Essay: Bang voor de dood

Angst komt na de praalwagens

De angst voor de dood is een belangrijke bron van menselijke activiteit. De mens verdringt de dood met drank en drugs en door het doen van inkopen. Er is geen troost mogelijk.

Het is verbazingwekkend hoeveel juiste uitspraken er al over de dood zijn gedaan. Het lijkt soms zelfs alsof je over de dood niet eens zo veel kunt zeggen dat pertinent onjuist is. Daaruit zou je kunnen opmaken dat het verhaal van onze eindigheid ongrijpbaar is gebleven. De Amerikaanse antropoloog Ernest Becker moet aan het einde van The Denial of Death dan ook toegeven dat het onderwerp hem is blijven ontsnappen.

Een inventarisatie van de geestelijke rijkdommen die in de citatenboeken liggen opgetast, leert ons dat denkers en dichters zich door de eeuwen heen vooral hebben beziggehouden met het motief van de vergankelijkheid, het compromisloze gedrag van de dood en de dreiging van postume verschrikkingen. «De dood grenst aan onze geboorte, en onze wieg staat in het graf», dichtte de zestiende-eeuwse dichter Joseph Hall zwartgallig.

Vaak wordt de dood als een vijand behandeld: «One short sleep past, we wake eternally,/ And death shall be no more; death, thou shalt die», roept de Engelse dichter John Donne bezwerend in één van zijn sonnetten. Te oordelen naar de algemene teneur van de nagelaten wijsheden wordt de dood hooguit aangeprezen als een verlosser van het lijden, als broeder van de slaap, maar niet of nauwelijks als een positief, vrucht dragend beginsel. Voor hij met de getorpedeerde Lusitania onder de golven verdween, zou Charles Frohman de dood «het mooiste avontuur in het leven» hebben genoemd, en Carl Jung noemde de dood «een trouwe metgezel van het leven, die het als zijn schaduw volgt». Over het algemeen heeft de dood echter een opmerkelijk slechte pers.

Ernest Becker brengt zijn boodschap meteen al in de eerste alinea van The Denial of Death (1973). «Het menselijk dier wordt door niets zozeer in beslag genomen als door het denkbeeld van de dood, de angst ervoor; het is een van de voornaamste bronnen van menselijke activiteit — een activiteit die er grotendeels op is gericht aan de fatale dood te ontkomen, deze te overwinnen en te ontkennen dat hij het noodlot van de mens is.» De doodsangst is universeel, maar hij wordt door verdringing gedwongen om zich via talloze omwegen te openbaren in veel van wat we ondernemen. Becker gelooft dat ons handelen wordt «verduisterd met eindeloos heen en weer gepraat over de ‹ware› menselijke motieven». De mensen zijn gedoemd om in een «demonische en tragische wereld te leven», en als reactie hierop «drinkt en drogeert» de moderne mens zich «buiten bewustzijn» of verdoet hij zijn tijd met «inkopen» doen, «wat op hetzelfde neerkomt».

Becker brengt consumentisme en genotzucht rechtstreeks in verband met de weerstand tegen het sterven. De verdringing functioneert zo goed dat de fundamentele schaarste van de toegemeten tijd niet meer wordt herkend en doorleefd. Becker zou wel enige affiniteit hebben gevoeld met H.J.A. Hoflands voortreffelijke najaarstirade in de NRC tegen het moderne hedonisme en de pretparkmens, en hij zou geen moeite hebben gehad de overspannen uiterlijkheidscultuur van deze jaren te duiden, de trimmende bejaarden van Florida, de jacht op snelle rijkdom, het narcisme van de deel nemers aan Big Brother-experimenten, de invaliden die met rolstoel en al halverwege een steile bergwand hangen — de verdringing werkt op volle toeren. De psychoanalyticus Medard Boss bericht over Amerikaanse funeral homes waar men de lijken schminkte, een sigaret in de mond stak en bandjes afspeelde met hun stemgeluid uit betere tijden.

Het is verleidelijk om in allerlei platvloers amusement geen afgeleide doodsangst te zien, maar uitsluitend verveling en gebrek aan fantasie. In geval van twijfel volstaat het om even na te denken over de tussenstations. De drang naar faam bijvoorbeeld lijkt oppervlakkig gezien op een narcistisch en kinderachtig uitvergroten van het ego, maar de bevrediging kan bij nader inzien slechts zijn onttrokken aan een schijnoverwinning op de eindigheid. Roem is niet in de eerste plaats het glamourvolle bewijs van niet-mediocriteit (en wat zou er zonder doodsangst tegen middelmatigheid in te brengen zijn?), maar vooral een nalatenschap die dood en verval moet overleven — «de negende symfonie heeft hem onsterfelijk gemaakt».

