Het Beethoven-probleem van Bernard Haitink

Angst voor de eigen meetlat

Deze maand voltooit de bijna 83-jarige Bernard Haitink in het Amsterdamse Concertgebouw zijn live-Beethoven-cyclus met het Chamber Orchestra of Europe. Hij zal er staan als Beethoven-interpreet van formaat, maar voor die eer heeft hij gevochten.

VOOR GROTE dirigenten zijn alle componisten facultatief op één na. Beethoven is voor het vak wat Grieks en Latijn voor het gymnasium zijn, de hoeksteen van een curriculum. De Beethoven-cyclus - op z'n minst in de zaal, in het audiotijdperk ook op plaat of cd - is een beschavingsritueel met de onontkoombaarheid van een elfde gebod. Je moest een witte raaf als Boulez of een godheid als Carlos Kleiber zijn om de symbolische verplichting te ontlopen, en zelfs zij droegen met een handvol opnamen hun stenen bij. Arturo Toscanini, Wilhelm Furtwängler, Bruno Walter, Herbert von Karajan, Otto Klemperer, Karl Böhm, Eugen Jochum, George Szell, Leonard Bernstein, het vergeten dirigeergenie René Leibowitz, Sir Georg Solti, Christoph von Dohnányi, Bernard Haitink, Claudio Abbado, Wolfgang Sawallisch, Nikolaus Harnoncourt, Frans Brüggen, John Eliot Gardiner en recentelijk Riccardo Chailly zetten de standaard door tenminste één Beethoven-cyclus op hun naam te schrijven; Haitink registreerde er drie, Karajan zelfs vier.
Het antwoord op de vraag waaraan de Negen hun ongenaakbare positie danken is niet zonder meer dat het meesterwerken zijn. Haydn en Mozart bewegen zich met groot en nog groter gemak op dit olympische niveau. Het beleefde verschil is dat Beethoven de grondslag legt voor een romantische symfonische traditie die de schepper als profeet het ethische gewicht geeft van zijn scheppingen, waar elke Haydn-symfonie er maar gewoon een van de vele is. Beethovens claim to fame is de uitvinding van de symfonie als moreel appèl en van de componist als positieve held, een Faust die Nee zegt tegen Mefistofeles. De gepatenteerde zelfvergroting monumentaliseerde hem. Mozarts laatste drie symfonieën doen in hooggestemdheid niet voor Beethoven onder, maar hij schreef geen symfonie die Napoleon had zullen eren - als de beoogde held niet zichzelf tot Beethovens frustratie tot keizer had gekroond (Eroica). Mozart noch Haydn laat het noodlot con brio aan de poort kloppen en door Positieve Krachten van de aardbodem wegvagen (Vijfde), in Wagners woorden ‘de apotheose van de dans’ choreograferen (Zevende) of de hele mensheid tot verbroedering manen (Negende).
Helaas voor de cynici is Beethoven écht Grote Kunst. Of hij zijn sterke verhalen zelf in de wereld bracht is niet eens zo belangrijk; het heroïsche is zo'n fundamenteel bestanddeel van zijn taal dat de muziek ook zonder duidingsadditief op eigen kracht haar mythen baart van strijd en overwinning, die van het goede uiteraard. De Negende van Beethoven werd ook de Negende omdat de voorgangers, de Pastorale uitgezonderd, het al een beetje waren. Niets hagiografisch aan die vaststelling, zo staan de zaken, een dreun is een dreun.
Hoe dirigeer je zoiets? Het pact van retoriek en onvervaard idealisme is moeilijk te weerstaan maar hard to get voor wie de maat moet zwaaien. Het humanistische beschavingsideaal van de Ode an die Freude is zo monumentaal als het stuk zelf. Die krachten moet je in je hebben. Het gevaarlijke geheim van Beethovens grandeur is dat hij iedereen in de verleiding brengt zich net zo sterk te voelen. Dat kan met een moraal die zo vermetel appelleert aan een heroïsch eergevoel, een heilig moeten. Dit hoor je aan te voelen, zo hoor je te zijn. Dit gaat over ons, het is een kunst die aan de goede kant staat, muziek van een titaan die zinvol worstelt en komt bovendrijven. Beethoven is Clint Eastwood op een hoger plan, de good guy met de rokende Colt maar zijn Schiller-Taschenbuch in de achterzak.
Anderzijds: dirigenten zijn geen slaven. Niets verplicht hun de tradities te gehoorzamen. Wat als de maestro van dienst geen affiniteit heeft met dit oeuvre, er niet in slaagt zijn betrekkingen met dit belaste erfgoed te plooien tot een werkbare verhouding? Wat als die krachten van nature niet de zijne zijn? Wat als hij zich uit respect voor de traditie of uit geldingsdrang verplicht voelt toch dat ei te leggen? Hij mag zich warm aankleden. Voilà het Beethoven-probleem van Bernard Haitink.

