Holland Festival: De Patriarchvijver en zwarte magie

Angst voor het duister

De onbekommerdheid waarmee Simon McBurney De meester en Margarita van Michail Boelgakov ten tonele brengt, is verbluffend. En de bezemsteel? Ach, dan maar geen bezemsteel.

Een heldin die naakt op een bezemsteel over Moskou vliegt, een zwarte kat die verzot is op wodka, een geile buurman die in een barg verandert en bereden door een kamermeisje naar de hel vliegt, de heldin achterna, een conferencier bij wie diezelfde zwarte kat het hoofd afrukt en weer terugzet, grand gala ten huize van satan oftewel de Walpurgisnacht, de kruisiging, Pontius Pilatus die tweeduizend jaar op verlossing zit te wachten… en ga zo maar door. Kan dat allemaal op het toneel? Onmogelijk, luidt het unanieme oordeel. Maar toch, is De meester en Margarita, de laatste, grootse roman van Michail Boelgakov (1891-1940), daadwerkelijk zo unstageable?

Small meester en margarita

Ja en nee. Aan de ene kant de krankzinnige hoeveelheid ‘materie’, duizelingwekkende metamorfosen, verplaatsingen, plotwendingen, de raam-in-raam-in-raamvertelling met komische, groteske, tragische en filosofische verhaallijnen die samen één oerverhaal vertellen van goed en kwaad, lafheid en moed, verraad en vergiffenis. Aan de andere kant volop actie, kernachtige, geestige dialogen, carnavaleske scènes die soepel in elkaar overvloeien, hartstochtelijke karakters uit één stuk die qua ‘theatraalheid’ niet onderdoen voor die van Shakespeare en tevens ideeën uitbeelden, en tal van karikaturale personages die zo uit het theater buffo lijken gestapt.

Boelgakov was tenslotte ook toneelschrijver. Zijn eerste grote roman De witte garde uit 1924 heeft hij in 1926 tot een toneelstuk bewerkt, evenals De dagen der Toerbins, omdat men weigerde die in de romanvorm uit te geven. Volgens de overleveringen werd het een favoriet toneelstuk van Stalin. Maar het succes van Boelgakov was van korte duur. Van de vele toneelstukken die volgden, werden de meeste al voor de première van het repertoire gehaald en De meester en Margarita, waar Boelgakov met tussen­pozen tussen 1928 en 1940 aan heeft gewerkt, is nooit bij zijn leven gepubliceerd. Je hoeft maar een willekeurige bladzijde open te slaan om te begrijpen waarom.

Meermalen dacht ik bij het lezen van De meester en Margarita dat het conflict tussen de schrijver en het totalitaire systeem, hoe politiek dat ook op het eerste gezicht leek, in wezen dat was van het genie en de middelmatigheid die het genie hoe dan ook monddood wil maken, om zonder steeds aan zijn eigen onbenulligheid herinnerd te worden verder te kunnen floreren. En floreren dat deden ze, de sovjetschrijvers, die ijverige leden van Massolit, de scheppers van de literatuur voor de massa, met dat ene, hogere doel voor ogen: een datsja in het schrijversdorp Perelygino. En natuurlijk ook met dat andere, nog hogere doel: een datsja met een eetkamer met eiken lambrisering. Geen corrupter, hoeriger woord dan ‘schrijver’ laat staan ‘poëet’ in deze roman. Niet voor niets weigert de geliefde van Margarita, die buiten alle schrijversorganisaties om een roman over Pontius Pilatus heeft geschreven zich een schrijver te noemen. Hij is de meester.

De roman verscheen in Rusland in een tijdschrift in 1966 en 1967 in sterk gecensureerde vorm. Enige jaren later werd een emigrantenuitgave van de volledige tekst gepubliceerd. Pas tijdens de perestrojka mochten de Russen de ongeschonden versie van De meester en Margarita lezen. Sindsdien kan slechts Jevgeni Onegin van Poesjkin, het boek der boeken van alle Russen, de populariteit evenaren van Boelgakovs roman. Niemand kan een antwoord geven op de vraag waarom een boek een meesterwerk is. De laaiende kritieken noch de hoge verkoop­cijfers noch de literatuurwetenschap die ons uitlegt welke lagen, onderstromen, associaties, alliteraties en andere technieken een schrijver in zijn werk codeert om het nog briljanter maken. Het blijven omtrekkende bewegingen.

