Angst in wall street

Amerikanen doen meer aan avontuurlijk speculeren dan aan benepen sparen. De ‘bull market’ van Wall Street wordt echter niet meer gedragen door hedonistische yuppen maar door angstige investeerders. De omslag in het spirituele materialisme van Wall Street.
NEW YORK - Wall Street heeft een schitterend jaar achter de rug. De beursindexen braken record na record: de Dow Jones haalde 4000 in februari en zwiepte over de 5000 in november; de Standard & Poor klom in maart over 500 en in november over 600. Globaal stegen de Amerikaanse beurswaarden met 35 procent, het beste resultaat in twee decennia. Maar op een kerstboom voor de beursingang na, valt er weinig te merken van een feeststemming. Niemand wil hier nog voor jaren-tachtig-yuppie doorgaan. Het arrogante optimisme is niet langer modieus. De investeerder anno 1995 is nerveus, onzeker, bang voor wat er op komst is.

Wall Street is de oudste wijk van New York. De straten zijn hier een stuk smaller dan elders in de stad, waardoor het beroemde canyon-effect ontstaat. Vooral ’s nachts lijkt de buurt op het decor uit een oude science-fictionfilm, compleet met daklozen onder kartonnen dozen in marmeren bankportieken en geheimzinnige rookpluimen uit putdeksels, alsof er onderaardse fabrieken draaien (in werkelijkheid zijn het lekken uit de stoompijpen die veel gebouwen hier verwarmen).
Drie eeuwen geleden heette het hier Muurstraat, een aarden weg langs de houten schutting waarmee de Nederlandse kolonisten de koeien binnen en de Indianen buiten trachtten te houden. Het kruispunt bij Water Street, de eerste brede straat die je passeert, was ooit de slavenmarkt van New York. Hier hadden de slavenhandelaren tot in de vroege achttiende eeuw hun kantoren, waar ze op telramen de prijzen van hun waar berekenden. In de huidige kantoren flitsen nu cijfers over computerschermen die even ingrijpend over het lot van mensen beslissen. Zo'n flits betekent misschien dat er een nieuwe fabriek verrijst in Mexico of dat een regenwoud verdwijnt op Borneo.
Op de kruising met Broad Street en Nassau bereik je het hart van Wall Street. Rechts ligt Federal Hall, het eerste regeringsgebouw van de Verenigde Staten, links de imposante beurs en de banken. Zoveel gevels lijken op Griekse tempels dat je je op de Acropolis zou kunnen wanen. Ook in de banken zorgen de hoge, rijk versierde plafonds en zuilen, de gedempte stemmen van personeel en klanten, de plechtige stilte waarmee rituelen zoals het openen van een kluis gepaard gaat, voor een gewijde sfeer.
Dat is niet toevallig, meent essayist Lewis Lapham. In zijn boek Money and Class in America stelt hij dat geld hier een diepe, spirituele betekenis bezit. De makelaars en bankiers van Wall Street zijn volgens hem geen materialisten. Ze leven als ascetische monnikken en verspillen geen tijd aan materieel genot. Ze staan op om vijf uur en werken tot diep in de nacht. Lunch bestaat uit een haastige sandwich op kantoor - het is inderdaad opvallend hoe weinig goede restaurants en hoeveel fast-foodtenten er in de buurt zijn. ‘For these people’, zei een psychiater ooit over zijn clienten in The Wall Street Journal, 'business is God.’ Hoewel ook elders geld respect afdwingt, is geld alleen in Amerika de absolute zingever, de maatstaf van alle waarden, zegt Lapham. Niet omdat Amerikanen van nature hebzuchtiger zijn, maar omdat dit land nog steeds een rusteloze, nomadische immigrantenmaatschappij is waarin alles voorlopig en voorbijgaand lijkt en enkel geld een transcendente waarde lijkt te bezitten. In Amerika wordt de rijke per definitie als goed en wijs beschouwd en de arme als een morele verschoppeling. Jay Rohrlich, ook een psychiater met een Wall-Streetclientele, schreef in de New York Times dat de omgang met grote sommen geld zijn patienten vaak in een euforische staat brengt, vergelijkbaar met het effect van drugs of alcohol: 'Een “injectie” met geld geeft hen ogenblikkelijk het gevoel beschermd, sterk, onoverwinnelijk, geliefd, trots en seksueel aantrekkelijk te zijn.’