HAITINK NAM de symfonieën drie keer op, met vallen en opstaan. Zijn eerste complete cyclus met het London Philharmonic Orchestra werd in de jaren zeventig lauw ontvangen. Er is inderdaad niet veel aan. De tweede, met het Concertgebouworkest, voldeed als proeve van klinkende architectuur aan redelijke eisen, zolang de eeuwigheidsmaatstaf geen criterium is. Pas de derde, in 2005 en 2006 opgenomen met het London Symphony Orchestra, geeft de toegevoegde waarde die je van een grote dirigent verwacht. En hoe. De respectvolle schatbewaarder van zijn Amsterdamse jaren ontpopt zich tot de dramaturg die met rauwe, nijdige wilskracht eindelijk de barrières overwint die hem als Beethoven-vertolker steeds in zijn bewegingsvrijheid schenen te hinderen; eerbied voor het grote, twijfels over zijn morele bevoegdheden als herschepper die hem als Mahler- en Tsjaikovski-vertolker niet in de weg zaten.
De herboren zeventiger Haitink is een jonge hond naast de middelbare Amsterdamse arrivé die zijn prachtige orkest niet bij de lurven lijkt te durven pakken, hoe hij zich in de Vijfde en Zevende symfonie ook schrap zet om er drama uit te persen, met de kracht van het besluit om stand te houden zonder het aan te laten komen op een strijd van man tot man. Het ontbreekt hem aan de moed die hij wel opbrengt voor de brullende Tsjaikovski van de Pathétique, voor het geweld van de weer- en oeverlozen die in hem hun ideale bondgenoot hebben gevonden; Bruckner, Mahler, Strauss. De onvermurwbare gestrengheid van de Negen blokkeert de ongewenste maar onbedwingbare laatromanticus in hem, die in de geometrische metriek van Beethoven geen haven vindt voor zijn tactiek van vrij-zwevende stuwkracht. De klank van de Negende is prachtig, breed en gedragen, maar het eerste deel bijt niet. In het openingsdeel van de Vijfde zijn tempo en cadans verdacht overtuigend, zo bezwerend exact dat het voelbare spanningsverlies in de expositie zintuiglijk bedrog lijkt, maar het is er wel degelijk; het beest lekt testosteron, gaat grommend door zijn rug.
Aan de Amsterdamse cyclus, saai en toch niet middelmatig, verwondert het raadsel van evidente kwaliteiten die zich niet kunnen oprichten tot de beoogde voorstelling. Haitinks Beethoven is als de denker van Rodin die de kop in de wind zou willen steken en vergeet dat hij het beeld is van de worstelende mens in de verkeerde houding. Die schijnbaar definitieve status-quo maakt zijn late verrijzenis in de Barbican Hall met het London Symphony Orchestra tot een spectaculaire en ontroerende gebeurtenis, een nooit gedachte triomf van de wil. Hoor Haitinks Achtste nou - dik hout, maar met een laserbrander op maat gezaagd, je staat erbij te dansen in de kamer. Hoe vaker je de Londense opnamen hoort, des te indringender stelt zich de vraag hoe de psychologische doorbraak tot stand kon komen. Wat een kracht, wat een hoopvolle levenslust.
In een recent interview met Michel Khalifa noemt Haitink drie factoren die zijn ontwikkeling als Beethoven-vertolker belemmerden: angst, onzekerheid en onwetendheid. Voor de Beethoven-cyclus met het London Symphony Orchestra legde hij zijn complete Beethoven-routine op de snijtafel. Bestudering van een nieuwe, wetenschappelijke Beethoven-uitgave (Norman del Mar, 1997) en beluistering van 'recente opnamen’ brachten hem tot de conclusie dat hij decennia op de verkeerde paarden had gewed: zijn klank was te groot, zijn tempo lag te laag. Alles moest anders. Het omzien in verwondering klinkt als zelfbevrijding. 'Ik ben blij dat ik in mijn recente Beethoven-cycli afstand heb genomen van de imposante, zware klank waar ik me vroeger schuldig aan heb gemaakt. Ik ben te lang op mijn instinct afgegaan. Mijn langzame tempi van vroeger zijn wellicht uit een soort onmacht ontstaan, omdat ik als jonge dirigent een orkest niet mee kon krijgen. De zoektocht heeft bij mij lang geduurd. (…) Ik heb het gevoel dat ik iets goed te maken heb.’
Hoe eerlijk.

