Anne frank, schrijfster

Ze wilde meer zijn dan een puber die een dagboek bijhield. Daarom schaafde ze haar aantekeningen bij tot een literair verslag van het onderduikbestaan. Niet vader Frank, maar Anne zelf schrapte al te persoonlijke fragmenten uit ‘Het Achterhuis’. De auteur is emeritus hoogleraar literatuurwetenschap aan de Portland State University in de Verenigde Staten.
EEN KLEINE VIJF jaar geleden ontstond bij de Amerikaanse uitgeverij Garland Publishers het plan een nieuwe serie uit te geven onder de titel Women Writers of the World. Men had professor Kristiaan Aercke, destijds verbonden aan de universiteit van de staat Wisconsin in Madison, bereid gevonden de bloemlezing Women Writing in Dutch te redigeren. Alle leden van de Amerikaanse Vereniging voor Nederlandse Studies kregen van hem een verzoek om bijdragen aan de bloemlezing en daaraan toegevoegd een lijstje met ongeveer twintig namen van Nederlandstalige schrijfsters, van de dertiende-eeuwse Hadewijch via Anna Bijns, de Roemers Visschers, Betje Wolff en Aagje Deken tot Eva Gerlach en Marie Stahlie.

Tot mijn blijdschap stond Anne Frank ook op die lijst. Hier werd Anne dus als schrijfster serieus genomen! Aangezien ik de eerste (of enige) was, die graag een bijdrage over Anne Frank wilde leveren, had ik de eer.
Ik heb Anne gekend. Mijn zusters en ik groeiden net als Anne en Margot op als emigrantenkinderen in de Amsterdamse rivierenbuurt. Onze ouders hadden reeds in Frankfurt tot dezelfde joods-liberale kringen behoord en vooral in de eerste bezettingsjaren kwamen de meisjes Frank nogal eens bij ons thuis. In 1947 was Otto Frank getuige toen mijn man en ik in het huwelijk traden.
Dat was ook het jaar waarin Annes Achterhuis voor het eerst verscheen, en destijds en nog een hele poos daarna leek mij het belangrijkste van dat boek dat het de spontane uiting was van een jong mens, een meisje dat zich ondanks de benauwdheid en de angsten van de onderduik trachtte te ontplooien en los te maken van haar ouders, op zoek naar haar eigen weg. Ik wist niet beter dan dat er maar een versie van Annes dagboek bestond en ook al waren er kleine afwijkingen in de Engelse en Duitse editie, toch heb ik altijd Otto Franks uitspraak dat hij ‘al het wezenlijke’ had gepubliceerd, voor bare munt aangenomen.
Pas na het verschijnen van de integrale, kritische editie van de dagboeken van Anne Frank, in 1986 - zes jaar na de dood van vader Frank - uitgegeven door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, gingen mij de ogen open. Daartoe aangezet door een oproep van minister Bolkestein via Radio Oranje op 28 maart 1944, had Anne besloten haar spontane aantekeningen te herschrijven met het oog op publikatie na de oorlog. Op 20 mei 1944 was zij met haar revisie begonnen. Toen zij en de zeven andere onderduikers tweeeneenhalve maand later werden opgehaald, had zij 324 bladzijden neergepend op een wijze die er geen twijfel over laat dat hier een schrijfster aan het werk was.
Annes herziene tekst staat in de integrale editie als 'tekst b’ onder haar oorspronkelijke ontboezemingen (de 'a-versie’) afgedrukt. Onderaan vindt men dan de door Otto Frank gepubliceerde 'c-versie’, dat wil zeggen zijn samenstelling uit de a- en b-teksten. Wie wil lezen wat Anne ter publikatie had bestemd, moet dus de omvangrijke kritische editie met het hele wetenschappelijke apparaat van de authenticiteitsstudies ter hand nemen, en dan proberen zich niet door de parallel gedrukte versies a en c te laten afleiden.
Terecht vraagt Chr. Blom op de opiniepagina in NRC Handelsblad van 14 mei 1988: 'Waar blijft nu de definitieve tekstuitgave van “Het Achterhuis”? Een volledige uitgave van de eindtekst zoals die door Anne zelf, als ze nog leefde, of door een eindredacteur logischerwijs zou zijn afgeleverd?’ Als oud-directeur van uitgeverij Contact, waar ruim veertig jaar tevoren de eerste editie van Annes dagboek was verschenen, kent de heer Blom uiteraard de publikatiegeschiedenis van dit inmiddels wereldvermaarde boek. Toch weet hij op zijn retorische vraag kennelijk geen antwoord en richt hij zijn aandacht liever op de zeer effectieve bewerking van de bekende Amerikaanse dramatisering van Annes dagboek door Mies Bouhuys.
