Economie

Angst en hoop

Er is nauwelijks een groter verschil denkbaar dan het verschil in de bejegening die hedgefondsen in de EU krijgen en de ontvangst waar ze in China op mogen rekenen. De Europese Commissie bereidt momenteel een richtlijn voor die de activiteiten van hedge- en private equity-fondsen danig aan banden moet leggen. Beheerders van fondsen van respectievelijk meer dan honderd en vijfhonderd miljoen euro moeten grotere openheid gaan geven over hun mandaten, hun beleggingsstrategieën en de grootte van hun hefbomen (leverage). Ook moeten fondsbeheerders over een Europese registratie beschikken om hier te mogen opereren.
De richtlijn stuit op fel verzet, onder meer vanwege de hoge administratieve kosten die ermee zijn gemoeid: 35- tot 50.000 euro per fonds per jaar. Maar wat vooral steekt is dat de fondsen hiermee impliciet de schuld voor de financiële crisis in de schoenen krijgen geschoven, terwijl die volgens alle insiders primair ligt bij overambitieuze bankiers en luie en slecht geïnformeerde toezichthouders. Bovendien zijn deze fondsen voor hun kapitaal en beleggingen aangewezen op bancaire poortwachters en is via het reguliere bankentoezicht alle relevante informatie dus gewoon beschikbaar. Het is vooral te danken aan Franse en Duitse pressie dat deze richtlijn er ligt. Zogenaamd om systeemrisico’s aan banden te leggen, maar in feite om het concurrentievoordeel van Londen waar het merendeel van de Europese fondsen is gevestigd af te knijpen. Uiteraard is in dit tijdsgewricht de kans om eens lekker te schmieren voor de populistische bühne ook mooi meegenomen.
Dan China. Met handen en voeten gebonden aan de Treasury Bills van de Amerikaanse overheid is China naarstig op zoek naar alternatieve beleggingsmogelijkheden. Hoewel nog altijd het merendeel van de exportinkomsten naar T-bills gaat, is het Chinese beleggingsagentschap al langer posities aan het opbouwen in andere financiële markten. Vooralsnog is geen daarvan groot genoeg om de immense Chinese tegoeden (rond de tweeduizend miljard dollar) te kunnen absorberen. Het is tegen deze achtergrond dat het plan van centrale bankier Zhou Xiachuan om de munteenheid van het IMF op te waarderen tot mondiale reservemunt en het vergelijkbare plan om een Aziatische munteenheid te creëren als alternatief voor de dollar moeten worden begrepen. Maar ook hoort daar de grote interesse van Chinese zijde bij voor de beleggingsstrategieën van Britse en Amerikaanse hedgefondsen.
Tijdens een recent seminar in Peking over de financiële crisis presenteerde de Chinese econoom Liu Dongmin een overzicht van de beleggingsprestaties van verschillende typen hedgefondsen en concludeerde dat sommige strategieën rendementen opleverden die niet gecorreleerd waren aan beursindices en daarom interessant waren voor de Chinese overheid. In zijn conclusies ging Dongmin kort in op de Europese discussie en veegde de ontwerprichtlijn met een zwierige zwaai van tafel. Als er al een probleem is met hedgefondsen, dan is dat hun hefboom en die is over het algemeen bij banken nog veel hoger. Eén op vijf bij hedgefondsen, één op dertig bij sommige banken. Richt daar dan je pijlen op in plaats van op deze kleine spelers, die bovendien nuttige functies vervullen op de financiële markten, aldus de Chinese econoom.
Voor een tobberig, angstig Europa doet het nuchtere pragmatisme van Chinese beleidsmakers verfrissend aan. Vrij van de populistische verleiding die de Europese politicus verlamt en onbekend met het theoretische gesteggel van de westerse academicus is men domweg op zoek naar effectieve oplossingen voor prangende vragen. Hoe van de T-bill-verslaving af te komen? Hoe de rendementen op beleggingen te vergroten? Hoe een pensioenstelsel op te bouwen dat werknemers niet bindt aan bedrijf of sector? Zonder enige theoretische, nationalistische of ideologische schroom schuimt de Chinese beleidsmaker de wereld af naar oplossingen die werken.
Het is een pragmatisme dat kennelijk hoort bij jonge, zelfbewuste staten. Ook de VS van de vroege twintigste eeuw kenden deze nuchterheid. Internationaal verwierven de VS toen veel goodwill, vooral buiten Europa, vanwege hun anti-imperialistische buitenlandbeleid. Fout ging het pas toen het Witte Huis in handen kwam van godsdienstfanatici, die gezond verstand verruilden voor ideologisch gelijk. Dominique Moïsi onderscheidt in zijn De geopolitiek van de emotie drie emotionele complexen die horen bij drie geografische eenheden: angst bij Europa, hoop bij Azië en vernedering bij Arabië. Het is een pars pro toto, maar afgaand op de ideologisch benevelde respons van Europese beleidsmakers op de financiële crisis is angst er inderdaad de dominante emotie. En afgaand op de open en nuchtere zoektocht van de Chinese elite is, in de woorden van Moïsi, ‘hoop inderdaad verschoven van het Westen naar het Oosten’. Hoop bovendien die gespeend is van spiritualiteit en uitsluitend is gebaseerd op ‘de ambitie om het hier en nu beter te doen’. Geen betere illustratie daarvan dan het straatbeeld van hedendaags Peking.