Anna enquist het omgekeerde doelpunt van de geboorte.

Anna Enquist, Een nieuw afscheid. Uitg. De Arbeiderspers, 64 blz., f29,90
Zal ik u eens wat zeggen? Ik zal u eens wat zeggen. Ik zeg dit: de door critici als ‘briljant’, ‘krachtig’, ‘prachtig’ of gewoon ‘mooi’ omschreven poezie van Anna Enquist is in werkelijkheid van een pijnlijk banale hysterie vol valse en zelfs kwalijke beelden.

Zij is geschreven door een mevrouw die erg graag poetisch wil zijn, maar zo weinig weet heeft van wat daarvoor vereist is dat zij meent dat woorden als ‘wanhoop’, 'angst’, 'woede’ of 'razernij’ op zichzelf voldoende zijn om mij ervan te overtuigen dat zij wanhopig, angstig, woedend en razend is. Het is een mevrouw die bijvoorbeeld 'met vreugdevolle en opbolderende angst’ een trap 'afzeilt’ en zo bij mij een diep verlangen oproept dat eens te mogen meemaken, want dat moet een behoorlijk spektakel zijn. Het is een mevrouw die verder nogal veel 'schreeuwt’ en 'brult’ (een keer zelfs 'met doorgesneden keel’), maar voor het overige toch, zowel in haar professie (psychoanalytica) als in haar gedichten, patienten en lezers adviseert 'een draagbare pijn te kiezen boven een ramp’, en er dus blijkbaar van uitgaat dat er hier iets te kiezen valt. Zo krijgt zij het elders voor elkaar zich 'grimmig’ (dat wel) van een 'passie’ te ontdoen en ook daarbij trek ik, gepassioneerd als ik ben, mijn wenkbrauwen op. Je van een passie ontdoen ja, dat zou ik ook wel willen soms, maar hoe grimmig ik ook word, het gaat niet he? 'Nu vult het bedrag de regels’, staat er ergens in Soldatenliederen, de bundel waaruit ik bovengenoemde voorbeelden heb gehaald.
Zal ik eens wat anders zeggen? Toen Soldatenliederen verscheen, was ik zo boos niet. Ik vond het matige poezie met nogal wat flinke ontsporingen die ik toeschreef aan de onhandigheid van een beginnend dichteres en de nalatigheid van een uitgever, die haar voor een paar fikse blunders had kunnen en misschien wel had moeten behoeden. Als zij het ergens heeft over 'de kamparts Tijd’ dan begrijp ik wel wat ze bedoelt, maar vind ik dat zij voor haar woede tegen de dood een wel zeer onkies, fout en beledigend beeld heeft gekozen. En dan zeg ik het nog vriendelijk. Het is zo'n beeld waarin de dichteres zich overschreeuwde en dat haarfijn aantoonde waaraan het haar ontbrak: gevoel voor de waarde van woorden. Dat is, lijkt me, toch de eerste vereiste voor een dichter. Hij heeft er immers voor gekozen met weinig woorden veel te zeggen.
Maar Enquist had dat wat zo in het gemeen 'poetisch’ wordt genoemd ('diepe’ gevoelens, 'heftige’ emoties) verward met poezie. Dat ik buiten de vormtechnische kwesties om, ook maar weinig op had met haar (impliciete) poezie- dus levensopvatting, is dan nog weer een andere kwestie. Ik heb het niet zo op poezie die continu refereert aan groot en diep leed, enkel en alleen om het in poezie te bezweren. Ik denk dat wat je 'het menselijk tekort’ zou kunnen noemen, ons naar de grenzen dwingt die aan ons gesteld zijn: door de cultuur en dus door de taal die ons in bepaalde tijden op bepaalde manieren definieert. Maar goed, gegeven de keuze die Enquist nu eenmaal maakte voor rust en harmonie, voor een poezie die uit is op het dempen van die zo gevaarlijke passie (je kunt dat smalend 'therapeutische poezie’ noemen) en ondanks de vele onvolkomenheden van een slecht begeleide beginnelinge, kreeg zij van mij destijds, zij het schouderophalend, het voordeel van de twijfel.
Enquist kreeg echter twee literaire prijzen en geldt thans als het beste wat de Nederlandse poezie te bieden heeft. Dat is wat me zo boos maakt. Enquists poezie was koren op de molen van de in het literatuurbedrijf werkzame beschouwers, die zich al tijden beklaagden over de saaiheid, de bloedeloosheid en vooral de vermeende moeilijkheidsgraad van de Nederlandse poezie. De poezie was vastgelopen in academische kwesties, zo meende men. Het was alleen nog 'dichten over dichten’. En zij was erg 'onverstaanbaar’ dat spreekt. Hoe heerlijk dat er plotseling een dichteres opstond die niet alleen verklaarde van poezie niet veel verstand te hebben, maar die bovendien in haar gedichten weer 'gewoon’ aan die diepe menselijke gevoelens refereerde. De jury van de C. Buddingh’-prijs meende bijvoorbeeld dat Soldatenliederen 'geen exegeten maar lezers verdient’.
