Anna enquist schrijfster/psychoanalytica

‘TALENT? Als ik iets heb, zijn het goede oren. Ik kan goed luisteren. Kijken wat dat gevoelsmatig teweegbrengt en dat dan weer verbaliseren. Zowel in de psychotherapie als bij het schrijven heb ik daar profijt van.

Het is grappig dat ik heel belangrijke dingen in mijn leven bijna achteloos, op een per-ongelukke manier beslist heb. Op weg naar huis door de voordeur van het conservatorium glippen en een inschrijfformulier meepakken. Wat dan een kern van je leven wordt. Met het schrijven is het net zo gegaan. Nooit een moment gedacht: ik wil schrijver worden. Met een pen aan dat bureau zitten, en denken: hé, dat is leuk.’
‘NA MIJN psychologiestudie in Leiden ben ik als spijtoptant naar het conservatorium gegaan. Ik had zes jaar niet piano gespeeld maar er wel altijd naar verlangd. Ik vond het een prettige combinatie met mijn halve baan in de zwakzinnigenzorg. Daar had ik verantwoordelijkheden, moest ik het voortouw nemen. Op het conservatorium kon ik mij door anderen laten vertellen hoe het moest.
Na de geboorte van mijn dochter heb ik mijn baan opgezegd en me een jaar of tien, twaalf helemaal aan pianospelen en pianoles geven gewijd. Intussen was ik bezig met een psychoanalytische opleiding. Ik had alleen maar dat doctoraal psychologie en ik wilde gewoon een goeie psychotherapeut worden. Pas toen ik gevraagd werd om op het Psychoanalytisch Instituut Amsterdam te komen werken, heb ik mijn baan aan het conservatorium opgezegd en ben ik gestopt met pianospelen. Niet alleen omdat er weinig beweging in zat, maar ook omdat ik die psychoanalyse heel bevredigend vond. En omdat ik het mezelf wat makkelijker wilde maken door niet altijd op twee sporen te blijven zitten.
Dat bleek een totale misvatting. Ik was nog niet opgehouden met pianospelen of ik begon te schrijven. Binnen de korste keren had ik weer twee dingen. Daar zit ik nou nog steeds mee.’
'KENNELIJK was ik gewend om mijn ervaringen uit het dagelijks leven op een emotionele manier in de muziek te reflecteren. Toen ik mezelf die mogelijkheid ontzegd had, bleef die behoefte onvervuld en begon ik af en toe op te schrijven wat ik voelde of zag. Dan dacht ik: god, het lijkt wel een gedicht. Als ik het nou zus of zo maak, dat regeltje langer of korter, dan is het mooier. Voor ik het wist zat ik gedichten te maken. Per ongeluk.
Op een gegeven moment heb ik een aantal gedichten naar Maatstaf gestuurd. Ik kreeg een brief terug of ik nog meer had. Daarna ben ik door de uitgeverij overgehaald om te blijven produceren. Ze wilden graag een bundel uitgeven. Dus ik ben er vrolijk mee door blijven gaan. Toen ik eenmaal de smaak te pakken had, heb ik een paar jaar lang veel geschreven. Soldatenliederen en Jachtscènes, bij elkaar zo'n negentig gedichten, zijn binnen twee jaar uitgekomen. Het spoot eruit. Ik dacht: goh, dit is het, hier komt alles bij elkaar. Ik had het gevoel dat ik met die gedichten het muziek maken voortzette. Ik gebruik muzikale middelen bij het schrijven van zo'n gedicht. Iets anders weet ik gewoon niet. Middelen als ritme, versnellingen en vertragingen, klankverwantschappen, dissonantgebruik (iets expres lelijk maken), frases opbouwen. Al die dingen die ik geleerd heb bij contrapunt en harmonieleer. En wat de inhoud betreft had ik heel sterk het gevoel dat ik mijn psychotherapeutische vaardigheden gebruikte. Alles kwam bij elkaar. Ik dacht: hier ben ik op m'n plaats, dit is wat ik goed kan.
Ik had het in die tijd erg druk, met een fulltime baan en twee nog jonge kinderen. Als een gedicht niet opschoot liet ik het liggen. Ik ging echt niet een avond zitten peinzen hoe ik die regel nou mooi kreeg. Nee hoor, weg ermee. Boven een wit blad papier hangen, dat heb ik nooit gedaan. Dan maar niet. Heb ik lekker vrij.