Daarom kan de rijke er ook moeilijk afstand van doen - je kunt hem net zo goed zijn bloed vragen. De man van het Leger des Heils die niet ver van de beurs zijn kerstbel rinkelt, bevestigt het: in Wall Street is men niet gul. Een slogan op T-shirts die hier enkele jaren geleden populair was, vat Wall Streets spirituele materialisme goed samen: 'He who dies with the most things, wins.’
MET REAGAN BEGON een gouden tijd voor Wall Street. Niet alleen deden zijn belastingcadeaus aan Amerika’s rijksten honderden miljarden dollars naar Wall Street vloeien, ook verkondigde de bejaarde acteur, wiens regering verscheidene Wall-Streetfinanciers telde, de blijde boodschap van een nieuwe dageraad voor het Amerikaans kapitalisme. De Wall-Streetyuppies voelden zich de helden van een nieuw tijdperk. Het leek alsof de bull market (trend van stijgende beurswaarden) eindeloos zou voortduren. In die tijd kreeg Wall Street ook zijn afgodsbeeld: geen gouden kalf, maar een reusachtige bronzen stier op de hoek van Wall Street en Broadway. Zijn ballen blinken omdat veel investeerders er even over wrijven, in de hoop dat het hen geluk brengt op de beurs.
Het aantal Wall-Streetmiljonairs steeg ten tijde van de Reaganomics elke dag. Maar hoe meer erbij kwamen, hoe duurder de vereiste statussymbolen werden. In de reportage 'Je arm voelen met een jaarinkomen van 600.000 dollar’ beschreef de New York Times de ellende van de nieuwe yuppiemiljonairs wier strijd om aansluiting te vinden bij de elite niet zelden eindigde in een bankroet of een zenuwinzinking. 'Ze kunnen de levensstijl van de echte rijken naapen’, zo citeerde de krant bankier Richard Zorn; 'Het buitenhuis in Southampton, de kindermeid, de parties, de kunst en de juiste kleren. Maar als de Jonesen de Bassen willen bijhouden, dan betekent dat een prive-vliegtuig, diamanten en Picasso’s. Ofte wel: tien miljoen dollar aan liquide middelen is niet rijk.’ Een andere bankier: 'Ik wist niet hoe arm ik was, tot ik wat geld had.’ De vrouw van een makelaar bij Lehman, een van de vele firma’s die in de jaren tachtig op fraude werden betrapt, zei tegen Ken Auletta, auteur van Greed and Glory on Wall Street: The Fall of the house of Lehman, dat haar man het had gedaan 'opdat we geen geldzorgen meer zouden hebben’. De man had een jaarinkomen van vijf miljoen dollar.
OOK SOMMIGE VAN de spectaculaire bedrijfsovernames van de jaren tachtig hadden geen andere betekenis dan het verwerven van een trofee, een statussymbool. Het mooiste verhaal over de jacht op statussymbolen komt van cartoonist Ted Rall, die tijdens de jaren tachtig in Wall Street werkte voor de Industrial Bank of Japan. Door het reusachtige overschot op de handelsbalans met de VS zwom Japan in de dollars. In 1986, zo vertelt Rall in het tijdschrift Might, liet de firma Mitsui de bank weten dat ze geinteresseerd waren in het Exxon-gebouw in Manhattan. Of ze konden uitzoeken wat Exxon vroeg. 'Exxon bleek 375 miljoen dollar te vragen, wat ons aan de dure kant leek. We gaven de prijs door aan Mitsui en voegden eraan toe dat Exxon wellicht een lager bod zou aanvaarden. Enkele weken later belde Mitsui om te zeggen dat ze Exxon 610 miljoen dollar wilden bieden. Mijn baas en ik konden het niet geloven.’ Na veel aandringen zei men bij Mitsui: 'Onze directeur heeft gelezen dat de huidige recordprijs voor een gebouw, volgens het Guiness Book of World Records, 600 miljoen dollar bedraagt. Hij wil dat record breken.’
Exxon weigerde aanvankelijk, uit vrees dat de deal op omkoperij zou lijken. Maar Mitsui drong aan: 610 miljoen dollar of niets. Rall en zijn baas probeerden de Mitsui-directeur op andere gedachten te brengen en wezen erop dat hij met dat kwart miljard dat hij te veel betaalde, de helft van de daklozen in New York een flat kon geven. 'Denk aan de publiciteit die u dat zal opleveren! Dat zal veel meer effect hebben dan een vermelding in het Guiness Book!’ 'Hij luisterde beleefd’, schrijft Rall, 'en toen vertrok hij, om het contract te gaan tekenen.’
