Angst oogsten

‘Onze enige redding was geduld’, zegt op het laatst de jonge vrouw over zichzelf en haar drie vrienden. Ze hebben dan alle tijd gehad om dat geduld te oefenen, maar de geheime politie beschikt over een langere adem en een langere arm. De uitspraak over het geduld had beter in de irrealis kunnen staan.

Als in het begin van het verhaal de vertelster de drie vrienden leert kennen, hebben ze met elkaar gemeen dat ze stiekem buitenlandse boeken lezen, gedichten schrijven, anders willen zijn dan hun ouders en niet goed kunnen opschieten met hun volgzame medestudenten. Zolang ze elkaar hebben, kunnen de pesterijen hun nauwelijks deren. Dat wordt anders wanneer ze na hun studie over het land verstrooid raken, door de staat ergens in de provincie voor jaren aan een baantje gekluisterd. Zo komt de hoofdpersoon als vertaalster te werken in een machinefabriek. Persoonlijke mislukkingen vullen de door de overheid geregisseerde mislukkingen aan. Als ze ontslagen worden, denkt een van hen dat dit het laatste stadium is; hij vergist zich, daarna komt nog de uitreis. De arm van de geheime politie reikt zelfs tot in het buitenland. Een van de vier springt in Frankfurt uit het raam; de ander hangt zich op. ‘Wat wil die man van jullie’, vraagt een vriendin over de kapitein die hun het leven zuur maakt. 'Angst, zei ik.’ Zo eenvoudig als dat klinkt, zo ingewikkeld is het proces van angst zaaien, laten groeien en bloeien, oogsten en uitzaaien. Angst en wantrouwen maken dat geen ding zichzelf blijft: elk woord in een brief is gevaarlijk, elke vriend kan een spion zijn en zo meer.
In haar roman Hartedier, van 1994, dus alweer jaren na de val van Ceausescu, beschrijft de Roemeense schrijfster Herta Müller, die zelf in 1987 naar Berlijn verhuisde, de stadia die individuen doorlopen voordat ze in een systeem van angst, wantrouwen en niet aflatende treiterijen aan het eind van hun Latijn zijn. Je kunt zelfs zeggen dat elke zin in deze roman iets van die angst verraadt, al was het maar doordat de schrijfster, uit zorg misschien om vooral niet verkeerd begrepen te worden, beelden, vergelijkingen en zinnen zo verdraait dat clichés geen kans krijgen. Vaak werkt dat goed, soms irriteert het: 'De adem van de meisjes viel snel de slaap binnen.’ Op de eerste bladzijde staat de zin: 'Met de woorden in onze mond vertrappen we evenveel als met onze voeten in het gras.’ Het is wel duidelijk wat ermee bedoeld is, maar in onze mond wordt natuurlijk niets vertrapt. 'Het gras staat in ons hoofd’, wordt er vervolgens gezegd: 'Als we praten, wordt het gemaaid.’ Als dan later iemand wenst dat 'de liefde weer opkwam, zoals gemaaid gras’, verlangt deze lezer naar een redactioneel snoeimes.
Maar het kan ook anders. Zo had de vertelster als kind twee grootmoeders, een die ’s avonds bad en een die zong: 'De zingende grootmoeder leeft negen jaar langer dan de biddende grootmoeder. En zes jaar langer leeft de zingende grootmoeder dan haar verstand.’ Later zegt ze over haar: 'Haar lippen waren een hese, eenzame fluit, die zonder verstand voor zich uit zong.’ Dat zijn effectieve formuleringen. En ook sommige vergelijkingen werken goed. In de stad droegen de karrepaarden kwasten bij hun ogen. Dezelfde kwasten hingen aan de zwepen, waarmee ze zo hard geslagen werden dat ze bij het zien van de kwasten uit angst gingen draven. Angst laat dieren hardlopen en mensen meelopen.
Er wordt in de roman ook nog een vroeger stadium in het groeiproces van de angst behandeld, verzorgd door de generatie van de ouders. In dit geval is dat een SS-vader die ooit zingend de wereld in marcheerde, 'kerkhoven maakte en de plaatsen snel verliet’, om daarna met zijn wreedheden het kind in angst groot te brengen, daarbij gesecondeerd door de moeder. In één moeite door laat Müller zien hoe het ene regime het andere genereerde - wat bleef was de angst.