Pauline Slot

Anna, Hanna, Johanna, Pauline

In ‘Blauwbaard’ van Pauline Slot is alles anders dan aanvankelijk wordt gedacht. Ook de roman zelf.

VORIG JAAR KWAM op de golven van de Anna, Hanna, Johanna-welle een roman uit van een Zweedse schrijfster, Nederlands van geboorte, over een zoektocht naar een verloren (tweeling?)zusje. De één is in Zweden opgegroeid en de ander in Nederland. Tot voor kort waren ze niet op de hoogte van elkaars bestaan. Even verwachtte ik dit boek aan te treffen in de verantwoording achter in de nieuwe roman van Pauline Slot. De schrijfster noemt echter alleen de sprookjesanalyse van Marina Warner en een roman van Carol Shields; blijkbaar heeft Zusje van me van Barbara Voors geen rol gespeeld bij de conceptie van haar roman.


Wat betreft het verhaalgegeven lijkt Blauwbaard op het eerste gezicht de Hollandse kant van de Zweedse versie te vertellen. De Nederlandse Maria ontdekt in Stockholm dat ze een (half)zus heeft, Annika. In boekhandel Enquist koopt ze de roman van Annika die haar hun beider geschiedenis onthult, en in restaurant Strindberg loopt ze de Zweed van haar leven tegen het lijf. Geen Tommie, maar een Ingmar.


Slot heeft nog meer verhaallijnen uitgezet. Een deel van de handeling speelt zich af in Italië, in Pompeï. Hier onderzoekt Edu, de man van Maria en nog niets vermoedende van de Zweedse ontdekkingen van zijn vrouw, de resten van wat blijken te zijn geweest een moeder, haar dochter en weer háár dochter. Hij is er met zijn hoofd niet helemaal bij, want hij is in afwachting van Rianne, een liefde van vroeger die sinds kort weer helemaal terug is van weggeweest.


Wat hij niet weet, is dat Rianne onder de naam Erinna al enige tijd in therapie is bij Maria. Gekker nog, Maria wist het zelfs eerst ook niet dat de verhalen over ‘de broer’ van Erinna eigenlijk over haar eigenste Edu gingen. Maria heeft een dochter, niet van Edu maar van Karel die deepdown homofiel is en met Gijs samenwoont. Ze haat haar schoonmoeder omdat die de egoïstische nuchterheid zelve is. Rianne daarentegen was en is gek op dat mens omdat ze niets heeft van de benepenheid van haar eigen moeder die haar hele leven tussen de knotten wol en het borduurgaren heeft gezeten. Dat wil zeggen: zij van wie ze dacht dat ze haar moeder was, maar die haar oma blijkt te zijn.



KORTOM, NIETS is zoals het lijkt in deze roman, behalve de roman zelf die op alles lijkt maar niets is. Terwijl vooral het begin zoveel belooft en de gedachten aan andere geslaagde verhalen aanvankelijk sterk zijn.


Het gegeven van de vrouw die onder valse vlag binnendringt in andervrouws leven, riep bij mij de herinnering op aan de novelle ‘Verkozen landschap’ in de bundel Dubbelportret (1989) van Margriet de Moor. Een prachtig verhaal waarin de schrijfster het in het midden laat of hier sprake is van een hersenspinsel van de belaagde vrouw, of dat zij terecht reden heeft tot ongerustheid. De associatie met Het meesterstuk (1995) en Het geheim (1997) van Anna Enquist ligt nog meer voor de hand. Enquist schrijft immers over een zelfde soort vrouwen: geletterd, kunstzinnig, therapie gevend of ontvangend, en zoekend naar hun ‘ware’ identiteit.


Waar De Moor een mysterie in stand weet te houden en Enquist met name in Het geheim in luttele scènes een heel leven weet te verbeelden, blijft Slot echter zowel in de compositie van haar verhaal als in haar schrijfstijl steken. Enige noodzaak in dat wat ze vertelt en de volgorde waarín, lijkt te ontbreken. Het verhaal springt en verspringt, van beschrijvingen naar lange stukken monoloog, die bijna een excuus lijken om niet precies te hoeven schrijven. IJselijke saaiheid is het gevolg.



De overvloedig aanwezige beeldspraak is vlak (‘De gevel was geel, en de ramen waren net zo Zweeds als de ramen van Franse huizen Frans zijn en ramen van Britse huizen Brits’), knullig (‘Zijn geest was een amusementspark waar hij altijd terecht kon voor nieuwe sensaties’) of ronduit lelijk (‘Haar bloed jaagde door haar lichaam als een bezem die water van de stoep veegt’). De manier waarop ze een climax voorbereidt en vervolgens uit de weg gaat, is onmachtig: ‘Laat ik de hereniging niet beschrijven. Woorden maken alles maar banaal. Ik ben je dochter. Ik ben je vader. Ik heb je gezocht. Gemist. Van je gehouden, als dat tenminste kan als je iemand niet kent, iemand nooit hebt gezien. Ja, dat kan. Enzovoort.’


Een onbedoeld komisch effect heeft de uitwerking van de andere clou, omdat Slot hiermee de leeservaring van haar eigen roman samenvat: ‘Drie uur later had ze het boek uit. (…) Het was allemaal toch nog anders dan zij in de winkel, een paar uur geleden, had gedacht. De man die zij altijd voor haar vader had aangezien, was haar oom. De oom was haar vader. Ze had geen nicht, maar…’ Enzovoort.


Allemaal anders dan gedacht inderdaad, en des te meer opvallend anders aangezien de debuutroman van Slot, de bestseller Zuiderkruis (1999), zo mooi was. De schrijfster gaf in die roman niet zozeer blijk van een opvallende eigen toon of stijl, als wel van een krachtige hand van componeren en vertellen. Ze had ook een mooi thema te pakken, met het verlangen iemand écht te leren kennen. Het lukte haar daarmee iets obsessioneels in (vrouwen)vriendschap te beschrijven. De zoekende Emma in Zuiderkruis, de sporen volgend van haar overleden vriendin Floor, was een schrijnend geval van ‘If equal loving cannot be, let the more loving one be me’, de dichtregel van Auden die in Blauwbaard een paar keer wordt aangehaald.



HET FEIT DAT die dichtregel zo expliciet is opgenomen in Blauwbaard, is exemplarisch voor deze roman die het jammer genoeg moet hebben van verwíjzingen naar grootse zaken in plaats van die zelf te verbeelden. Omdat de personages en hun besognes niet genoeg tot leven komen, is het ondanks alle smeuïge ingrediënten zelfs geen lekker leesboek geworden. Slot last een aantal sprookjes in, maar nét niet op een manier dat ze een extra dimensie verlenen aan het verhaal.


Het kamertje van Blauwbaard blijft gesloten, sterker nog: ik heb dat hele kamertje niet ontdekt. De raadsels in een sinister sprookje zijn teruggebracht tot de beslommeringen in een doorzonwoning. Iemand die Zuiderkruis kon schrijven, kan beter.



Pauline Slot, Blauwbaard. Uitg. De Arbeiderspers, 267 blz., ƒ34,90