District 9 als allegorie van angst en weerzin in onze tijd

Angst en lolly’s in Afrika

In zijn sciencefictionfilm District 9 belicht regisseur Neill Blomkamp, net als J.M. Coetzee in zijn roman Disgrace, het thema van schuld en boete in het nieuwe Zuid-Afrika.

MET SLECHTS het kale geluid van een banjo – een piano blijkt te fysiek, te gerond, te rijk – componeert David Lurie een opera. De simpele noten vormen zijn nieuwe taal, en door zijn opera krijgt hij greep, hoe fragiel ook, op de veranderende, postkoloniale wereld waarin geweld allesoverheersend is.
De roman Disgrace van J.M. Coetzee was zijn tijd ver vooruit. Het boek, over de academicus David Lurie die naar de boerderij van zijn dochter Lucy verhuist waar ze allebei slachtoffer worden van een overval en zij verkracht wordt, verscheen in 1999. Toen was het fenomeen plaasaanval of plaasmoord nog allerminst wijdverbreid. Inmiddels staan de Zuid-Afrikaanse kranten iedere dag bol van afgrijselijke verhalen over vaak oudere mensen die op die plaas (op de boerderij) worden overvallen, gemarteld, verkracht en geëxecuteerd. Natuurlijk, in Disgrace heeft het geweld een psychologische waarde, en in die zin valt de roman nauwelijks als maatschappelijk geëngageerd te interpreteren. Maar toch, als je hem nu weer leest, met de huidige, weerzinwekkende actualiteit in het achterhoofd, valt de soepele betrokkenheid van Coetzee’s tekst bij het dagelijks nieuws op. Het is alsof het echte land, en de echte gebeurtenissen, altijd onder de oppervlakte van de fictieve tekst liggen, gereed om er ieder moment doorheen te breken. Sinds 1989 zijn er maar weinig culturele werken geweest die de nieuwe Zuid-Afrikaanse context zo scherp in beeld brengen, met Marlene van Niekerks Triomf (1994) als een ander fictioneel werk dat iets soortgelijks voor elkaar krijgt.

MAAR NU is er de sciencefictionfilm District 9 van Neill Blomkamp. Waar Coetzee de horror van Zuid-Afrika in een existentiële tragedie giet – de crisis van Lurie is een crisis van zíjn bestaan – daar kneedt regisseur Blomkamp het nieuwe Zuid-Afrika tot een satire met als kernthema’s angst, haat en geweld. En, zoals in Disgrace, schuld en boete en de mogelijkheid van vergeving en een nieuw begin. Verbazingwekkend is dat de film een internationale kaskraker is, een genrestuk dus, hard science fiction (Margaret Atwood zou het slapjes speculative fiction noemen). En toch is District 9 dodelijk effectief als met zwarte humor omrande maatschappijkritiek én als een psychologisch portret van de geestelijke fragmentatie waarmee een gewone man kampt die opeens in een extreme wereld blijkt te leven.
De film vertelt het verhaal van first contact, uitgerekend in Afrika: boven Johannesburg verschijnt opeens een gigantisch ruimteschip met erin een bevolking afschuwelijke buitenaardse wezens die dan ook meteen pejoratief prawns, ‘garnalen’, worden genoemd. De ‘garnalen’ zorgen voor grote problemen, want waar moeten ze worden gehuisvest? Kampementen, dus, townships. Maar ook dat loopt uit de hand, zodat gedwongen verhuizing onvermijdelijk is. Om het allemaal in goede banen te leiden is, naast een particuliere politiemacht, een bureaucraat onmisbaar. Enter de Afrikaner Wikus van der Merwe (Sharlto Copley), werkzaam voor het bedrijf MNU, dat niet alleen voor veiligheid moeten zorgen, maar ook een wapenproducent blijkt te zijn. Wikus is dol op zijn werk. Maar in zijn omgang met de wezens komt hij oog in oog te staan met zijn eigen vooroordelen en racistische instincten én met de corruptie en leugens van zijn eigen mensen.

