Jimmy Carter en moreel leiderschap

Angst en hoop van een onkreukbare president

WASHINGTON – Onlangs opperde een Britse columnist dat de Democratische Partij erbij gebaat zou zijn als Tony Blair zich kandidaat stelt voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2008. De Engelsman werd direct per brief terechtgewezen door een lezer uit de Verenigde Staten: «Blair is veel en veel te links, zelfs linkser dan Ted Kennedy, de allerlinkste senator. Hij zou bij ons nog niet eens worden verkozen in een schoolbestuur.» Ook schreef de Amerikaan: «Wij houden alleen van Blair zolang hij Amerika prijst en zijn soldaten naar onze oorlogen stuurt. Maar als hij ook maar een zweem van enthousiasme toont voor een door het publiek betaalde nationale ziekenverzekering, wachtlijsten voor operaties, een gecentraliseerd onderwijsbeleid, subsidie voor jonge mensen die een universiteit bezoeken, voor quango’s (quasi non-gouvernementele organisaties – pvo), voor het ontwapenen van het publiek, voor een beleid dat er niet op is gericht zo veel mogelijk mensen naar de gevangenis te sturen, dan moet niemand hier meer iets van hem hebben.»

De man heeft gelijk. Ayaan Hirsi Ali sprak vorig najaar tijdens een bijeenkomst in Washington de voormalige ambassadeur in Nederland, Cynthia Schneider, terecht tegen toen die de vvd «gematigd republikeins» noemde. «Mijn partij is liberaal», zei ze ten overstaan van een groepje studenten (zie De Groene Amsterdammer van 30 september 2005), «en past hier beter bij de Democraten.» Ook _Groene-_medewerker Oussama «Sam» Cherribi noemt de vvd, waarvoor hij ooit in de Tweede Kamer zat, de «Liberal Party» van Nederland, wat in Amerika niet veel anders betekent dan «de linkse partij». Hoewel de scheidslijnen anders lopen, ligt het zwaartepunt van het politieke spectrum in Amerika namelijk verder naar rechts dan in West-Europa.

Zo is het niet altijd geweest. Nog maar dertig jaar geleden, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, werd het Witte Huis bewoond door Jimmy Carter, voormalig gouverneur van de conservatieve zuidelijke staat Georgia. De Democraat Carter had campagne gevoerd als een «gematigde zuiderling», zoals hij zichzelf nog altijd noemt. De voormalige marineofficier was «strong on defense» en scherp gekant tegen begrotingsoverschrijdingen. Eenmaal president ondervond hij felle oppositie, niet van de Republikeinen, die destijds weinig hadden te zeggen in het Congres, maar van volksvertegenwoordigers uit de linkerhoek van de Democratische Partij. De kritiek ging zo ver dat Ted Kennedy, broer van en destijds de hoop van het progressieve deel van de natie, hem na enkele jaren zelfs probeerde te vervangen als presidentskandidaat.

Wie nu kennis neemt van Carters politieke opvattingen kan zich nauwelijks voorstellen hoe deze man van links kon worden aangevallen. Goed, hij was geen vakbondsman en dereguleerde zelfs grote industrieën. Maar met hem vergeleken zijn Tony Blair en Wouter Bos, maar ook Ad Melkert en Gerhard Schröder marchanderende grootkapitalisten. En misschien nog belangrijker, uit zijn recentste boek, Our Endangered Values: America’s Moral Crisis, blijkt hij de afgelopen dertig jaar geen centimeter te zijn opgeschoven.

Terwijl de linkervleugel van de Democratische Partij is weggekropen naar fitnesscentra, universiteiten of culturele instellingen staat Carter nog altijd fier overeind, de stevige tegenwind van de tijdgeest ten spijt. De nu 82-jarige missionaris, militair en amateur-timmerman is nog even gelovig als voorheen. In een glasheldere stijl en met een voorliefde voor statistieken hekelt hij de groeiende kloof tussen arm en rijk – wereldwijd en in Amerika, de wapenlobby, de doodstraf, de afwezigheid van vriendschapsbonden tussen welgestelden en mindergestelden, de hysterie over abortus, het obsessieve Cuba-beleid van Republikeinse regeringen, de overreactie van het ministerie van Justitie op de aanslagen van 11 september, het excessieve aantal gevangenen in Amerika, de hoge defensie-uitgaven, de relatief lage uitgaven aan ontwikkelingshulp, het overtreden van internationale rechtsverdragen (Carter was vanaf het begin een fel tegenstander van de oorlog in Irak), het huidige milieubeleid en bovenal de opkomst van christenfundamentalisten in de Amerikaanse politiek.

Vooral dat laatste maakt Carters politieke plek in het huidige politieke spectrum nog ingewikkelder. Want de voormalige president en Nobelprijswinnaar voor de Vrede is een diep gelovig mens. Samen met Woodrow Wilson, ook een Democraat, is hij zelfs verreweg de vroomste van alle presidenten ooit geweest. Toen de huidige president nog aan de drank was, achter de vrouwen aanzat en, naar verluidt, af en toe een lijntje coke binnenhaalde, ging Carter als een missionaris van de Southern Baptists ongevraagd langs de huizen van ongelovigen in Lock Haven in Pennsylvania, met de voet tussen de deur en al. Niets heeft sindsdien nog het geloof van deze voormalige missionaris en militair kunnen breken, zo blijkt uit Our Endangered Values. Carter is weliswaar uit de Southern Baptist Convention gestapt en bezoekt nu de Maranatha baptistenkerk – waarvan ze er ook één hebben in Amsterdam-Zuidoost, met swingende en springende gelovigen – maar zelfs deze verwijdering van de leiders van zijn kerkgenootschap heeft hem niet geraakt. Ook zijn studie natuurkunde deed geen afbreuk aan zijn geloof. Want al in zijn kinderjaren had hij zich, zo schrijft hij in Our Endangered Values, «gewapend» met de bekende bijbeltekst: «Het geloof is een vaste grond van wat wij hopen, het bewijs van dingen die we niet zien.» (Hebreeën II:I) Dat laat ruimte voor alle wetenschap, aldus Carter.

