Angstbijters en andere monsters

ONPERSOONLIJKHEID, de nieuwe roman van Russel Artus, is een ongekend beklemmend boek. Zo vreemd en goed, dat je je afvraagt wie de schrijver is. Wie bedenkt zoiets, een sekteleider die zijn volgelingen erin traint te doen wat ze niet willen en te laten wat ze willen, opdat langzaam maar zeker de zucht tot zelfbehoud verdwijnt en men rijp wordt voor zelfmoord? Welke man is in staat zo'n nauwgezet en geloofwaardig inkijkje te bieden in het domein van pubermeisjes? Wie tovert zoveel gradaties van sadisme en perversie tevoorschijn? Zijn het zielepoten of monsters, Joris die twee meisjes tot zelfmoord drijft, Evelien die haar ouders gek maakt, sekteleider Gerard voor wie het laten aanzetten tot zelfmoord een opwindend spel is? Of zijn die twee onschuldige slachtoffers eigenlijk erger, Maud en Lidewijde, die zo hun eigen geheimpjes met zich meedragen? Of is het de genius achter dit alles die de kroon spant?

Ik ben op alles voorbereid, maar niet op de oase van orde en reinheid die me bij de schrijver thuis wacht. Bloemen op tafel, koekjes bij de koffie. Gelukkig is er toch nog een stoorzender aanwezig. In de tuin, achter de glazen schuifpui, staat een Rottweiler verlangend naar binnen te kijken. Brede kop, tong uit de bek. In de huiskamer hangen en staan foto’s, overal die ingelijste bruinzwarte glanzende vacht, trouwe(?) oogopslag, roze tong. ‘Als je het niet erg vindt, laat ik d'r binnen’, zegt Russell Artus die eigenlijk anders heet maar hier toch het liefst bij zijn schrijversnaam genoemd wordt, 'anders gaat ze janken. Je moet d'r alleen niet aaien.’
Over de personages die in Onpersoonlijkheid optreden, kun je nadenken als waren het echte mensen, maar je zou er het boek mee tekortdoen. Mij trof vooral de koele constructie van het geheel en de apodictische sfeer: het einde der tijden is nabij. Hetzelfde verhaal wordt twee keer verteld, één keer vanuit pubermeisje Evelien, dat wil weten waarom haar zusje Lidewijde zelfmoord heeft gepleegd, en één keer vanuit Joris, die Lidewijde tot die daad heeft aangezet. Het boek is in een hippe, ruige cadans geschreven, met veel muziekcitaten van Radiohead en… George Michael.
'HET NUMMER Careless whisper van George Michael werd gedraaid op de begrafenis van het meisje dat aan de wieg stond van dit boek’, vertelt Artus. 'Ik kende haar niet persoonlijk, maar wat ik hoorde over de achtergrond van haar dood intrigeerde mij. Zij had verkering met een jongen en ze waren ervan overtuigd dat er voor hen geen toekomst was. Ze zouden samen zelfmoord plegen, alleen de jongen deed het niet. Terwijl het zijn idee was. Hoe is zo'n jongen erin geslaagd zo'n meisje zelfmoord te laten plegen? Dat wilde ik weten. En ik wilde zien wat zo'n gegeven met mezelf doet, wat het me oplevert.’
De sekte is volgens Artus puur een kwestie van verbeelding. 'Ik vond de Joris die ik had bedacht niet sterk genoeg om iemand op eigen houtje zover te krijgen dat ze zelfmoord zou plegen. Hij is een mietje, een slappeling, het lachertje van de klas. Toen kwam ik op het idee om hem lid van een sekte te maken.’