DE YUPPIE-ROES eindigde op 19 oktober 1987, toen de Dow Jones-index een tuimeling van 508 punten maakte. Zo'n dui zend miljard dollar in beurswaarden was plots 'verdwenen’ en vele investeerders, vooral degenen die het laatst aan boord waren gesprongen, waren geruineerd. Het duurde een paar jaar eer Wall Street zich van de schok had hersteld. In de jaren negentig maakte een nieuwe euforie zich meester van de markt. De huidige bull market verschilt echter fundamenteel van die van de jaren tachtig, zegt Ted Fishman van het financiele tijdschrift Worth: 'Toen werd de opwaartse trend gedreven door ongebreideld optimisme. Vandaag wordt hij gedreven door angst. Ik ken die angst zelf maar al te goed. Hoewel ik een goede baan heb, is het niet te garanderen dat ik genoeg kan sparen om mijn huidige levensstandaard na mijn loopbaan te bewaren. Mijn generatie weet dat speculeren de beste hoop is om niet arm te sterven. Werkzekerheid bestaat niet meer. Een bedrijf als IBM heeft in de laatste vier jaar meer banen afgestoten - 125.000 - dan het in twintig jaar heeft gecreeerd. We weten dat de sociale zekerheid bankroet zal zijn in 2029. We weten dat Medicare, de ziektekostenverzekering voor bejaarden, zal zijn afgebouwd tegen de tijd dat wij die nodig hebben.’ Ook de pensioenen zijn niet veilig: de pensioenfondsen van de vijftig grootste Amerikaanse bedrijven hebben een gezamenlijk tekort van 13,5 miljard dollar. Fishman: 'Dus wat kunnen we doen? We kunnen beter een paar miljoen accumuleren voor een toekomst waarin de gezondheidszorg waanzinnig duur dreigt te zijn en de dollar misschien even veel waard zal zijn als vijf cent vandaag. De beurs is een berekend risico in een maatschappij die nog riskanter is.’
Het is dus geen wonder dat Amerikanen meer speculeren en minder sparen dan andere volkeren of dat het percentage Amerikanen dat speculeert vijf keer hoger is dan in 1952. Er zijn nu 51 miljoen Amerikanen die geloven dat de beurs de laatste trein is uit een na-naoorlogse economie die niet langer banen creeert die een toekomst zeker stellen.
Hoe meer onzekere speculanten, hoe groter de markt voor de verkopers van financieel advies. De groei van het aanbod is spectaculair. Er zijn nu drie tv-kanalen die niets anders dan financieel nieuws en advies uitzenden (en die de kijker tot kopen, ko pen, kopen manen; want Wall-Streetfirma’s financieren deze zenders met hun reclame), twee all business-radiostations, drie financiele dagbladen, steeds meer financiele tijdschriften (Fortune, Money, Forbes, Kiplinger’s, Barron’s, Business Week, Worth) en meer dan vijfhonderd goedkoop uitgegeven of per fax verzonden beurs- newsletters. Dat het aldaar gebezigde jargon voor velen onbegrijpelijk is ('the two-year note is up six ticks at par plus 30 with a yield of 5,97 percent’) en de voorspellingen vaak verkeerd, doet er weinig toe. Volgens Lapham begrijpt iedereen dat hun functie in de eerste plaats ceremonieel is.
De twee investeringstrategieen die de Wall-Streetgoeroes de afgelopen jaren het agressiefst aanprezen, hadden echter beide een fatale afloop. De eerste bracht een speculatiegolf op gang in de obligatiemarkt, die vorig jaar instortte, waardoor investeerders zo'n duizend miljard dollar verloren - bijna even veel als in de beurskrach van 1987. De Californische gemeente Orange County alleen al verloor 1,7 miljard. De tweede, investeringen in de 'opkomende’ ontwikkelingslanden van Azie en Latijns Amerika, lokte in 1993 en 1994 ruim 150 miljard dollar Amerikaans kapitaal. Mexico, Wall Streets lieveling, was met 28 miljard de grootste winnaar. Toen stortte de Mexicaanse economie in, haar beurs verloor 42 procent van haar waarde en de Amerikaanse investeerders vluchtten weg. De paniek sloeg over naar andere Latijns-Amerikaanse en Aziatische beurzen (het 'Tequila-effect’) en de dollar werd mee omlaag gesleurd.