Ik schreef mijn gedichten onder het pseudoniem Anna Enquist, omdat ik onder mijn eigen naam, Christa Widlund, al wetenschappelijke artikelen publiceerde. Die gedichten hadden nog geweldig succes ook. Ze verkochten als warme broodjes. Ik dacht: nu kan ik misschien ook eens proza gaan schrijven. Een roman lijkt me wel wat - ik zat steeds maar met het idee dat ik ooit iets met die Don Giovanni zou willen doen. Achteloos bijna. Ik merk het wel als het niet gaat. In praktische zin begon het toen lastig te worden. Ik heb een jaar of twee nagedacht over die roman, gepland, schema’s gemaakt, levensbeschrijvingen van de hoofdpersonen, dat ging allemaal nog wel. Maar toen ik mijn pen pakte en begon te schrijven, merkte ik dat het niet te combineren was met een fulltime baan en een gezin. Ik kon ook niet ophouden met schrijven, bang dat ik de draad zou verliezen, de stijl en de toon kwijt zou raken. Toen ben ik tegen de lamp gelopen. Uitgeput was ik.’
'ZODRA IK MERKTE dat Het meesterstuk goed ging verkopen heb ik mijn baan op het Instituut gehalveerd. Opgeven wilde ik het niet: ik vind het prettig werk, het is leuk om collega’s te hebben en met heel andere dingen bezig te zijn. Als psychotherapeut stel je je volledig in dienst van het gevoelsleven van een ander. Daarvoor gebruik je wel je eigen gevoelens, maar alleen als instrument om die ander te begrijpen. Schrijven is ontzettend egocentrisch, het gaat alleen maar over wat je zelf bedenkt. Als fulltime occupatie is dat niks voor mij, maar ik heb er lol in dat dat af en toe eens mag.
In het schrijven heb ik mijn eigenzinnigheid en egoïsme zo sterk ontwikkeld dat ik daardoor meer waarde durf te hechten aan wat ik zelf bedenk. Als ik met een patiënt aan het werk ben en ik merk dat ik geïrriteerd raak, neem ik zo'n signaal heel serieus.
Schrijven geeft me een eufoor gevoel, zo van: o, ik kan dat, kijk dat daar nou eens mooi op papoer staan! Even is het lekker om te denken: hoi, ik ben nou een beroemde schrijver! Op hetzelfde moment realiseer je je dat het geen bal voorstelt. Wat is dit nou helemaal?
Het grootste geluksgevoel heb ik als een gedicht precies is geworden wat ik voor ogen had. Wat iemand anders er dan van vindt is secundair. Moet niet te gek worden. In de psychologie heb je ook wel teleurstellingen. Dat een behandeling niet oplevert wat je ervan verwacht. Dat collega’s ongezouten kritiek op je hebben. Maar wat je over je heen kunt krijgen als je zo'n roman publiceert! Dat is straatvechterij. Zulke scheldkanonnades, zo op de persoon gericht. De schaamte, ik geneerde me tegenover mijn kinderen, die dat in de krant moesten lezen. Ik was heel boos. Het heeft een paar maanden geduurd voor ik daar overheen was.’
'OOK IN MIJN romans is de muziek, zelfs in de vorm, aanwezig. Het valt me op als ik voorlees, vooral uit Het meesterstuk, hoe ritmisch dat in elkaar zit. Hoe de lengte van de zinnen en de cadans weerspiegelen wat die mensen voelen. Daar sta ik zelf van te kijken, want ik heb het heel intuïtief gedaan. Ook de psychologie zal wel een rol spelen, die kan ik haast niet meer uitschakelen. Dat is zo'n manier van kijken naar mensen en denken over hun levens, daar word je helemaal mee doordesemd. Ik weet niet meer of wat ik schrijf iets is wat ik geleerd heb, of gewoon mijn manier van denken is.
Er is een groot verschil tussen de beide werelden, maar ik voel me in allebei goed thuis. Ik heb zowel het ingeperkte, veilige van zo'n instituut, als het uitbundige van die schrijverscontacten nodig. Ik vind het allebei fijn.
Echt een schrijfster voel ik me niet. Misschien wel een dichteres. Maar het meest psychoanalytica. Als het moest zou ik kiezen voor het schrijverschap. Dat is het breedste gebied en het biedt mij de meeste ontwikkelingsmogelijkheden. Gelukkig hoef ik niet te kiezen. Ik moet gewoon altijd met twee dingen bezig zijn. Daar heb ik me bij neergelegd.’