Zodra we fregatten of speciale eenheden sturen, zijn we betrokken en kunnen we tegenaanvallen verwachten.»

Natuurlijk, in Nederland huizen «allemaal elementen die hier niet thuis horen», weet ook Peper, maar dat betekent niet dat we geen doelwit zijn. «Nederland heeft een aantal targets die in omvang het karakter van onze vriendelijke kleine natie overschrijden.»