Angstige onwetendheid

Raymond van den Boogaard blogt op ongezette tijden over de boeken die hij zoal leest. Deze week: een Franse studie naar de geschiedenis van onze onwetendheid.

Caspar Wolf (1735-1785), Unterer Grindelwaldgletscher (1774)

De corona-pandemie heeft de mens pijnlijk doen beseffen hoe weinig we nog eigenlijk weten over onze leefomgeving. Zeker, er zijn specialisten geweest die jarenlang voorspelden dat een de mensheid bedreigende epidemie ieder moment de kop kon opsteken. Maar de meesten van ons, denk ik, zijn er toch vanuit gegaan dat zoiets als een pandemie iets was uit een andere tijd – een tijd van vóór de moderne medische wetenschap. En als er al zoiets als corona de kop zou opsteken, dan was een vaccin vast nabij. Dat de mensheid, of een deel daarvan, zonder duidelijke aanleiding uitgeroeid zou kunnen worden door een virus, is een zeer onmodern idee.

Zoeken naar een goede reden voor de pandemie is moeilijk, want die is er niet. Hoogstens laten zich de omstandigheden beschrijven die de snelle verspreiding van de besmetting kunnen verklaren, zoals de grote mobiliteit van zakenlieden en toeristen door middel van goedkoop vliegverkeer. Maar omdat de mens nu eenmaal de mens is, lees je vaak ook quasi verklaringen voor de ramp van een meer filosofisch karakter. Vooral degenen die in de pandemie een goede aanleiding zien om te waarschuwen voor de catastrofen die ons te wachten staan als we niets doen tegen klimaatverandering, zien hun kans schoon.

Behalve zeer gerechtvaardigde zakelijke en wetenschappelijke argumenten, speelt daarbij ook vaak een zeker moralisme een rol: ‘corona’ laat ons zien wat er gebeurt als we lichtvaardig omspringen met ‘de natuur’, of ook ‘de aarde’. De gedachte dat er zoiets bestaat als een ‘natuurlijke orde’ waartegen de mens zich niet straffeloos verzet, maakt kennelijk ook deel uit van onze moderniteit. Daar is natuurlijk niets op tegen – ik ben ook bereid om ieder idee te ondersteunen dat bijdraagt tot een waardiger leven van nertsen en varkentjes in de dierenindustrie.

Maar het kan misschien geen kwaad erop te wijzen dat ideeën over een ‘natuurlijke orde’, of zelfs de gedachte dat de natuur van zichzelf een min of meer stabiele, beschrijfbare toestand is, in onze cultuur van betrekkelijk recente datum zijn. De Franse historicus Alain Corbin herinnert er in zijn nieuwe studie, Terra incognita, aan dat tot ergens in de zeventiende eeuw rampen, zoals een epidemie of een aardbeving of andere natuurramp, meestal op conto van de ‘wrake gods’ werden geschreven. De gedachte dat god ingrijpt om de zondige mens te straffen met ziekte of ondergang, maakt in die eeuw langzamerhand plaats voor de gedachte dat god niet zozeer van dag tot dag ingrijpt, maar dat hij een soort orde heeft geschapen, die je de natuur zou kunnen noemen. Om de mens te straffen heeft god ook een of meerdere keren besloten opnieuw te beginnen: de zondvloed kun je zien als een ‘reset’ van de natuur.

Gravure bij het werk van Jules Verne door Édouard Riou (1833-1900)

Deze omslag in het denken, en de gedachte dat er zoiets als een natuurlijke orde bestaat, heeft natuurlijk nog maar weinig gemeen met ons, rond 1900 ontstane, verwetenschappelijkte wereldbeeld. Maar hij is wel een soort bestaansvoorwaarde voor de latere wetenschap. Want wie orde veronderstelt, denkt ook aan beschrijving en verklaring van die orde. Daaraan is Corbins jongste studie gewijd. Terra incognita gaat over wat er zo tussen 1750 en 1900 is verondersteld en onderzocht over de aarde. Over wat het denkend deel der mensheid in die anderhalve eeuw te weten is gekomen over de raadselen der natuur moet men zich geen al te grote voorstellingen maken. De ondertitel van Terra incognita is dan ook Une histoire de l’ignorance, een geschiedenis van de onwetendheid.