TOCH BLIJFT HET geld naar Wall Street stromen. Makelaars lokken hun klanten met de beroemde studie van econoom Roger Ibbotson, waaruit blijkt dat een dollar die in 1926 werd geinvesteerd vandaag 26 dollar waard zou zijn, terwijl een dollar geinvesteerd in een aandelenportfolio nu 810 dollar waard zou zijn. De Ibbotson-cijfers hangen, mooi ingelijst, in vrijwel elk makelaarskantoor van het land. Over Ibbotsons latere correctieve studie, waarin hij ook inflatie, belastingen en makelaarscommissies in rekening bracht zodat de 810 dollar verschrompelde tot een magere twintig, zwijgen de makelaars discreet.
Toch hebben Amerikaanse aandelen het in de laatste decennia beter gedaan dan alternatieve investeringen en veel experts voorspellen dat dit zo zal blijven. De econoom Edward Yardeni beweert dat de Dow Jones voor het jaar 2000 de kaap van 10.000 zal omzeilen, hetgeen zou neerkomen op een waardeverdubbeling in vijf jaar tijd. Hij wijst erop dat de VS-economie het beter doet dan de concurrenten, dat er meer bedrijven fuseren en worden overgenomen dan ooit (wat doorgaans gepaard gaat met een stijging van hun aandelen), dat ze door downsizing (massale ontslagen) hun kosten blijven reduceren, dat de informatierevolutie vraag blijft creeren en vooral dat de inflatie voorgoed getemd lijkt.
Ook David Shulman, 'de Cassandra van Wall Street’, bekeerde zich onlangs tot het optimistenkamp, vanuit het geloof dat de lage inflatieverwachting het investeringsklimaat fundamenteel heeft veranderd.
Dat de inflatie zo laag blijft, komt in de eerste plaats door de verschuiving in de verdeling van het nationaal inkomen. Het modale Amerikaanse loon is sedert 1973 met vijftien procent gedaald (na inflatiecorrectie). Dat beperkt zowel de kostprijs als de vraag naar consumptiegoederen en houdt prijsstijgingen dus in toom. Rijke Amerikanen zijn in die periode beduidend rijker geworden: zeventig procent van de groei van het nationaal inkomen sinds 1977 ging naar een procent van de bevolking. In de laatste twintig jaar groeide het inkomen van een modale bedrijfsleider van veertig keer dat van een modale arbeider naar tweehonderd keer zoveel. Die verhoogde koopkracht van de rijken stimuleerde niet zozeer de vraag in het algemeen als wel de vraag naar alles wat die koopkracht kan bewaren en vermeerderen. Dat kunnen aandelen zijn of schilderijen van Van Gogh. De prijzen daarvan stijgen omdat de vraag blijft stijgen, en de vraag blijft stijgen omdat er steeds meer geld in steeds minder handen terecht komt.
MAAR EVENALS inflatie betekent speculatie in feite geldontwaarding: met dezelfde som gelds koop je steeds minder - consumptiewaren in het eerste geval, aandelen of kunst in het tweede. Terwijl je met honderd miljoen dollar tien jaar geleden misschien tien Van Goghs kon kopen, krijg je er vandaag maar eentje voor. Toch is het een goede investering, want morgen is die Van Gogh misschien tweehonderd miljoen waard. Met aandelen gaat het net zo: de prijsstijging wordt minder veroorzaakt door de stijging van de waarde dan door het collectief geloof dat de vraag ernaar zal blijven stijgen. In verhouding tot hun opbrengst, de dividenduitkering, zijn aandelen nog nooit zo overgewaardeerd geweest. Het modale kwartaaldividend van de Standard & Poor (een index van vijfhonderd aandelen) staat op slechts 2,38 procent, net de helft van het historisch gemiddelde. Maar volgens beursanalyst Alfred Goldman is dat niet erg, want: 'de markt wordt slechts voor vijf procent bepaald door de feiten en voor 95 procent door wat de investeerders geloven dat er zal gebeuren’.
Maar geen enkele vraag is grenzeloos. Juist daarom zijn velen in Wall Street nu hypernerveus. Ze vrezen dat vrijwel iedereen die in de beurs kan investeren, dat nu al doet, zodat uiteindelijk de vraag naar aandelen zal stagneren en de speculatiezeepbel zal barsten. 'Nog nooit was er een stijgende markt met zoveel deelnemers’, zegt Barton Biggs, beursanalyst bij Morgan-Stanley, 'God sta ons bij als ze hun trekken thuis krijgen.’