De scènes waarin sekteleider Gerard zijn volgelingen ertoe aanzet precies datgene te doen waar ze een afschuw van hebben, zoals elkaar aanraken en erger, zijn behoorlijk expliciet. Joris wordt door de anderen vernederd, omdat hij een zusjesneuker is. Zus Maud is de bron van alle ellende. Ze raakte zwanger van hem en wilde geen abortus plegen. Joris bracht nog net niet eigenhandig de breinaalden bij haar naar binnen, maar verder liet hij weinig na om die abortus dan maar gewelddadig op te wekken. Maud liet zich vervolgens welgemikt in een slagersmes vallen, waarna Joris nog maar één verlangen heeft: ook dood te zijn. Gerard draagt hem op, als onderdeel van de strategie de staat van onpersoonlijkheid te bereiken, een soortgelijk slachtoffer als zijn zus te zoeken, en die tot zelfmoord aan te zetten. In de zestienjarige Lidewijde vindt Joris het perfecte object: lief en tot in het oneindige bereid offers te brengen voor andermans geluk. 'Omdat jij het niet deed, heb ik het gedaan’, schrijft ze in de afscheidsbrief voordat ze van het dak springt.
LIET ARTUS’ debuutroman Zonder wijzers (1995) nog enige hoop op verbroedering, Onpersoonlijkheid is inktzwart. 'Wat ik heb willen laten zien is dat de sneltrein richting zinsgenot en zinsbevrediging aan het ontsporen is. De hedendaagse jeugd (“Hoe oud ben je?” “Dertig”) is niet gewend tegenslag te hebben. Jongeren zijn opgegroeid in welvaart en hebben op te jonge leeftijd al te veel gezien en meegemaakt. Ze zijn cool, stoer, opgewekt. Angsten, worstelingen en verdriet zijn zaken waarmee ze niet om kunnen gaan. Ik had Onpersoonlijkheid al af toen je in Amerika dat incident had met de trenchcoatmaffia. Het verhaal daarachter had zo in mijn boek gepast. Jongens op de middelbare school die altijd buiten de groep zijn gevallen, een ontzettende frustratie opbouwen en wandelende tijdbommen worden. Ze sleuren anderen mee in hun ondergang. Het najagen van zinsgenot houdt niet op bij het tarten van de dood, maar gaat daar zelfs aan voorbij. Sekteleider Gerard heeft de dood van een ander nodig om genot te ervaren.’
'Net als Evelien in het boek heb ik lang geworsteld met het routinematige van het leven’, zegt Artus. 'Ik zat een tijdje in zo'n wereldje waarin gezocht werd naar steeds nieuwe dingen. Maar dan blijkt dat je steeds meer moeite moet doen om dezelfde mate van bevrediging te ervaren. Het moet steeds heftiger, wilder, sneller, gevaarlijker.’
Opvallend is de meedogenloze wijze waarop in Onpersoonlijkheid de verstandhouding tussen ouders en kinderen wordt beschreven. Ouders hebben geen idee wat er zich in die tienerkamertjes afspeelt. Vóór in het boek bedankt Artus onder andere zijn moeder 'voor de brief aan mijn vader’. 'Ik dacht altijd over mijn ouders: ik ken hun wel, maar zij kennen mij niet. Toen vond ik een keer een brief van mijn moeder aan mijn vader, waaruit bleek dat zij ook moeite moest doen de machine draaiende te houden. Dat vond ik zo frappant. Ik bleek mijn ouders helemaal niet te kennen. Inmiddels heb ik de illusie niet meer iemand te kennen. Bij sommige mensen ben ik heel andersdan bij andere. Iedereen ziet altijd maar een stukje van je. Van allerlei situaties weet je helemaal niet hoe je daarin zult reageren. Ik ken mezelf goed voorzover mijn levenservaring de ruimte biedt mezelf te kennen. Een van de redenen voor mij om te schrijven is om tot nieuwe inzichten te komen.’
Zoë, de Rottweiler, kan haar nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en komt op me af. Artus legt uit waarom ik haar beter niet kan aaien. Voor honden is de hand van een mens gelijk aan de bek van een andere hond. 'Als jij haar over de kop aait, ervaart zij dat als een signaal van dominantie.’ Van alle honden die hij heeft gehad, heeft Zoë het 'rotste’ karakter. 'Ze is heel onzeker, eigenlijk nogal een watje, en haar bijtdrempel is heel laag. Je hebt honden die bijten vanuit een dominante houding. Angstbijters zijn veel gevaarlijker.’ Hij is met de hond op cursus geweest, maar de commando’s blijken snel vergeten. 'Af nu!’