Het zou een aardig gezelschapsspel zijn om de connectie van iedere willekeurige vorm van gedrag of gevoel met de doodsangst in zo min mogelijk tussenstappen te beschrijven. Eenzaamheid? Een voorafschaduwing van het sterven. Ironie? Resultaat van een geblokkeerde drang naar het onein dige. De dood is alleen afwezig wanneer we de tussenstappen en vermommingen niet herkennen. Eindigheid is het bouwmateriaal van de psyche.

Het is verleidelijk om te veronderstellen dat Hoflands pretparkmens zich zo erg verveelt dat hij niet langer door zijn eindigheid kan worden opgejaagd. Laten we echter aannemen dat de schijn bedriegt en dat de rivier der vergetelheid hier op zijn breedst is. De angst komt vermoedelijk pas wanneer de laatste praalwagen voorbij is.

Beckers overzicht van al die panisch-heroïsche verdringingsmanoeuvres veroorzaakt een pijnlijk genoegen van herkenning. De doodsangst wordt niet veroorzaakt door de cultuur of geïmporteerd door existentialisten en protestantse theologen. Hoewel veel van ons gedrag een belichaming is van doodsangst, zullen de mensen volgens Becker denken dat de doodsangst niet aanwezig is, omdat haar manifestaties indirect zijn. Zo is de behoefte aan heroïek, een van de voornaamste uitingen van de doodsangst, gebaseerd op de behoefte van het kind aan zelfrespect als de belangrijkste levens voorwaarde, en we schreeuwen, als we allang volwassen zijn, nog steeds om erkenning en waardering.

De doodsangst zelf, een uiting van het instinct tot zelf behoud, heeft zijn nut wel bewezen; een schepsel dat niet op gevaren reageert, is ten dode opgeschreven. Omdat angst echter verlammend kan werken, moet hij worden verdrongen. Het kind beschermt zich tegen de verschrikkingen van de wereld omdat het zijn zwakke ego moet consolideren. De angsten van het kind zijn dus niet aangeleerd, maar vormen een reactie op de complexe bedreigingen van de wereld. De verdringing richt zich niet primair, zoals de freudianen dachten, tegen de seksualiteit, maar tegen de dood; het is een instrument dat ons min of meer succesvol langs de wisselvalligheden van het leven loodst. Omdat verdringen kennelijk gezond is en goed functioneert, zijn we niet erg geneigd ermee te stoppen.

Becker citeert in zijn boek regelmatig het cultboek van Norman O. Brown, Life against Death, in de jaren zestig stukgelezen in de milieus waar ook het werk van Herbert Marcuse in de zitkuilen rondslingerde. Browns boek behandelt ruwweg dezelfde thema’s, gebruikmakend van de volledige freudiaanse sleutelset, inclusief de doodsinstincten en de anale fixaties die uiteraard op de hele cultuur van toepassing worden geacht.

Brown ziet de mens als een lustzoekend dier, gefrustreerd door 2000 jaar van pogingen om hem in een asceet te veranderen. De mens blijft verlangen naar de «narcistische almacht» van zijn kinderjaren, die mooie tijd toen alles nog kon en een kik voldoende was om zijn zin te krijgen. Hij heeft ooit geproefd «van de vrucht van de levensboom», hij kan de smaak niet vergeten en is dus neurotisch. Brown gaat naar onze moderne smaak misschien wat ver, maar lijken de zware eisen die tegenwoordig aan een bevredigend leven worden gesteld niet op een nauwelijks verhulde kinderlijke behoefte om alles te hebben? Is de term «neurose» voor een systematisch overspannen verwachtingspatroon wel zo overdreven?

Volgens Brown komen de neuroses voort uit cultureel bepaalde verdringingen. Dood en leven zijn gescheiden geraakt; we weten niet hoe we moeten sterven en daarom weten we niet hoe we moeten leven. De dood geeft het leven individualiteit en omdat we onze dood verdringen, verdringen we ook de individualiteit. De mens moet, door een werkelijk individu te worden, de verdringing te boven komen. Leven en dood zijn de twee bestanddelen van de rijpe individualiteit, «en rijpheid is alles». Deze rijpheid zou, als we Browns vernuftige dialectiek voldoende hebben doorgrond, ook het sterven draaglijk moeten maken.

