Ingezonden brief

Anja ziet Ayaan in haar spiegeltje aan de wand

Zou iemand over de jonge Anja Meulenbelt eens geschreven hebben: “Ze sloeg elke uitnodiging af om te praten met vrouwen die in Nederland emancipatie en christelijk geloof combineerden.” Dan zou Meulenbelt in die tijd waarschijnlijk hebben geantwoord dat ze die uitnodigingen niet afsloeg, maar dat ‘emancipatie en christelijk geloof’ domweg een kwestie van de kool en de geit sparen betekende en dat het dus weinig zinvol was om daar erg veel energie in te steken.

Nu is het diezelfde Anja Meulenbelt die in een ingezonden brief aan De Groene Amsterdammer van vorige week over Hirsi Ali verwijtend schrijft: “Ze sloeg elke uitnodiging af om te praten met de vrouwen die in Nederland emancipatie en islam combineerden. Nog steeds moslim. Dus achterlijk. De werkelijke discussie is ze dus altijd uit de weg gegaan.”
Het feminisme in de tijd van Anja Meulenbelt herinner ik me als een felle strijd over de man-vrouwverhoudingen, waarin Meulenbelt zo haar partijtje meeblies. Of, zoals ze zelf schrijft in de ingezonden brief aan De Groene: “Inderdaad, dertig jaar geleden, gaf ik de schuld voor alle ellende van vrouwen ruimschoots aan ‘de mannen’.”
Dat betekende in die tijd ook dat er zo nodig gebroken werd met manlief, ouders en anderen, als die onvoldoende konden meegaan in de nieuwe ideeën. En dat is ook in brede kring gebeurd.
Over Hirsi Ali schrijft ze nu: “Er was voor Hirsi Ali maar één model mogelijk om je als vrouw vrij te vechten: afstand nemen van religie en als het nodig was ook breken met afkomst en familie.”
Het lijkt dus op elkaar, zou je zeggen. Ayaan is het spiegelbeeld van de jonge Anja en ze kan het niet aanzien.
Maar Meulenbelt vindt gelukkig een belangrijk verschil, volgens haar: Hirsi Ali viel vooral goed bij ‘blanke naar rechts en islamofobie neigende mannen en een enkele vrouw’:
“Bolkestein, Scheffer, Fortuyn, en daarna kregen we ook nog Verdonk en Wilders. Geen wonder dat de blanke rechterkant dol was op die mediagenieke zwarte prinses die hen zo gelijk gaf: de islam is achterlijk, wist ze daar zelf niet alles van, en die nu eens niet tegen mannen schopte, maar integendeel, hen geweldig ‘verlicht’ vond.”
Dat zou allemaal nog niet zo erg zijn, vindt Meulenbelt, ware het niet dat het “gebeurde in een tijdperk van grote polarisatie, waarbij de migranten (m/v), met name die met een moslimachtergrond, door de rechterzijde tot zondebok werden gemaakt van alles wat er mis was in de maatschappij”.
Hier zegt ze ergens iets merkwaardigs. Omdat de islam met name onder vuur ligt, mag je dus eigenlijk geen scherpe kritiek uitoefenen op de ongelijke man-vrouwverhoudingen in de islam. Elke kritiek is immers bedoeld om de islam en de moslims tot zondebok te maken…?
Nu staat me niet alles meer bij van die tijd van vroeger, maar ik herinner me nog heel goed dat in de tijd van Anja Meulenbelt niet alleen de mannen het zwaar moesten ontgelden, maar ook het christendom. Was het immers niet een zwaar patriarchale godsdienst waarin de vrouw ondergeschikt moest zijn aan de man? En mag dat nu niet meer gezegd worden over de islam, omdat iemand als Wilders ook maar blijft rondtoeteren? Ik begrijp het dilemma, maar ik denk dat de Anja Meulenbelt van vroeger het een onuitstaanbaar argument zou hebben gevonden, bedoeld om vrouwen weer terug te jagen in hun hok.
Ergens niet opvallend vind ik dan ook dat die zo zwaar bekritiseerde oudere naar islamofobie neigende mannen, mannen zijn die volwassen werden in de tijd van de Tweede Feministische Golf van Anja Meulenbelt c.s. Misschien hebben we haar in die tijd iets te goed begrepen en was het niet zo verbazingwekkend dat Hirsi Ali die generatie geweldig geëmancipeerd vond, helemaal vergeleken met wat ze van mannen uit haar vroegere omgeving gewend was.
Inmiddels zit Hirsi Ali al weer een tijdje weggestopt diep in het woud in de hut van een conservatieve Amerikaanse 'denktank’ en minimaal met zeven dwergen. Om nou te zeggen dat dat me erg bevalt, is een andere kwestie. De dodelijke appel waarvoor ze zich verbergt, komt overigens niet van koningin Anja.
C van der Zwaard