DISTRICT 9 markeert een culturele accentverlegging: nu eens niet een kaskraker met Amerikanen in de hoofdrol, maar een kaskraker met Afrikanen in de hoofdrol. ‘Het ruimteschip kwam niet tot stilstand boven Washington of New York, maar boven Johannesburg’, zegt een geïnterviewde aan het begin van de film. Deze gelaagde observatie raakt de kern: er wordt een directe verbinding met genrecinema gelegd door de verwijzing naar eerdere films waarin buitenaardse wezens in ruimteschepen boven metropolen arriveren, bijvoorbeeld in Independence Day (1996). Daar houden de referenties niet op. Een kleine greep: Enemy Mine (1985), Alien Nation (1988), Predator (1987), Starship Troopers (1997), The Fly (1986) en het computerspel Halo. Allemaal zijn ze relevant, vooral de laatste twee titels, de eerste doordat Wikus net als David Cronenbergs wetenschapper Seth Brundle – en inderdaad ook Coetzee’s David Lurie – gedwongen wordt zijn eigen mens-zijn opnieuw te beoordelen, de tweede door een briljante actiesequentie tegen het einde van District 9 waarin Blomkamp bijna experimenteel draait, in de stijl van een game, om de chaos van geweldpleging in een claustrofobische ruimte in beeld te brengen.
Zo schept Blomkamp met District 9 een nieuwe taal, een innovatieve manier om naar de Zuid-Afrikaanse werkelijkheid te kijken. En weer resoneert Lurie in dit proces; je zou kunnen zeggen dat het beeld van Lurie waarin hij met een banjo een opera componeert ook een reflectie van Coetzee als kunstenaar is, die met zijn roman de raadsels van het echte leven probeert te ontfutselen. Dat doet Blomkamp ook. Zijn film is sciencefiction, vermaak, ja, maar tegelijkertijd een artistieke ingreep die nodig is, of nodig zou moeten zijn, om de verwarrende werkelijkheid van een complex land onder ogen te zien.
Deze vernieuwing heeft evenwel een ironische kant: District 9 speelt zich af in Afrika, maar nergens is de betekenis ervan meer relevant dan in Londen, Amsterdam of Parijs. Dat heeft te maken met de huidige cultuur van angst, weerzin en geweld en het klimaat van onzekerheid die in veel grote Europese steden heersen.
In een interview naar aanleiding van de verschijning van zijn boek Met alle geweld, over de machinaties van geweld in het menselijk bestaan, zei Hans Achterhuis eind vorig jaar het volgende: ‘Ik beschouw de massale ontworteling en extreme gewelddadigheid van de samenleving in Zuid-Afrika als een voorland, als een soort microkosmos waarin je het politieke, etnische en criminele geweld aantreft dat ons mogelijk ook te wachten staat.’ Zo valt District 9 inderdaad te lezen: als een allegorie van angst en weerzin in onze eigen tijd, in West-Europa, waar immigratie en ‘de vreemdeling’ midden in het actuele discours staan.