Het heeft te maken, denk ik, met een onbekommerdheid waarmee het volgens mij is geschapen. Misschien is die wel de verre echo van het principe disegno, de uitvinding van Giorgio Vasari, weliswaar voor de beeldende kunsten, maar wat maakt het uit? Disegno: een soort zinnebeeld van een diepere waarheid of een zekere voorstelling, concept zo u wilt, in de geest van een kunstenaar die vervolgens zo natuurlijk mogelijk zichtbaar wordt gemaakt in het materiaal.

In het theaterstuk van Simon McBurney was ik benieuwd hoe hij Boelgakovs disegno zou oppikken. Ik heb de bezemsteel gemist, maar slechts even. Tegen de tijd dat Margarita, ingesmeerd met duivelse zalf, poedelnaakt in de lucht opsteeg was ik al zo door de voorstelling gegrepen dat ik dat gemis voor lief nam. Ach, dan maar geen bezemsteel.

Maar eerst mezelf streng toespreken. De kunst komt immers van twee kanten, net als de liefde. Simon McBurney is een Engelsman, dus weg met dat idée fixe van alle Russen dat Russische kunst en zeker die over het grote Russische lijden in de twintigste eeuw alleen door Russen geënsceneerd, verfilmd, gedanst, gespeeld, gezongen kan worden.

Op toneel stoelen, tafel, bed, mobiele muur met een deur erin, glazen hok, tafellamp met fel licht. Je verschuift ze even en de vertrouwde, archetypische ruimtes van de sovjetcivilisatie wisselen elkaar in een mum van tijd af. Kabinet 1, kabinet 2, kabinet 3, een kamer in een psychiatrische inrichting, vergaderzaaltje, verhoorkamer. Het glazen hok met een op pasjes beluste conciërge. Geen document – geen mens. Datzelfde glazen hok, nu als een kraampje met een gepikeerde verkoopster die op die bewuste broeihete dag in het park rond de Patriarch­vijver, waarop de voorzitter van Massolit professor Berlioz zijn zeer belezen en zeer atheïstische hoofd onder de tram zou verliezen, slechts lauw, naar een kapperszaak riekend abrikozensap heeft. Datzelfde glazen hok, nu als een tram waaronder straks dat hoofd van Berlioz uit zal rollen. De duivel heeft zich inmiddels aangemeld. Datzelfde glazen hok, nu als een kassa met een rij, deze keer voor een voorstelling van professor Woland over zwarte magie.

En dan die telefoon. Altijd paraat. Om de politie te bellen, de geheime politie, om je secretaresse af te blaffen, je ondergeschikte, klanten en zomaar iedereen. Maar ook om een boodschap van de duivel te krijgen. Op de achtergrond, tot aan het plafond, een projectiescherm met erop een flatgebouw, ramen, ramen en filmbeelden die elkaar in hetzelfde razendsnelle tempo opvolgen als de plotwendingen. Pang, de Patriarchvijver, het rondspattende bloed, pang, de brullende bloeddorstige massa op het plein, pang, de kruisiging, pang, de vliegende Margarita, pang, Margarita en de meester die naar hun laatste toevluchtsoord galopperen, pang, Moskou en de wereld die uiteenvallen, pang, de sterren, de eeuwigheid, de rust. Het scherm als de vijfde dimensie, diezelfde waarmee de duivel het appartement van wijlen Berlioz omtovert tot zijn paleis voor het grand gala.

De onbekommerdheid waarmee ­McBurney zijn disegno ten tonele brengt is net als bij Boelgakov verbluffend. Het is een feest om naar te kijken. Ook met de tekst hetzelfde elegante gemak. Om het verhaal te laten stromen vloeit de directe rede over in de stem van de auteur, door diezelfde acteur gesproken. Soms lijkt het een ballet van Pina Bausch met dat repetitieve, dwangmatige en op den duur totaal nietszeggende. Zoals wanneer dokter Stravinski de ontredderde dichter Bezdomny inhamert dat alles wat hij gezien heeft slechts de productie van zijn hersens is. Je bent je brein, je bent je brein, je bent je brein, hoor je de beroemde psychiater denken onder het eindeloos verrichten van diezelfde, mechanische handeling.