WELKE 'recente opnamen’ Haitink raadpleegde zegt hij niet, maar zijn Londense cyclus laat er geen misverstand over bestaan dat hij zich indringend heeft verstaan met de verworvenheden van een authentieke uitvoeringspraktijk die hij als gevoelsmens meende in de wind te kunnen slaan toen hij de Brüggen-achtigen nog als boekhouders beschouwde, gesterkt door Mahlers muzikantencredo dat 'het wezenlijke niet in de noten staat’. De fiere accenten, de opgeruwde klank, het geïntensiveerde spel met dynamiek als structuurversterkend element, die gemeen bonkende pauken, de persistente driftbeweging in de tempi, met die suggestie van versnelling bij gelijkblijvend tempo - dat was er in de KCO-tijd allemaal niet, toen hij binnen de traditionele kaders de kool en de geit spaarde door de uitersten te mijden en met lege handen eervol strandde op zijn middenweg. Haitink heeft gezien dat je dat bijtende kunt afdwingen door terug te bijten. Heeft hij bewust of onbewust gevoeld dat alleen de gedemystificeerde, agressieve, jagende sforzato-Beethoven van de authentieken hem kon genezen van zijn dodelijke eerbied voor De Negen? Vond hij in de voor het eerst benaderbaar geworden krachtmens eindelijk de man aan wie hij zich kon optrekken zonder hem te verlagen? Het kan haast niet anders. De 'Radikale Neudeutung’ van Beethoven waarop Die Welt Haitink betrapte was een herinterpretatie van zichzelf, en van de God die zijn medemens bleek te zijn. Het d-klein van de Negende is deze keer met schuurpapier bewerkt, for the better.
En hij is nog niet klaar. Interessant aan Haitink, paradoxaal genoeg een teken van grootheid, is zijn wisselvalligheid, de angst voor de eigen meetlat die alleen de besten zien. Je hoort het nóg in de Londense fase, waar het peil opnieuw niet constant is. In het eerste deel van de Eroica is het er weer, een rest van tobbend ongemak, zij het gelouterd door de verwondering van de gehaaide partituurlezer die, als een acteur in ruste, met gebalde vuist heroverweegt hoe hij het drama ijs en weder dienende had zullen spelen - en er toch niet uitkomt, omdat hij weer ziet dat er duizend wegen zijn. Daarom zal het tot Haitinks laatste snik tot varianten van herijking komen, zo hij de tijd van leven heeft. Van de Beethoven-reus Karajan wist je dat hij uit obsessie, commerciële overwegingen, ijdelheid of technocratisch perfectionisme op de herhaalknop drukte; de autocorrectie was zelfbewustzijn. Bij Haitink was het nederigheid, zelfverbetering, een sisyfusarbeid, een pijnlijke leerschool die hem nooit helemaal bracht waar hij had willen zijn. Maar wat is hij sinds zijn gemiste eerste kans in bijna veertig jaar verbluffend ver gekomen.
Of hij nu wel of niet ten einde is, zijn pelgrimstocht is lang maar niet vergeefs geweest. Die concerten met het Chamber Orchestra of Europe zouden wel eens heel verrassend kunnen worden.


Vanaf 21 februari staat Bernard Haitink in het Concertgebouw. Data: www.concertgebouw.nl. Voor de opgenomen sessies: Beethoven, Symfonieën 1-9/ Tripelconcert/ Leonore-ouverture nr 2. London Symphony Orchestra o.l.v. Bernard Haitink. LSO Live LS00598 (6 cd’s)