Corbin staat sinds jaar en dag bekend als de historicus van de ongewone onderwerpen: bomen, de stilte, geuren en de zee, om wat voorbeelden te noemen. Het is voor de mens moeilijk om zich te verplaatsen in wat eerdere generaties allemaal niet wisten over de wereld, en dat maakt de onwetendheid tot een goed onderwerp. Want juist die onwetendheid, of de waandenkbeelden die er het gevolg van waren, kunnen bepalend zijn geweest voor het wereldbeeld van onze voorvaderen. Hun mentaliteit laat zich moeilijk doorgronden zonder dat je weet wat ze niet, of volkomen verkeerd wisten.

Gravure bij het werk van Jules Verne door Édouard Riou (1833-1900)

Hoe groot de afstand is, laat zich illustreren aan de hand van de romans van de succesauteur Jules Verne, die in heel de wereld werden gelezen, niet alleen om hun avontuurlijk gehalte, maar ook wel als een venster op de wonderen der natuur. Verne (1828-1905) was ook terdege op de hoogte van de nieuwste stand van kennis van de planeet. En zo komt het dus dat in de roman Les aventures du capitaine Hatteras uit 1866, die over een expeditie naar de Noordpool gaat, de opgetogen ontdekkingsreizigers terecht komen bij de arctische zee op de Noordpool, waarvan het bestaan lang werd aangenomen, totdat pas na 1900 iemand de Noordpool zou bereiken. Het bestaan van die zee was des te geloofwaardiger, daar iedereen wist dat op de Noordpool hogere temporaturen heersten dan op de omringende ijszeeën, en zeewater zoals bekend niet kan bevriezen. De arctische zee was, zoals hier te zien op een illustratie bij de roman van Verne, een paradijs voor vissen en vogels.

Een ander voorbeeld van onwetendheid bij Jules Verne is de, overigens veel meer speculatieve, roman Voyage au centre de la terre uit 1864, over een expeditie naar het centrum van de aarde. Dat de kern van de aarde een gloeiende massa is, staat dan nog lang niet vast, al heeft de opvatting dat de aardkorst het resultaat is van langdurige afkoeling, inmiddels duidelijk veld gewonnen. De reizigers treffen echter diep in de aarde nog een gevarieerd landschap aan – bijvoorbeeld dit meer waar aan de oever reuzenpaddestoelen groeien. Over wat niet bekend is, kun je fijn fantaseren.

De nieuwsgierigheid naar hoe onze planeet eigenlijk in elkaar steekt, krijgt een belangrijke impuls door de aardbevingen en vloedgolven die in 1755 Lissabon, de derde havenstad van Europa, verwoesten. De raadsels die de aarde herbergt dragen maar al te vaak een rampzalig karakter. En wat je niet begrijpt, boezemt angst in. Wat is eigenlijk een vulkaan, en waardoor komt het dat een berg vuur spuwt? Hoe kan het zijn dat zich in de oceanen dieptes van soms kilometers bevinden, en wat is daar? Het lijkt allemaal zeer bedreigend. En hoe oud is de aarde eigenlijk? Zesduizend jaar, of ouder wellicht?

Lange tijd heeft in het denken het zogenaamde ‘catastrofisme’ de overhand – een verklaringsmodel dat zegt dat de aarde zoals wij die kunnen kennen tot stand is gekomen door een serie van wereldomvattende rampen. De niet alleen in christelijke geschriften maar ook in andere mythologieën voorkomende verhalen over een zondvloed of iets dergelijks zouden een aanwijzing in die richting kunnen zijn, net als fossielen van niet meer bestaande dieren, zoals de zojuist ontdekte mammoeten van Siberië.

Hoe moeilijk we ons de onwetendheid kunnen voorstellen blijkt bijvoorbeeld bij het onderwerp ‘gebergte’. Hoe zijn deze onverklaarbare verhogingen in het landschap, die de reiziger beter ontwijkt omdat ze slechts ontberingen van koude en sneeuw in zich dragen, tot stand gekomen? Door opwaartse druk? Een raadsel op zich vormen de hier en daar bestaande gletsjers. Hoe is het in ’s hemelsnaam mogelijk dat deze ijsmassa’s zich door een vallei kunnen verplaatsen? Wie of wat beweegt ze?

