Angst der Dieren

Een sneeuwstorm met de kracht van een orkaan vormt een dikke witte sluier, zo massief dat ik mij niet langer oriënteren kan. Vol ongemak sta ik in dit vreemde huis zonder omgeving en wacht, maar niets brengt mij terug waar ik ben. Niets. Ik zou mij evengoed hoog boven de grond, in een voortrazende stormwolk kunnen bevinden. Stuurloos druist het huis voort.

Met een onbehaaglijk gevoel van gevangenschap kijk ik naar buiten en achter ieder bevend raam dat nu weer hol, dan weer bol staat, hangt die melkachtige diepteloze wereld. Zo nu en dan draait de sneeuw in een kolk om de wind heen en slaat er tegenin, zodat het uiteenspat en de massieve sluier even lijkt te bewegen; even door een andere, tweede en derde wind lijkt te worden opgetild.

Gisteren kwam de zon nog paars geel op, straalde de gehele dag onafgebroken over velden en akkers en ging in een idyllisch roze rood onder. Ik kon vanaf de noordzijde van het huis honderden kilometers over de Atlantische Oceaan heen turen en vanaf de zuidzijde keek ik over de uitgestrekte grasvelden, naar de eeuwig witte ijsmassa van de Myrdalsjokull-gletsjer.

Nu schreeuwt en giert de wind alsof hij zich aan de vele hoeken van het huis verwond. Hij wringt zich om dit betonnen blok heen, zucht als zij die door heftige pijn worden getroffen en hun adem uitstoten.

Ik moet ingeslapen zijn, word opgeschrikt door het angstige janken van de hond en kijk op. Het dier, een klein en tenger zwart-wit gevlekt schoothondje, is bevangen door angst. Met verkrampte anus en verstijfde poten loopt het stapvoets achteruit; de staart tussen de benen.

Ik buig iets in de richting van het dier en hou mijn hoofd stil om te kunnen horen wat het tot deze angst gedreven heeft. Maar ik hoor niets.

Enkele seconden nadat de hond verschoot, springt de kat op van een stoel en land op het tapijt. De kat, een oud beest met een verkleurde vacht, staat daar. Al zijn spieren gespannen en hij is aan de grond genageld. De ooit zwarte, nu grijsbruine vacht is statisch, de bonte staart hoog in de lucht, de oren naar achteren gevouwen en de ogen verbijsterd rond en bol.

Ik begrijp niet wat de dieren zo heeft doen schrikken, maar vermoed dat de wind een geluid van een dusdanig hoge frequentie voortbrengt dat ik het niet horen kan. Ik bekijk geïnteresseerd de bevroren hond en de verstijfde kat. Dan zakt de hond plots door zijn voorpoten, tilt zijn kin op, lijkt een kort moment te bevriezen en springt dan omhoog. Zo ook de kat.

De hond blaft nu wild en springt alle kanten op, eerder achteruit dan omhoog. Het is bijna speels, maar zijn ingetrokken staart en gevouwen oren tonen zijn verschrikkelijke vrees. De kat rent langs iedere hoek van het huis, met de wind mee. Ik slaak een verbaasde en verwarde zucht. (De hond aan mijn voeten springt met kleine paniekerige sprongen naar achteren. De kat rent het huis door alsof hij door een withete vlam achtervolgd wordt.)

Ik besluit op te staan en loop met een luisterend oor het huis door. Nu hoor ik de hysterische wind weer en bedenk dat ergens in dat zware rumoer een geluid verborgen gaat dat de dieren zo'n panische angst inboezemt. Van kamer naar kamer loop ik, bijna op mijn tenen en leg mijn oor in iedere hoek te luisteren. Niets.

Wanneer ik weer in de woonkamer sta en ongeduldig op de vloer stamp, houdt de hond op met blaffen, gaat eerst voorzichtig zitten, maar is al snel gerust en ontspant zich.

Ik kijk rond op zoek naar de kat en zie hoe hij bedaard uit een van de kamers gelopen komt, alsof hij zojuist ontwaakte.

Het gevaar is geweken. De orkaan blaast onvermoeid door. De sneeuw slaat en spat uiteen tegen de ramen. Ik zie mijzelf staan in de reflectie van het zinderende raam, tussen al dat wit. De huiveringwekkende gedachte dat de ramen zullen worden ingeblazen overvalt me en plots word ik overmeesterd door angst. Ik verstijf en stel me voor hoe grote scherven, nog bedekt met mijn weerspiegeling, op mij af schieten en diep in mijn lichaam snijden. Hoe vervolgens de genadeloze wind het huis zal binnenstormen en zal opvullen met een kolk van sneeuw en glas. De wind zal alles optillen, rondslingeren, tegen mij aan smijten en mij uiteindelijk omverwerpen.

Ik zie mezelf op de grond liggen. De sneeuw slaat zich als een ijzig koude deken om mij heen en ik word eronder bedolven als begraven. Wat een gruwelijke gedachte!

Bevangen door een vreselijke angst heb ik mijn kaken stijf op elkaar gedrukt en mijn handen tot witte vuisten gebald. Ik ren voorovergebogen en hoofdschuddend door het huis; weg van al die trillende en op springen staande ramen. Weg. Maar hoe harder ik ren en hoe verder ik mij voorover buig en ineen kruip, hoe heftiger de ramen waaraan ik wil ontsnappen lijken te sidderen en te zingen. Ik kan niet ontsnappen, iedere kamer van dit huis heeft grote ramen, in geen vertrek ben ik veilig en ik zie reeds een regen van scherven op mij af komen. Ik wil gaan liggen, maar blijf rennen. Alles implodeert en in een laaiende, wervelende woede stijg ik op.

Gedurende minuten blijf ik angstig rondrennen, tot ik plotseling stop en zonder duidelijke reden tot rust kom.

Luister hierhet eerste deel van de lezing:






De Groene Amsterdammer publiceert dit artikel in het kader van het Grachtengordelnummer dat op 28 augustus 2013 is verschenen.

Tussen-ruimte opent tijdelijk stegen, binnentuinen en andere onbenutte plekken in de grachtengordel van Amsterdam, in samenwerking met kunstenaars en architecten. In augustus en september zijn deze ruimtes open voor publiek, vinden lezingen, presentaties en filmavonden plaats en is er een tentoonstelling over het project in Castrum Perigrini.

tussen-ruimte.com