Hoofdcommentaar

Angst voor de stem van het volk

De Spanjaarden gaan zondag als eerste naar de stembus, veel andere Europese landen zullen volgen en in het voorjaar mogen ook de Nederlanders in het stemhokje ja of nee zeggen tegen de Europese grondwet. Daarom zou het hier eigenlijk moeten gaan over de inhoud van die grondwet. Over de mooie, stichtelijke woorden over Europa in de preambule van de wet, over de grondrechten zoals het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst of over het gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid van de lid staten en hoe er beslist gaat worden met gekwalificeerde meerderheden dan wel blokkerende minderheden.

Eigenlijk zouden hier dan ook de argumenten van de nee-zeggers aan bod moeten komen. Hun kritiek is dat in het Europa van deze grondwet concurrentie hoger wordt aangeslagen dan solidariteit, dat de grondwet niet filosofisch neutraal is zoals wordt beweerd maar de christelijke godsdiensten bevoordeelt, dat dit Europa zich extra gaat bewapenen en aan de leiband van de Verenigde Staten blijft lopen, en dat deze grondwet alleen bij unanimiteit te wijzigen is, wat in hun ogen betekent dat dit nooit meer zal lukken.

Maar daar gaat de discussie in Nederland nog niet over. Hier kijken de politieke partijen eerst nog naar elkaar met de vraag: wat gaan we met de uitslag doen? Bij een nieuwigheid als een landelijk, raadplegend referendum is dat op zich niet verwonderlijk. Een overbodige luxe is het waarschijnlijk ook niet, want niet alle potentiële stemmers zullen weten wat een raadplegend referendum is.

Formeel wordt met het referendum over de Europese grondwet beoogd de parlemen ta riërs te informeren over de mening van de kiezers over die grondwet. Het lijkt misschien overbodig, maar voor de duidelijkheid toch maar dit: in de wet die het raadplegend referendum mogelijk maakt, staat dus nergens dat het onderwerp, in dit geval de grondwet, is aangenomen dan wel verworpen als een meerderheid van de kiezers ja dan wel nee zegt.

Politieke partijen kunnen zodoende zelf beslissen hoe zwaar ze de stem van het volk laten wegen. Afgelopen zaterdag vond CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen het tijd om duidelijk te maken hoe zijn fractie met die stem zal omgaan: bij een opkomst van dertig procent of meer en een meerderheid van tenminste zestig procent voor of tegen zal het CDA de uitslag overnemen.

Het CDA, de grootste regeringspartij, is eigenlijk principieel tegen het raadplegend referendum, maar heeft het onderspit moeten delven in de Eerste en Tweede Kamer. Je zou kunnen zeggen dat het getuigt van respect voor de democratie dat de christen-democraten dit verlies nemen en niet botweg zeggen: met de uitslag van het referendum hoeven we formeel niks, dus negeren we hem ook. De fervente voorstanders van het referendum noemden de opstelling van Verhagen daarom «sportief».

Maar er zitten wel een paar addertjes onder het gras. Eén daarvan is het opkomstcijfer. Dertig procent lijkt weinig en dus makkelijk haalbaar, maar zes jaar geleden was de opkomst bij de Europese verkiezingen zelfs geen dertig procent. Vorig jaar schoot dat opkomstcijfer weliswaar omhoog naar 39,1 procent, maar dat heette toen uitzonderlijk hoog.

Het CDA is overigens niet de enige partij die zich vastlegt op een opkomstpercentage. De PvdA, de grootste oppositiepartij, worstelt met hetzelfde vraagstuk: moet je naar de stem van het volk luisteren als die stem maar heel zachtjes heeft geklonken? De meningen bij de PvdA zijn daar intern nog over verdeeld, de fractie beslist hier binnenkort over.

Maar het opmerkelijkst aan de eisen van het CDA is die meerderheid van zestig procent. Stel nu dat de komende campagne voor het referendum over de grondwet kiezers in onverwacht groten getale naar de stembus lokt, pakweg 55 procent. En dat van die kiezers een kleine meerderheid nee zegt tegen de grondwet. Wat dan? Hoe gaat Verhagen dan uitleggen dat weliswaar de opkomst groot was, een meerderheid van het volk tegen, maar dat zijn fractie toch voor de grondwet blijft? Zal dan nog gezegd worden dat het CDA sportief is en respect heeft voor de democratie?

Ook de VVD is bang voor de stem van het volk. De liberalen stemden, in tegenstelling tot coalitiepartner CDA, weliswaar uiteindelijk voor het raadplegend referendum, maar houden zich het recht voor de uitslag niet doorslaggevend te laten zijn. Dat is geheel in de geest van de wet, daar valt geen speld tussen te krijgen. Maar dit handen-vrij-houden is ingegeven door angst. Dat blijkt uit uitlatingen van VVD-kamerlid Hans van Baalen. Die denkt aan een éénlettergrepig nee in het stemhokje te kunnen aflezen of er weerzin tegen de euro of het kabinet in meespeelde. En naar zo’n nee luistert hij niet.

De opstelling van beide regeringspartijen getuigt van weinig vertrouwen in het oordeelsvermogen van de kiezer. En van weinig vertrouwen in het eigen vermogen om in een goede campagne uit te leggen waarom zij zelf voorstander zijn van een Europese grondwet. Mensen vragen naar de stembus te komen, maar vervolgens niet naar ze luisteren omdat je hun motieven wantrouwt of een gewone meerderheid niet voldoende vindt, zal het geloof in de politiek geen goed doen.