De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk vanavond om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Anita Ekberg, 29 september 1931 – 11 januari 2015

Anita Ekberg bracht iedereen die naar haar keek in opperste verwarring. Ze probeerde een serieuze actrice te zijn, maar stond machteloos tegenover haar eigen beeltenis.

Het geheim van de aantrekkingskracht die de ‘Zweedse IJsberg’ op het witte doek uitoefent, ligt in contrasten en uitersten. Anita Ekberg verpersoonlijkt klassieke schoonheid in de scène bij de Trevi-fontein in La dolce vita (1960) van Federico Fellini, maar in dezelfde film is ze het liefje van een vulgaire producent uit Hollywood. En toch is Marcello wég van Sylvia, verslaafd aan haar, verliefd op haar. Hij durft haar niet aan te raken uit vrees dat het ongrijpbare, het sublieme, dan voor altijd zal verdwijnen. Dat is de ene kant van het Ekberg-verhaal. De andere kant is die van de bimbo, het platte object van mannelijke begeerte, het best omschreven door Frank Tashlin, die haar in 1956 regisseerde in een film met de toepasselijke titel Hollywood or Bust: ‘De bekoorlijkheid van Ekberg heeft te maken met de onvolwassenheid van de Amerikaanse man, die een fetisj voor borsten heeft. En er bestaat niets lachwekkenders dan vrouwen met borsten als wandelende, leunende torens.’

Dat beeld wordt gesteund door de iconografie van vrouwelijkheid in de jaren vijftig en zestig, het tijdperk waarin Ekberg succes had als filmster. Actrices met grote borsten waren iconen, groter dan het leven zelf: Marilyn Monroe, Jane Russell, Jayne Mansfield. Tashlins opmerking is niet alleen grove humor, ze weerspiegelt de werkelijkheid: mannen hunkerden naar vrouwelijke filmsterren met grote borsten. Tashlin persifleert dit idee in de Jerry Lewis/Dean Martin-comedy’s die hij met Ekberg en Mansfield maakte. In deze films zijn niet de vrouwen lachwekkend, het zijn vooral de stuntelende mannen die ridicuul zijn. Ze zijn er niet toe in staat normaal te reageren wanneer ze in contact komen met de haast bovennatuurlijke schoonheid van de vrouwen met de grote borsten.

Zelfs in films waarin zo’n geraffineerde visie als die van Tashlin niet evident is, bijvoorbeeld in de western 4 for Texas (1963) van Robert Aldrich, hebben vrouwen de macht. Hier is Ekberg een bordeelhoudster die in een complot over geld zit samen met Frank Sinatra en Dean Martin. In een scène geeft Ekberg een scheerbeurt aan Sinatra. De camera focust uitgebreid op haar decolleté. Ze lijkt een slaaf, van zowel Sinatra als de camerablik. Maar kijk goed: het is juist de kleine Sinatra die volledig onderworpen is aan de ‘IJsberg’; zij heeft het scherpe, rechte scheermes in haar hand.

Of Ekberg het seksisme tijdens haar carrière ook zo genuanceerd vond, valt te betwijfelen. Nadat ze in de jaren vijftig Miss Zweden was geworden, vertrok ze naar Amerika, waar ze in handen viel van producent Howard Hughes, die een paar jaar tevoren de scandaleuze western The Outlaw maakte, die meer dan over Billy the Kid over de borsten van Jane Russell ging. Ondanks de tijdgeest probeerde Ekberg een serieuze actrice te zijn. In 1955 kreeg ze waardering voor haar rol als Chinees meisje naast John Wayne in Blood Alley en een jaar later voor haar spel in Back from Eternity, een uitstekende psychologische rampenfilm waarin Ekberg alle ruimte krijgt om te acteren. En toch, de tagline op de poster: ‘Ooh that Ekberg!’ Het was alsof ze machteloos stond tegenover haar beeld. Bij gelegenheid zei ze dat ze ook wel wist dat ze beeldschoon was, aangezien ze in het bezit was van een spiegel. Bovendien was ze tegen die tijd al een celebrity, ook dankzij haar huwelijk met de Britse acteur Anthony Steel.

Actrices met grote borsten waren iconen, groter dan het leven zelf

In Europa maakte ze onverminderd Amerikaanse films. Toen werd ze in Rome ontboden door Fellini, nadat hij haar door de straten had zien scheuren in een cabriolet. Fellini was een film aan het voorbereiden: La dolce vita. Een film over Rome. Het Rome van aquaducten, fonteinen, kerken, paleizen, monumenten en antieke ruïnes, van de Renaissance, van een nobeler, meer ruimtelijke en gecultiveerde tijd. Zo anders dan de moderne tijd, de jaren zestig. En ook: zo anders dan nu.

Net zoals Marcello Mastroianni worstelt met de desintegratie van het moderne leven bestaande uit oppervlakte en schijn, belichaamd door de blonde filmster met de grote borsten, zo is de huidige cultuur van beroemdheid gebaseerd op leegte. Scarlett Johannsson, favoriet van de moderne celebrityjournalistiek, is Monroe/Ekberg/Mansfield, tot object gemaakt door de mannelijke blik. Dit idee werkt Jonathan Glazer op briljante wijze uit in zijn recente film Under the Skin, waarin Johannsson net als Ekberg mannen verslindt. De tragiek is dat Johannsson, een uitstekende actrice, alleen nog maar in films speelt waarin de aanwezigheid van haar lichaam in het beeld genoeg blijkt te zijn. In Under the Skin gebeurt er evenwel iets interessants met dat lichaam: het wordt breekbaar, het blijkt een lege huls. En wat onder de huid zit is vele malen mooier, opwindender, kwetsbaarder.

Iets soortgelijks speelt bij Ekberg bij de Fontana di Trevi. Sylvia. Haar lichaam verdwijnt. En iets veel meer dan celebrity krijgt vorm, iets van échte waarde, namelijk het broze verleden en de onbeschrijfbare grandeur van toen. Sylvia, blond en belachelijk, wordt de eeuwige stad. Beide staan aan de andere kant van een doorzichtig scherm, verleidelijk maar onbereikbaar.

Contrasten en uitersten – Ekberg brengt iedereen die naar haar beeltenis op het scherm kijkt in opperste verwarring. Ze maakt ons belachelijk; hoe is het mogelijk dat mannen zo dom worden op het moment dat ze die ‘bespottelijke’ (Tashlin) borsten zien. Ze inspireert ons; wie voorbij de fontein in Rome loopt ziet haar onwillekeurig waden in dat vlakke water, als godin van de eeuwige schoonheid. Voor deze dingen hield Ekberg zich later in haar leven blind. ‘Ik heb die scène een paar keer gezien’, zei ze. ‘Misschien te vaak. Ik kan het niet meer verdragen ernaar te kijken. Maar ooit waren ze prachtig.’