Brown meent dat de mens al in de kindertijd besluit om zijn libidineuze aanvechtingen te verdringen. Hij wil zijn «niet te hanteren vitaliteit» onderdrukken, zijn primitieve lusten en aandriften. Pas de volwassene kan deze afwijzing van het lichaam ongedaan maken en het koninkrijk van de genieting betreden. Brown beëindigt zijn boek met een lyrisch pleidooi voor een «wederopstanding van het lichaam», een terugkeer naar de zintuiglijkheid. «De fysieke zintuigen van de mens moeten worden losgemaakt van het gevoel van bezit en dan zal voor de eerste keer de menselijkheid van de zintuigen en het genieten van die zintuigen door de mens worden bereikt.» «Er zal een nieuwe mens ontstaan», met een «lichaams-ich dat sterk genoeg is om te sterven». Zelden zal er over de lichamelijkheid zo onlichamelijk geschreven zijn.

Browns geloof in de volkomen lichamelijkheid — wat dat is blijft hoe dan ook enigszins duister — is een religieuze manoeuvre. Becker vindt al het gepraat over een veronderstelde nieuwe lichamelijkheid en de bijbehorende afschaffing van schaamte en schuld «volkomen onlogisch». Hij gelooft niet dat een volledig in het nu van de ervaring leven de doodsangst zou verminderen. «Er is geen manier om je angst als schepsel te overwinnen», doceert Becker, «tenzij je een god en geen schepsel bent.» Het kind reageert met verdringing op de bedreigingen van het leven omdat het zonder angst wil kunnen handelen. Er moeten grenzen zijn om een normaal bestaan te kunnen leiden en het ego en de cultuur sluiten het compromis dat het leven überhaupt mogelijk maakt.

Het oriëntatiepunt van de mens moet voor Becker noodzakelijkerwijs buiten het lichaam liggen. Het ego moet worden opgebouwd rond een heilzame verdringing; het moet zich ook teweerstellen tegen het lichamelijke in plaats van zich erdoor te laten meeslepen. Becker stelt zijn vertrouwen in een «irrationele levenskracht», in een nieuwe en praktische vorm van heroïek «die fundamenteel een kwestie van geloof en wil, toewijding aan een visie» is. Het heden van Becker is er al, tastbaar en vrij van luchtspiegelingen, terwijl het heden van Browns wel erg ijl uitgevallen lichamelijkheid nog moet aanbreken en daarmee voorlopig tot het rijk der utopieën behoort.

Becker en Brown her-ensceneren het klassieke duel tussen de realist die hooguit vertrouwt op volharding, maar zich nooit laat verleiden tot een overkoepelende zingeving, en de idealist die zijn heil zoekt in een ideologische oplossing van welke aard dan ook; de scherpe kanten van het lijden worden weggeslepen met de mystieke illusie van een bevrijde zintuiglijke mens.

Theoloog Paul Tillich, ook door Becker aangehaald, beschouwt iedere vorm van mystiek — ook lichaamsmystiek, mogen we aannemen — als een «manisch verdedigings middel» tegen «een mannelijker ervaring van potentiële zinloosheid». Becker respecteert de dood als het ultieme niet-inpasbare, waar Brown ons troost in het vooruitzicht stelt — de totale zintuiglijkheid en het einde van de verdringing zouden de dood acceptabel maken.

Of de dood met welke vorm van troost dan ook beter verteerbaar wordt, is maar zeer de vraag. Ik sprak eens een ster vensbegeleider die zijn cliënten voorhield dat er, wist hij uit ervaring, vorige levens en volgende levens bestonden. Zonder deze hulpconstructie had hij aan hun bedden niet veel te melden. Dit leek mij een gemakzuchtige oplossing en ik kon me ook niet voorstellen dat die werkte. Hij gaf toe dat sommige stervenden koppig bleven volhouden dat het «hierna afgelopen» was; hij begreep maar niet waarom ze zo «destructief» waren om iets te geloven wat niet in hun belang was.

Professor A. van Dantzig betoogt in een essay getiteld Psychologie van de doodsangst dat struisvogeloplossingen niet goed blijken te werken. Hij beschrijft het geval van een dodelijk zieke man die depressief is omdat hij na een saai leven onder dominerende ouders en een dominerende vrouw tot de conclusie is gekomen dat hij niet voldoende heeft geleefd. Wanneer hij zich dat met hulp van de therapeut realiseert en alsnog een tijd «zichzelf» leert zijn, verdwijnt zijn depressie. Angsten die zich aan het sterven hechten, blijken vooral menselijke conflicten te weerspiegelen, geen zuivere doodsangst. Van Dantzigs therapeutische ervaring leerde hem dat het mogelijk was om «zonder onverdraaglijke angst te sterven in het besef dat de dood het einde van alles betekent».