Het ging mis, zo schrijft Carter, toen de leiders van zijn kerkgemeenschap (inmiddels de grootste protestantse denominatie van Amerika) de individuele gelovige en zijn relatie met de Schrift niet meer centraal stelden, maar verklaarden de bijbel namens hun kerkgangers te moeten interpreteren. Niet meer de daden en woorden van Jezus, maar die van een paar zuidelijke blanke mannen werd wet. Fout, aldus Carter, die in zijn boek de trits standpunten van religieus rechts één voor één afwijst of van kantekeningen voorziet.

Zo vindt Carter het betreurenswaardig dat kerkgaande protestanten, en vooral de vele Republikeinen onder hen, zo’n punt maken van seksuele geaardheid «en dit tweedracht zaaiende vraagstuk zelfs bij presidentsverkiezingen naar voren schoven». Jezus heeft het nauwelijks over homoseksualiteit, herinnert Carter de lezer, maar des te meer over ontucht en overspel. Waarom praten de fundamentalistische kerkelijke leiders daar zelden over? Carter geeft het antwoord zelf: «Het komt veel beter uit om ons te richten op zonden die we zelf vermoedelijk nooit zullen plegen, dan op die waartegen we dagelijks moeten strijden.» Zolang weinig Amerikanen verontwaardigd zijn over scheidingen of overspel, schrijft Carter, moeten ze de grondwet maar met rust laten wat betreft het homohuwelijk. Bovendien, vergeven is van groter belang dan veroordelen, schrijft de voormalige missionaris, mensen erbij betrekken van grotere waarde dan uitsluiten.

Ook Carter zelf is verbaasd over de snelheid waarmee het politieke klimaat in Amerika is veranderd. Hij herinnert zich nog levendig hoe aan het begin van de jaren zeventig gouverneurs van beide politieke partijen opschepten over de afname van de gevangenispopulaties in hun staten. Met andere woorden: over het succes van hun resocialisatieprogramma’s. Hij is er trots op dat Amerika tijdens zijn presidentschap niet één grootschalige militaire interventie heeft gepleegd. Hij herinnert eraan dat Amerika tijdens zijn presidentschap de mensenrechten op de internationale agenda heeft gezet, al is daar in de afgelopen jaren weinig meer van overgebleven. Met nog meer vuur schrijft hij over zijn geslaagde poging de Chinese autoriteiten over te halen de bijbel van de lijst van verboden boeken te halen.

Maar dat is natuurlijk niet alles. Carter is ook na zijn presidentschap doorgegaan met zijn werk als wereldverbeteraar. Hij werkt aan vredes- en gezondheidsvraagstukken vanuit het Carter-centrum, een non-profitorganisatie, waarvoor hij in 2002 de Nobelprijs voor de Vrede ontving. Hij schreef twintig boeken, waaronder een historische roman, het eerste fictiewerk ooit geschreven door een Amerikaanse president.

Carter tart alle politieke categorieën door zijn linkse politieke redeneringen te baseren op de woorden en daden van Jezus Christus. Wellicht dat Our Endangered Values daarom niets heeft van het genre van vaak oervervelende Bush-bash-boeken, waarvan er de afgelopen jaren tientallen zijn verschenen. Daarnaast lijdt hij gelukkig niet aan de nationale zelfhaat die zo veel Amerikanen in de grote steden aan de oost- en westkust beheerst. Carter hekelt de regering hoofdstuk na hoofdstuk, maar hij klaagt nooit. Hij maakt zich zorgen over de politieke koers die het land is ingeslagen en die volgens hem «in strijd is met Amerikaanse waarden».

Tegelijkertijd koestert de 82-jarige hoop, een van de drie oud-christelijke deugden. «Het stemt hoopvol», schrijft Carter, «dat het overgrote deel van de Amerikanen het eens is op enkele belangrijke punten: de waarde van religie in individuele levens, de kracht van persoonlijk initiatief om het menselijke potentieel ten volle te benutten, de noodzaak om het milieu te beschermen – ook als dat kostbaar is, twijfel aan de integriteit van de grote corporate ondernemingen en de wens dat er beter op wordt toegezien dat de obsceniteitwet tegen harde pornografie ook daadwerkelijk wordt nageleefd.»

Dit politieke manifest, in de goede zin van het woord, stond wekenlang in de toptien van meest verkochte boeken. Het ontleent zijn kracht voor een niet onbelangrijk deel aan de onmiskenbare «integriteit» van de auteur. Zonder dat woord te gebruiken overigens, want dat is misschien het meest kenmerkende ervan: al die Amerikaanse én Nederlandse politici die het woord wel gebruiken zijn zelden integer. Het is een soort gedachte die Carter niet bezighoudt. Hij verdiept zich in manieren om het leven te verlichten van hen die van minder moeten rondkomen dan twee dollar per dag.

Jimmy Carter, Our Endangered Values. America’s Moral Crisis. Simon & Shuster, 212 blz., ! 22,-