Minder geslaagd vond ik sommige inhoudelijke ingrepen. Neem de expliciete verwijzingen naar de Grote Terreur in het verhaal van Pontius Pilatus. Zijn ze bedoeld om het publiek de Russische geschiedenis bij te brengen? De parallellen zijn uiteraard evident, maar de kunst is natuurlijk om een politiek stuk te maken zonder ook maar een woord of beeld aan politiek vuil te maken. Zoals de meester dat doet, met zijn boek over Pontius Pilatus. Maar terwijl iedereen hem voor gek verklaart geeft hij als enige antwoord op een tijd waarin verraad even natuurlijk wordt als ademhalen.

Ik was ook niet zo ingenomen met de figuur van Jesoea/Jezus. Bevend van angst, naakt, om nog ’s zijn nederigheid te onderstrepen tegenover de macht. Maar bij Boelgakov is Jesoea helemaal niet nederig, en zeker niet naakt en bevend van angst. Hij is de gelijke van Pilatus en dat weet deze direct.

De bedachte parallel tussen Jehoeda en de buurman van de meester die een oogje had op zijn huis en hem daarom heeft aangegeven is vooral simplistisch. Te veel eer voor deze miezerige gladjanus. In de roman is Jehoeda de kleine man, het slachtoffer van de machtstrijd tussen de procurator en de hogepriester. Hij weet niet wat hij doet, en als hij het niet doet vinden ze wel een andere. Door Jehoeda te vergeven legt Boelgakov alle schuld op Pilatus die in staat was om Jezus te redden maar dat niet deed, uit lafheid.

Dit gemis aan ambivalentie wordt gecompenseerd door de ambivalente vorm. Wat een geniale vondst om de duivel door twee acteurs te laten spelen. Door die van Jesoea en die van de meester. Er was dus helemaal geen duivel, of toch wel?

De finale waarin Margarita en de meester eindelijk rust vinden is grandioos en nog eens in de beste tradities van de Engelse metafysica die, prachtig verwoord door Dylan Thomas, naadloos aansluit bij deze wonderlijke Russische roman.

And death shall have no dominion.

Dead men naked they shall be one

With the man in the wind and the west moon;

When their bones are picked clean and the

clean bones gone,

They shall have the stars at elbow and foot;

Though they go mad they shall be sane,

Though they sink through the sea they shall

rise again;

Though lovers be lost love shall not;

And death shall have no dominion.

De meester en Margarita is een ode aan non-conformisme, moed en vooral compassie. Dat laatste heeft volgens Simon McBurney een grote urgentie in onze tijd. Maar kun je compassie los zien van het wereldbeeld dat vorm en inhoud geeft aan onze levens? In de Sovjet-Unie was geen plaats voor dit als achterhaald beschouwde begrip. Iedereen was immers ‘de smid van zijn eigen geluk’. Wie niet meedeed aan de zaligmakende klassenstrijd moest maar creperen op de mestvaalt van de geschiedenis. Hetzelfde geldt voor de tijd waarin we nu leven. We worden gereduceerd tot louter rationele wezens die worden geacht op die ondraaglijk platte economische arena hun belangen te bevechten. Wie omvalt, heeft niet zijn best gedaan en hoeft dus niet op medelijden te rekenen.

De beide systemen worden gekenmerkt door angst voor schaduwen en het duister. ‘Schaduwen ontstaan immers door de dingen en de mensen’, zegt Woland tegen Mattheus Levi, de grimmige volgeling van Jezus. ‘Je wil toch niet de hele aardbol kaalplukken en alle bomen en wat leeft wegvagen om wille van je gril het naakte licht te kunnen genieten?’ En dat is precies wat die fundamentalistische systemen willen. Het naakte licht. Misschien moeten duivel en god weer terugkeren in onze levens. En met hen de compassie.


The Master and Margarita is te zien op 21, 22 en 23 juni in de Stadsschouwburg in Amsterdam