En Browns nieuwe mens? Die is misschien toch gearriveerd, maar niet zoals Brown het zich had voorgesteld. Een geperverteerde variant op de zintuiglijke mens dwaalt op zondag door de winkelcentra en door de digitale spiegelzalen van het internet waar zijn lichamelijkheid hem koppig zal blijven achtervolgen, om hem op enig moment uit zijn virtuele sluimer te wekken. Het virtuele zal uiteindelijk niet bestand blijken tegen pijn, verval en dood; de toekomst is altijd aan het lichaam, maar dat is niet zo bevrijdend als Brown ons wil doen geloven.

De verdringing creëert een paradoxale versmelting van af- en aanwezigheid. De dood lijkt een groot deel van de tijd afwezig, maar zij toont zich voortdurend in onze ambities, in de megalomane projecten die we, als we onsterfelijk waren, eeuwig zouden uitstellen. De dood toont zich ook zeer vrijmoedig in de ziekte en de dood van de anderen. Tijdens een bezoek aan een vriend of familielid in het ziekenhuis word je je plotseling bewust van licht extatisch gevoel: jij wandelt vrij rond en je verlaat het gebouw wanneer je wil — een Pyrrusoverwinning waarmee je tevreden bent. Soms voel je dat verdringen heilzaam is; je realiseert je wat je doet en je gaat er op hetzelfde ogenblik mee door. Je wil immers hoe dan ook leven, ook al weet je niet precies hoe dat moet.

We kennen de verhalen wel over mensen die na een deprimerend bericht van hun specialist tot diepere inzichten komen — de thuisblijver gaat reizen en de reiziger keert terug naar huis. Dit soort crisisgedrag lijkt in de praktijk niet erg geschikt voor een periode van enkele tientallen jaren; de psyche kan beter op de voorgeschreven spanning worden gehouden en de piekervaringen zien we het liefst evenwichtig over de jaren verdeeld. Meestal regeert de alledaagsheid, waarin dood en leven hun gecompliceerde relatie onderhouden. Onze dagen worden, zoals Heidegger heeft gezegd, «gemagnetiseerd» door de eindigheid, maar onze onderdompeling in «de tienduizend dingen» maakt haar doorgaans onzichtbaar en daarom te verdragen; ons vruchteloze gefantaseer over vormen van onsterfelijkheid — boeken, kinderen, gebouwen — is het draaglijke symptoom van een succesvolle verdringing. (Wanneer we inderdaad onsterfelijk waren, zouden we overigens in niets op die grillige, jaloerse Griekse goden lijken. Een psychologie zonder eindigheid is ondenkbaar: mét de dood vervlogen de jaloezie, de angst, de ambitie, de arrogantie, de nederigheid en zelfs de liefde — al het psychische ontwikkelt zich immers tegen de druk van de eindigheid en de beperking in. We zouden evenveel psychologie vertonen als de maan of een koraalrif.)

Dood en leven veronderstellen elkaar. Nogal vaak wordt het cliché gebezigd dat leven neerkomt op leren hoe je moet sterven, maar van het praktisch onderzoek komt meestal weinig terecht. Zo lang het lichaam behoorlijk functioneert, is er niet veel behoefte aan mediteren op iets onaangenaams, en een gezond lichaam kan wel enige troosteloosheid absorberen.

En hoe zou voorbereiding op de dood ooit kunnen helpen? Waar zou je je op moeten voorbereiden? De dood is van alles niet, het ideale object voor een negatieve theologie; je zou kunnen beweren dat er eigenlijk niets over te melden valt. Wanneer doodgaan, zo bezien, bij het leven hoort en zelfs de zwaarste opdracht ervan is, liggen er aardige mogelijkheden voor een bescheiden vorm van heroïek: de feiten onder ogen zien, helder blijven, het wijze afrondende gesprek met de aspirant-nabestaanden, niet op de valreep nog even rooms-katholiek worden. God mag weten wat je allemaal voor grootse gedragingen kunt verzinnen wanneer je finest hour nog niet geslagen heeft.

Ikzelf geloofde ooit dat sterven heroïsch moest zijn, alsof het slot van het stuk de tekortkomingen van de hele voorstelling zou kunnen compenseren.

