Angsthazen

De scène speelde zich afgelopen maandag af in het hoofdkwartier van de Verenigde Naties, de Unamet, in Dili, de hoofdstad van Oost-Timor.

Het gebouw wordt door pro-Indonesische milities met medewerking van het Indonesische leger onder vuur gehouden. Binnen heerst de chaos. Het gebouw en het terrein van de VN-missie worden door 1500 Oost-Timorese vluchtelingen bevolkt. Verder zijn er nog aanwezig de laatste VN-medewerkers en een handjevol buitenlandse journalisten. In zijn kantoor zit David Wimhurst, de woordvoerder van Unamet. Terwijl buiten schoten worden gelost, gaat de telefoon van de VN-medewerker voortdurend. Het zijn de buitenlandse kranten, radio- en tv-stations die smeken om een interview met de woordvoerder. Maar vreemd genoeg weigert David Wimhurst systematisch om op het voorstel van de journalisten in te gaan. En niet op een zachtzinnige manier. Hij blaft en kwakt de telefoon neer. Dan wijst Wimhurst met een grimas van verachting in een snel handgebaar naar zijn bureau. Daar liggen honderden visitekaartjes van journalisten. Het gaat om verslaggevers die zich drie dagen geleden nog op het eiland bevonden. Toen de aanvallen van de milities begonnen zijn ze met de noorderzon vertrokken, ondanks de smeekbeden van de woordvoerder van Unamet om Oost-Timor vooral niet te verlaten.
Dit tafereel werd dinsdagochtend in het Franse dagblad Libération door Romain Franklin gerapporteerd, een van de persvertegenwoordigers die wel is gebleven.
Op het moment dat ik dit schrijf zijn er ook nog twee Nederlandse journalisten in Dili die hebben geweigerd naar het thuisfront terug te keren: Minka Nijhuis en Irene de Slegt.
De reactie van David Wimhurst is begrijpelijk. Voor totalitaire regimes of machtsbeluste militairen die hun daden het liefst zonder pottenkijkers uitvoeren is de aanwezigheid van journalisten een remmende factor. Een massale persvertegenwoordiging op Oost-Timor had de snelheid en de omvang van de repressailles tegen de burgerbevolking mogelijk dwarsgezeten. Dat zag je ook in Kosovo: pas toen de laatste buitenlandse journalisten door de Serviërs over de grens waren gezet werden de massaslachtingen uitgevoerd. Daarom werden op Oost-Timor verslaggevers voortdurend geïntimideerd: in de hoop dat ze uit eigen beweging het eiland zouden verlaten. Toch is er naar mijn weten niemand van de internationale pers op Oost-Timor vermoord of ontvoerd.
En toch zijn al die visitekaartjes op het bureau van David Wimhurst de herinnering aan de weinig glorieuze vlucht van hun eigenaren. Ik vind dit onbegrijpelijk.
Natuurlijk heb ik niet de pretentie - ik die veilig achter mijn computerscherm deze woorden intik - om anderen te dwingen hun leven op een ver eiland te gaan riskeren. Maar het lijkt me dat die honderden journalisten die als bevende hazen bij de eerste schoten zijn vertrokken het verkeerde beroep hebben gekozen.
Er is een tijd geweest waarin het precies andersom was: als ergens in de wereld explosies van revoluties, coups of burgeroorlogen weerklonken kwamen onmiddellijk journalisten aangerend. Het waren ouderwetse waaghalzen, ‘diehards’ met een fototoestel om de nek of doodgewone mannen en vrouwen met een grote liefde voor het vak. Er moet in de loop der jaren in de wereld van het journaille iets wezenlijk veranderd zijn. Men doet tegenwoordig liever zijn reportages en onderzoekjes via de elektronische snelweg waar het universum van de virtualiteit veel veiliger is dan de realiteit van buiten met haar regen van kogels. Tijdens een jacht op Maxima wordt er tenminste nooit geschoten.
Ik gun natuurlijk iedereen zijn recht op een zoet pensioen, maar kies dan wel een ander beroep. Het is toch ongelooflijk dat al die journalisten met dure creditcards van de baas in hun zak en een maag vol whisky richting vliegveld hollen zodra hun werk daadwerkelijk begint. Alsof de zanger of de cabaretier met buikpijn de coulissen weer induikt op het moment dat in de zaal de gordijnen opengaan.
Dat het anders kan bewijzen de laatste overgebleven journalisten op Oost-Timor. Vóór hen deed Volkskrant-verslaggever Michel Maas hetzelfde in Kosovo. Die mannen en vrouwen behoren kennelijk tot een uitstervend soort en zijn voor ons van onschatbare waarde.