Angst is al het wit

Angst ligt buiten het bereik van de taal. En mensen geloven maar al te graag dat emoties iets zijn waar je doorheen moet.

Op mijn achttiende schreef ik: ‘Angst is al het wit wat in de regel niet verdwijnt.’ Het blaadje waarop ik het neerkrabbelde heb ik tot propje gemaakt en weggegooid, omdat ik van alles wat ik schreef eiste dat het toegankelijk zou zijn en ik deze zin zelf maar amper begreep. Toch is het heel moeilijk: op een heldere manier over angst spreken. En dat is hoe ik die zin uiteindelijk maar heb opgevat – angst is datgene waar de taal zich niet voor leent, waar de woorden langs schuren maar nooit volkomen vat op krijgen.

Een van de weinige voordelen van het overlijden van mijn moeder, merkte ik, was dat iedereen plots begrip had voor mijn leed. Wat ik niet durfde te zeggen was dat dat leed er daarvoor ook al was, daarna nog lange tijd zou zijn – veel langer dan ik me zou mogen beroepen op die volledig legitieme oorzaak.

Angst is een temperatuurloze emotie. Verdriet niet. Verdriet komt voort uit warmte: liefde. Ik heb onmetelijk veel liefde voor mijn moeder gevoeld. En wat volgde was een peilloos verdriet. Verdriet, zou je kunnen zeggen, waarvan je de bodem niet kunt zien. Maar dat deert me niet, want ik heb mijn wapens: de taal, die reeds overloopt van overleden moeders, van verdriet en liefde en wederopstanding.

Toen ik een paar maanden na haar dood besloot om Citalopram te slikken, een middel dat gebruikt wordt tegen depressies maar ook angsten, kwam me dat op de nodige kritiek te staan. Iedereen was bang dat ik dik zou worden – een mogelijke bijwerking. Ik bleef dun, waarna de meer kernachtige bezwaren kwamen: de pillen zouden me een ander mens maken.

Daar heb ik, erg diep vanbinnen, hartelijk om kunnen lachen. De wens een ander, meer draaglijk iemand te worden is sinds mijn puberteit niet echt afgenomen, en soms verlang ik bij mijn omgeving een dergelijke ambitie te ontdekken. Als ik vroeg op wat voor manier ik dan anders zou worden, kon ik steevast op hetzelfde antwoord rekenen: afgevlakt.

Op die momenten ontbraken me de wapens wel degelijk, want ik moest naar die plek waar de taal zoals gezegd niet komt: angst. Waar ik achterkwam was dat er een zeker geloof bestaat: het geloof dat emoties iets zijn om doorheen te gaan, en de bijbehorende aanname dat iedereen die daarin besluit een omweg te nemen niet meedoet. En wie niet meedoet wordt, zoals altijd, afgestraft.

Ik doe niet mee; ik ben heel slecht in meedoen. Het is inmiddels vier maanden geleden dat ik begon met mijn medicatie, en als ik één ding kan beamen is dit het: afgevlakt, anders, minder Sofie – ik ben het allemaal. Sommige mensen lopen over: ik ben er zo een. Sommige mensen zijn trop de – niet zozeer voor de wereld als wel voor zichzelf. Angst is de schijnbare realisatie dat alles misgaat, een besef dat na verloop van tijd altijd gepaard gaat met somberheid: een gebogen hoofd, omdat er aan dit alles niets meer te doen valt. Daar kun je niet doorheen, want het is een anticipatie op een zelfverzonnen toekomst.

Die toekomst wordt pas werkelijkheid wanneer je je angsten de overhand laat nemen, iets wat ik bij genoeg vrienden heb zien gebeuren die zich te veel schaamden voor het onderwerp om zich erover uit te spreken. Angst en schaamte zijn boezemvrienden, en ze zullen elkaar voortdurend rechtvaardigen in hun bestaan.

Het was Deleuze die schreef: ‘Het doel is niet om vragen te beantwoorden, het is om eraan te ontsnappen.’ Ik geloof dat er iets soortgelijks opgaat voor angst: er bestaat geen antwoord op, het is de kunst om de vraag te doen verdwijnen. En dat is waarom de taal zich zo moeilijk leent voor dit gevecht – het is de spreker zelf die aan banden moet worden gelegd.