Mijn moeder heeft nooit geweten hoe ze moest leven en ze wist dus ook niet hoe ze moest sterven. Ik zou kunnen concluderen dat zij het wereldbeeld van Becker bevestigde omdat haar leven altijd «folterend uniek» is gebleven en dat zij de behoefte aan het wereldbeeld van Brown bevestigde omdat zij niet in staat was harmonieus te sterven en, voor zover mij bekend, geen spoor vertoonde van de niet-bezitterige, schaamte- en schuldvrije nieuwe mens.

Misschien heeft zich ook in mij ooit een duel tussen «Becker» en «Brown» afgespeeld — hun visies op het leven lijken op elkaar, ook al ontvouwen ze sterk verschillende perspectieven — maar tijdens het sterven van mijn moeder raakte ik verder dan ooit verwijderd van het geloof in Norman O. Browns psychologische heilstaat. Haar laatste drie maanden waren geen viering van de lichamelijkheid, maar een macabere onderdompeling erin, een reis waarbij vergeleken Slauerhoffs De laatste reis van de Nyborg op een pleziervaart leek. Mijn moeder was angstig en bitter, ze verzette zich, ze voelde zich schuldig over de fouten die ze had gemaakt, eigenlijk vond ze dat ze alles fout had gedaan en ze vreesde dat ze naar de hel zou gaan; ze huldigde de ingenieus-masochistische overtuiging dat er wel een hel maar geen hemel bestond. Ze dempte haar doodsangst met zware medicamenten, ze maakte ruzie, ze verweet ons dat wij niet gingen sterven. Ze putte ons, stervensbegeleiders, volledig uit en het viel niet mee om van haar te blijven houden; misschien waren er ook wel momenten dat alleen de plichtsbetrachting ons nog op gang hield.

Toen mijn moeder van een scherpzinnige arts hoorde dat ze moest «vechten», werd ze ter plekke wanhopig; ze had geen flauw benul wat «vechten» in dit verband betekende en hoe dat moest, en ik haastte mij om uit te leggen dat dit weer zo'n ongelukkige beeldspraak was waar ze zich niets van moest aantrekken. Verpleegsters en verplegers vertelden me dat de mensen meestal niet dapper sterven, maar heimelijk en abrupt, als ze even een minuutje alleen zijn — zoals ik al had moeten weten. Sterven is voortgezette verdringing, verzet, laconisme, chagrijnigheid, pijn, verveling, angst, aanwezigheid, afwezigheid, gerommel met hulpmiddelen en een onuitroeibare alledaagsheid; sterven is even chaotisch als leven, even levendig.

Misschien heeft sterven wel kenmerken van heroïek, maar dan moet dat zware woord niet worden gebruikt. Er is bij de dood geen sprake van te veel of te weinig poëzie, omdat esthetische argumenten misplaatst zijn; wat we zouden kunnen ervaren zijn de ornamentloze waarheden van leven en dood. Pas wanneer religie en kunst in al hun kleurrijke varianten zijn geneutraliseerd, wordt de realiteit zichtbaar.

De realiteit is dat er voor onze sterfelijkheid geen overtuigende troost bestaat, behalve af en toe de ervaring van schoonheid en liefde en als je geluk hebt het juiste gebruik van je talenten. Als de berichten niet bedriegen, maakt gelovigheid niet eens veel uit voor de zwaarte van het sterfproces, vermoedelijk omdat het afscheid van het bekende het opzien tegen het onbekende overheerst.

Troost? Mijn moeder wilde vanaf de diagnose geen seconde meer alleen zijn — hoe hadden we kunnen weigeren? — maar lang niet iedereen heeft troost nodig. De realiteit is dat sommige mensen moeizamer sterven dan anderen. «Je legt gemakkelijker lichte dan zware lasten van je af», zegt Becker en dat betekent vooral dat Van Dantzig en vele anderen het juist hebben gezien: je moet je psychische huiswerk af hebben om het sterven niet onnodig te verzwaren.

De realiteit is deze: er zijn evenveel sterfstijlen als levensstijlen; er zijn zelfs mensen die bitter of op een gewelddadige manier sterven en daar valt zonder een stevige dosis zelfbedrog niets troostrijks in te ontdekken. Hoe verwerpelijk het soms ook lijkt, er valt wel iets te zeggen voor het hedonistische antwoord op de eindigheid. We mogen best eens mild oordelen over het panische zoogdier.