Angst, dood en ontbinding

Kadavercantate in het kerkje te Ruigoord tot en met 16 maart (wo tot en met za), 20.30 uur, zo 10 en 17 maart 15.00 uur. Inl. 075-6310231
Iedere muziekstudent krijgt het bij de behandeling van het onderwerp ‘opera’ ingeprent: in de aria wordt een emotie uitgedrukt en staat de handeling even stil, in het recitatief worden - in hoog tempo - de verwikkelingen beschreven. Een ijzeren wet die op alle Mozarts, Verdi’s en Puccini’s van toepassing is.

In deze eeuw werd door componisten aan die conventies gemorreld. Onder de noemer ‘muziektheater’ trachtte men zich van allerlei negentiende-eeuwse operacliches te ontdoen. Het begrip muziektheater was en is een buitengewoon vage, rekbare term die bovenal aangeeft dat het niet om opera (= traditie) gaat. Meest essentieel is misschien - in tegenstelling tot opera, waar het primaat van de muziek geldt - het streven naar gelijkwaardigheid van de verschillende componenten: tekst, muziek, beeld en acteren.
Een in dit opzicht uitzonderlijk geslaagd voorbeeld was Babylotion, omdat de tekst - van Don Duyns - en de muziek - door vier improviserende musici - op een volkomen natuurlijke manier een geheel vormen. Deels ligt dat aan de tekst die, grotendeels verlopend via standaarddialogen, eerder uiting geeft aan een ge voel of een situatie neerzet, dan een heel precieze woordkeuze weergeeft. De instrumentalisten geven op hun eigen, muzikale manier uiting aan datzelfde gevoel. Don Duyns schreef ook de tekst voor de Hollandia-produktie Kadavercantate, die vorige week in het kerkje van Ruigoord, even buiten Amsterdam, in premiere ging. Bij de try-out was, vooral door nogal wat zwakke plekken in de regie, nog geen sprake van een coherent produkt, maar toch bood de voorstelling voldoende interessante aanknopingspunten. Hoewel de muziek van Paul Koek kwantitatief een ondergeschikte rol heeft, wordt het stuk gespeeld door zes zangeressen, die in het kader van een werkervaringsproject een half jaar bij Hollandia werken. Gesitueerd op deze afgelegen, pittoreske plek ontrolt zich een bizar spektakel dat zich afspeelt op een stellage die als een catwalk de kerk in steekt. Op een brokkelige, associatie ve manier behandelt Duyns thema’s als eenzaamheid, angst, dood en de fysieke pendant daarvan: ontbinding.
Telkens verspringen de rollen: de massamoordenaar die uiteenzet hoe hij zes vrouwen in stukken heeft gesneden, zonder dat iemand iets gemerkt heeft - zelfs de buren niet ('Heeft u even een kopje suiker?’). De vervreemding van de man op straat die in monden niets anders dan horizontale vagina’s kan zien ('pure porno’). De vrouw die zich overbewust is van de staat van haar ingewanden en het zojuist verorberde bord met spaghetti en rode saus nu ervaart als 'een bleke massa’ in haar maag. Hoewel sommige overgangen wat kunstmatig aandoen (de vrouw die haar dode hond wil begraven, wordt onderbroken met een verhandeling over wolven en de overeenkomst tussen een wolf en een vrouw), is de tekst scherp.
Vooropgesteld dat de acteerprestaties van deze zangeressen verbluffend goed zijn, is het jammer dat de muziek niet een groter aandeel in de voorstelling heeft. Slechts een paar keer wordt een scene echt gezongen: a cappella, in een sereen, op het gregoriaans geinspireerd idioom. Zo gaat het zestal op een gegeven moment gehuld in dekens onder de stellage zitten en zingt, in het pikkedonker en met als enige begeleiding het knetteren van het haardvuur, een tekst over voorzieningen voor gehandicapte kunstenaars en multiculturele instellingen. Versterkt door het oergeluid van de boventoonzang van een van hen, roept dat een mooi contrast op tussen het gecultiveerde stadsleven en de drang de eigen oorsprong op te zoeken. Eigenlijk kun je niet anders dan constateren dat de zang, net als in de traditionele opera, de functie heeft om uitdrukking te geven aan een emotie. De tekst vertolkt vooral gedachten die in obsessieve cirkels gevangen zitten, terwijl de muziek een verlangen naar zuiverheid en oorspronkelijkheid weergeeft.