Voila
En als ik nu zeg dat juist wanneer ik mij als 'gewone’ lezer opstel en probeer om de woorden die er staan te lezen zoals ze er staan, ik van Enquists poezie helemaal niets begrijp? Dat begrip alleen mogelijk is als ik mij door de holle retoriek laat overbluffen en haar aanzie voor je reinste openbaring? En als ik weiger me te laten imponeren door 'gebrul’, 'kanongedaver’ (hoorbaar tijdens de afwas), het 'bloed’, de 'wraak’ en het 'vuur’, waarmee ook in Enquist tweede gekroonde bundel, Jachtscenes, weer kwistig wordt gestrooid? Dan ben ik natuurlijk een 'exegeet’, een lastige uitlegger met een foute opvatting over poezie.
Wat ik bedoel te zeggen is natuurlijk dit: dat Enquist alleen verantwoordelijk gesteld kan worden voor haar poezie, niet voor de aan die poezie toegekende status. Het verandert niets aan mijn oordeel over de eerste twee bundels, hooguit aan de toonhoogte waarop ik daarover zou willen spreken. Het maakt ook dat ik zie dat Enquist in haar derde, zojuist verschenen bundel, Een nieuw afscheid, weliswaar wat ingetogener te werk gaat, maar het nog steeds moet hebben van de poetische suggestie en beelden gebruikt die op geen enkele manier door de rest van het gedicht gemotiveerd worden, maar alleen dienen om een dringende boodschap over te brengen.
Neem 'Laatste zomer met de kinderen’. In dit gedicht wordt geboorte vergeleken met de wijze waarop bergsneeuw tot een rivier wordt. Dat gaat niet helemaal goed. Het water gaat 'Klaterend, schaterend neerwaarts, heupwiegend en schreeuwend bergaf, bergaf’. Als het water het kind is en dat is de bedoeling: er is sprake van 'Schijnheilige moeder sneeuw’ dan kan er van geklater en heupwiegingen in dit stadium nog geen sprake zijn. Pas na dit geklater duiken 'de eerste sluis’ en de 'veroordeling tot de bedding’ op. Nu heb ik nog nooit een kind gebaard ('Baren moet met de benen wijd, uit alle macht’, zo lees ik elders, en daar heb ik wel eens van gehoord, ja), maar ik begrijp deze passage toch als de beschrijving van het indalen. Misschien dat de vrouw daarbij met haar heupen wiegt en schreeuwt? Zou kunnen, maar dat staat hier niet. Hier is het het kind. Kniesoor die daarop let.
We gaan verder. Ik verwacht na die eerste sluis natuurlijk een tweede. Ik krijg dit: 'Vertraagd en vergiftigd klotsen rond de harige buik van de rijnaak, zeulen wat achteloos werd meegegeven: matrassen, plastic flessen, een wit, gerimpeld kind. Niet terug kunnen.’ Is mama nu ineens een rijnaak? Een aak met een harige buik? En dat water was toch het kind? Wat ligt die moeder nu ineens in dat kind te klotsen? Of is dat water hier vruchtwater geworden en moet ik tegelijkertijd begrijpen dat dat water hier vergeleken wordt met een rivier waarin dan dat kind drijft samen met andere rommel, want onze hedendaagse rivieren zijn ernstig vervuild. Die 'matrassen, plastic flessen’, zou dat misschien de moederkoek zijn?
Bij de strofe die hierop volgt, raak ik helemaal de kluts kwijt. Er staat: 'In de verloskamer juichen ze bij het omgekeerde doelpunt van de geboorte. Niemand voorziet de wraak van de keeper die hoog op de witte tafel ligt, met lege handen’. Hoe komen we hier nu ineens op het voetbalveld terecht? Mondt de rivier uit in het doelgebied van de keeper van FC Knudde? Buiten dat wat een idiote vergelijking, dat omgekeerde doelpunt van de geboorte. Schop ’m d'r uit in plaats van schop ’m d'r in. En waarom: 'omgekeerde’. Wat is 'het omge? Wat is een 'keerde doelpunt’? Voegt deze afbreking iets toe?
Vragen, vragen. Ik probeer echt 'gewoon’ een lezer te zijn van Enquists poezie. Maar al doende neemt mijn irritatie dan toch weer toe. Ondanks het feit dat Enquist in deze nieuwe bundel minder schreeuwt en brult en zich wat meer bewust lijkt te zijn van het feit dat dichten een heus vak is dat warenkennis vereist, blijven de meeste gedichten nog steeds steken in onbeholpen geknutsel uit een behoefte heel erg veel erg dieps en heftigs te zeggen.
'Het woordvindingsprobleem heeft voorrang: wat gezegd wil worden staat daar naakt, helder omlijnd in het verstopte strottehoofd te trappelen, omdat niets uit de klerenkast van deze taal haar past’, zo heet het in 'Druk bezig’.
'There’s more enterprise in walking naked’, schreef een dichter ooit. Waarmee ik maar zeggen wil: als u dat nou eens probeerde.