EN ZUID-AFRIKA DAN? Toen ik de film zag, met Nederlandse journalisten in Tuschinski, lag ik vaak dubbel van het lachen – als enige in de zaal. (Voetnoot: ik groeide op in Zuid-Afrika.) Juist voor Zuid-Afrikanen moet District 9 vol zitten met verborgen betekenissen en verrukkelijke in-jokes. Een snelle rondvraag onder vrienden in Johannesburg bevestigde dat.
Geniaal is dat Blomkamp de herkenbaarheid van Wikus door middel van taal bewerkstelligt. Neem die naam: Van der Merwe, voor Afrikaans sprekenden synoniem met ‘sukkel’. Er was een tijd in Zuid-Afrika dat ‘Van der Merwe’-grappen een genre was met zelfspot als belangrijkste ingrediënt. Dat is tegenwoordig wat minder, maar ‘Van der Merwe’ blijft effectief, juist door de dingen die Wikus zegt, bijvoorbeeld, wanneer hij door een incident in de township nieuws wordt en in de media wordt afgeschilderd als interraciale seksmaniak: ‘I would never have any pornographic activity with a fokking creature!’ Uitgesproken, uiteraard, met de overdreven ernst van een Van der Merwe-nerd en met het bekende steenkolen-Engelse accent waar Afrikaners (en premier Jan Peter Balkenende) het patent op lijken te hebben. Er komt er nog een, meer vilein, wanneer een nest met wezens wordt ontdekt en Wikus demonstreert hoe je zoiets afbreekt en hij verlegen zegt: ‘The little guy’s gone to a nice little sleep now.’ Hij zegt het, en je ligt slap van het lachen, maar de humor is functioneel; hieruit blijkt immers de menselijkheid van Wikus. Hij heeft zojuist een baby vermoord, en ergens weet hij dat donders goed. (Vooruit, nog een, mijn favoriet. Wanneer een wezentje een snoepje teruggooit dat Wikus aan hem gaf in een poging tot toenadering, schreeuwt de Afrikaner: ‘He nearly took out my eye with a fokking lollypop!’)
Deze connectie tussen kijker en personage is evenwel niet alleen Zuid-Afrikanen beschoren. Ze bestaat verder doordat de drager van de ‘verborgen’ betekenissen, Wikus, een personage is dat je zowel kunt haten als liefhebben. Net als David Brent (Ricky Gervais) in The Office is ook Wikus een racist en een seksist (Wikus minder opvallend, maar hij zal dat ongetwijfeld ook zijn als de camera’s niet draaien, zo zijn deze mensen nu eenmaal), en toch roepen beiden sympathie op. Ergens hebben ze, hoe vreemd ook, iets goeds in zich. Wanneer Wikus bijvoorbeeld tijdens de voorbereiding op een razzia in het gebied waar de wezens wonen, merkt dat de MNU-agenten zich overdreven bewapenen, dan zegt hij daar wat van, om onmiddellijk op z’n kop te krijgen van de echte slechterik in het verhaal, de macho-agent Kobus Venter (David James). Beide personages, de bureaucraat en de beul, zijn iconisch. Ze vormden jarenlang de spil van de apartheid: de pennenlikker om de repressieve wetten te maken, de macho-schurk om ze uit de voeren.

EN TOCH: wie de laag van humor wegkrast, stuit op duistere thema’s. Blomkamps verhaal reflecteert de decades van rassenhaat en apartheid en de recente golf van vreemdelingenhaat die Johannesburg overspoelde. In Disgrace én in District 9 vormt de echte werkelijkheid een constante onderstroom.
Wikus, de archetypische, boze witte man, kampt in navolging van Coetzee’s David Lurie met een identiteitscrisis, ingegeven door het verlies van politieke en culturele macht sinds de afschaffing van de apartheid. Hierbij is de identiteit van ‘de ander’, de nieuwe machthebber, bepalend.
In het geval van Lurie gaat het om Petrus, de zwarte buurman van Lucy, en de zwarte tiener die haar verkracht. Lurie slaagt er nooit volledig in de wereld van Petrus en het kind binnen te stappen en te omarmen. Tijdens een feestje bij Petrus is alles vreemd, zelfs de muziek die Lurie ‘old-fashioned African jazz’ noemt waarover hij ‘wel eens had gehoord’. Lucy daarentegen accepteert de nieuwe realiteit, hoe bitter die ook is. En de laatste scène in het boek: de jonge hond, die van Lurie’s muziek houdt, wordt opgegeven, wordt ter dood gebracht. Dit is een positief einde. David Lurie, de ‘city boy’ die nooit goed kon kijken naar de schoonheid van het harde land, geeft het deel in hem op dat zich altijd verzette tegen het gewelddadige ‘Afrika’. Het is een disgrace, ja, een leven in ongenade, maar er is hoop: ‘A new footing, a new start.’
Of hetzelfde lot Wikus van der Merwe wacht, zal moeten blijken in het vervolg op District 9. Vast staat wel dat hij (zonder plotontwikkelingen weg te geven) strijdt met zijn achtergrond, zijn mens-zijn, in de nieuwe wereld. Prachtig is dat Wikus, net als Lurie (die mijmert over de dood als een ‘hole where one leaks out of existence’), of als Coetzee’s andere, existentiële personage Michael K., gestroopt wordt van zijn menselijkheid. Eerst droomt Wikus, verloren in het woestland, waar ook Michael K. belandt, over het geïdealiseerde verleden, over zijn hoogblonde vrouw, een ‘white angel with a halo’, maar dan past hij zich aan, en lijkt het alsof hij net als Lurie (over de hond) zegt: ‘Yes, I am giving him up.’ Dan kijkt Wikus van der Merwe recht in de camera, naar ons.

Te zien vanaf 8 oktober