Caspar David Friedrich (1774-1840), Der Wanderer über dem Nebelmeer (1817)

We zijn nu geneigd om in geschilderde Alpen-landschappen uit de negentiende eeuw geromantiseerde schoonheid te zien. Misschien is dat ook wel terecht, maar die landschappen hadden voor de contemporaine beschouwer ook nog een andere betekenis, als voorstelling van onverklaarbare, en daarmee ook wel geduchte wonderen der natuur. Unterer Grindelwaldgletscher nach dem Vorstoß von 1770 van Caspar Wolf uit 1774 (zie de eerste afbeelding bij dit blog) is meer dan een fraai natuurgezicht; het is ook een journalistiek document over het onverklaarbare oprukken van een gletsjer richting dal.

Iets dergelijks geldt ook voor Caspar David Friedrichs beroemde Der Wanderer über dem Nebelmeer uit 1817. De man die daar zo nonchalant op een wandelstok leunt, komt ons wellicht als een moderne toerist voor die van het landschap geniet, zij het naar hedendaagse begrippen niet warm genoeg gekleed. Maar het is dan wel een toerist die niet weet hoe bergen zijn ontstaan, en trouwens ook niet hoe het wolkendek onder zich tot stand is gekomen.

Een bekend voorbeeld van onwetendheid is ook de uitbarsting van de vulkaan de Tambora in 1815, op het eiland Soembawa in Nederlands-Indië – vermoedelijk trouwens de grootste vulkaanuitbarsting van het vorige millennium. In de jaren 1815-1817 wordt vanuit heel Europa ‘droge mist’ gemeld: de zon komt nauwelijks door de wolken, ’s nachts zijn er geen sterren te zien, overdag moeten de lampen aan. Oogsten mislukken door gebrek aan zonlicht en Europa beleeft zijn, tot op heden, laatste grote hongersnoden. Dat een en ander verband houdt met de uitbarsting van de Tambora, waarbij enorme hoeveelheden stof in de hogere luchtlagen terecht zijn gekomen, wordt door historici pas in de jaren zestig van de twintigste eeuw ontdekt. De tijdgenoten hadden geen idee van hogere luchtlagen, evenmin als van golfstromen in de oceaan bijvoorbeeld.

In dit erg aardige boek beschrijft Corbin hoe in de negentiende eeuw de onwetendheid over de aarde afneemt, in het bijzonder na 1860. Het gaat daarbij echter vooral om wetenschappelijke beschrijving, niet zozeer om verklaring van verschijnselen. Windkrachtmeting, geologische beschrijving, de ontdekking van erosie, classificatie van wolken, de uitvinding van de ballon, meteorologie, dat soort dingen. En niet te vergeten de ontdekking dat er een Antarctisch continent bestaat, waarvan het bestaan eerder algemeen was ontkend.

Wat daarbij opvalt is dat het technisch vernuft sneller voortschrijdt dan de fundamentele kennis over de aarde. Het blijkt, in de achttiende eeuw al, alleszins mogelijk elektriciteit op wekken, en in de negentiende om stoomtreinen en auto’s te laten rijden, zonder te weten of er op de Noordpool een warme zee gelegen is, en dat vulkanen en aardschokken samenhangen met tectonische platen. Onwetendheid over zeediepten staat het leggen van telegraafkabels geenszins in de weg.

Misschien is die wanverhouding wel de grondslag van wat tegenwoordig wel het ‘antropoceen’ wordt genoemd; de gedachte dat de aarde een episode doormaakt, vooral klimatologisch maar ook wel geologisch, waarin de gevolgen van menselijk handelen – grootscheepse toepassing van fossiele brandstoffen bijvoorbeeld – bepalend zijn. Maar ook nu is er veel onzekerheid, zowel over de theorie als over de precieze oorzaken en het tempo van de klimaatveranderingen. De onwetendheid duurt voort. Misschien moeten onze nakomelingen over honderd jaar wel glimlachen over ons geklungel met het klimaat en een virus nu. Als er dan nog mensen zijn, natuurlijk.


Alain Corbin, Terra incognita: Une histoire de l’ignorance, Albin Michel, 2020