In het herdenkingsjaar 1995, vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog en haar dood, is Annes eindtekst, het boek dus dat zij wilde publiceren, nog steeds niet verschenen. Wel was ervoor gezorgd dat een aantal evenementen de herdenkingen zouden profileren, respectievelijk ervan zouden profiteren, zoals de aangrijpende ooggetuigenfilm Anne Frank Remembered door de Britse documentairemaker Jon Blair, de blijkbaar zeer aanvechtbare Japanse tekenfilm van Takinori Yoshimoto, en het bezoek aan Amsterdam van liefst 26 Annes uit evenveel landen. En in de Verenigde Staten werd bij de herdenking van de bevrijding van het concentratiekamp Bergen-Belsen de Amerikaanse uitgave van de nieuwe Otto Frank/Mirjam Pressler-editie van Het Achterhuis op de markt gebracht. Deze was geheel ten onrechte voorzien van de schreeuwerige ondertitel The Definitive Edititon.
Waarschijnlijk is in Nederland voldoende bekend dat aan deze uitgave van Annes dagboekbrieven niets 'definitief’ is, integendeel, dat het allegaartje van oorspronkelijke, door Anne bij het herschrijven verworpen aantekeningen en haar zorgvuldig herziene teksten haar eigen intenties nog minder recht doen dan de eerste uitgave, destijds door haar vader verzorgd. Erger nog: in haar inleiding borduurt Mirjam Pressler voort op het sprookje dat Otto Frank vooral seksuele thema’s en Annes schampere opmerkingen over haar moeder had weggelaten en dat we nu, in onze meer verlichte tijden, eindelijk aan een vollediger tekst toe zijn, waarin het opgroeiende meisje Anne voor zich zelf mag spreken. Dat bevredigt de nieuwsgierigheid en de behoefte tot identificatie van een breed publiek. Het boek verkoopt dan ook goed en de uitgevers zowel als het Anne Frank-fonds in Bazel, dat achter deze editie staat, hebben er baat bij. De schrijfster Anne Frank wordt daardoor echter nog meer miskend.
DAT ZIJ DAT lot met anderen deelt, valt onder andere na te lezen in de autobiografie Weiter leben van Ruth Kluger (Wallstein, 1992). Deze in 1931 in Wenen geboren germaniste heeft de verschrikkingen van verschillende concentratiekampen overleefd. Ze vertelt in Weiter leben hoe een krant in 1945 brokstukken van haar twee Auschwitz-gedichten publiceerde, ingebed in larmoyant en vertederd journalistenproza. Kluger was verontwaardigd dat men haar niet serieus nam als jonge dichteres die Auschwitz had doorstaan en daar iets over te zeggen had. Het krenkte haar diep dat men in haar alleen het deerniswekkende kind uit het concentratiekamp zag dat aan het dichten was geslagen.
Gezien Annes zorgvuldig overwogen en uitgewogen herschrijving van haar oorspronkelijke teksten, zou ook zij zeer verontwaardigd zijn als zij wist hoe zij wordt gebruikt als symboolfiguur waarop miljoenen mensen hun schuldgevoelens en hun medeleven kunnen projecteren. Ook zou zij het als diepe krenking ervaren dat vijftig jaar na haar dood haar intenties als schrijfster nog steeds niet ernstig zijn genomen, ofschoon zij toch een gaaf fragment heeft achtergelaten.
Buigt men zich over de b-versie van de kritische uitgave van de dagboeken van Anne Frank om te zien of deze werkelijk op zichzelf kan staan, dan is het inderdaad moeilijk om niet naar de parallel gedrukte a-versie te kijken en er daarbij steeds weer van onder de indruk te raken met hoeveel zelfkritiek en literair inzicht de amper vijftienjarige Anne haar oorspronkelijke teksten heeft gereviseerd en aangevuld om er een boeiend en goed leesbaar geheel van te maken. Daarvoor zette ze haar hele schrijftalent en haar intensieve leeservaring in. De Amerikaanse letterkundige Sylvia Patterson Iskander van de University of Southwestern Louisiana heeft studie gemaakt van alle boeken die Anne gedurende haar onderduiktijd heeft gelezen. Naast de meisjesboeken van Cissy van Marxveldt nemen daarin vooral een aantal voortreffelijke biografieen een plaats in. Aan deze boeken heeft Anne kennelijk een voorbeeld genomen (zie Children’s Literature Quarterly, no. 13 en no. 16).
Annes gereviseerde manuscript begint twee weken voor de onderduik op 20 juni 1942 met een inleidende tekst waarin ze op effectieve wijze de belangstelling van de lezer weet te wekken door haar aspiraties als dagboekschrijfster te bagatelliseren. Ondanks haar populariteit voelt ze zich dikwijls eenzaam, reden waarom ze haar dagboek in briefvorm schrijft, daarmee een denkbeeldige vriendin Kitty aansprekend, bij wie ze haar hart kan uitstorten. Na een korte autobiografische schets volgt dan ook nog onder dezelfde datum het eerste 'Lieve Kitty’-epistel.
Slechts vier brieven heeft Anne in de herziene tekst nodig om haar nog redelijk leefbaar, maar toch sterk ingeperkt bestaan als joods meisje in het bezette Amsterdam van voorjaar 1942 te schetsen. Dat leventje eindigt met de viering van het einde van het schooljaar, op 3 juli in de Hollandsche Schouwburg, een plaats waaraan destijds nog geen deportatieschrikbeelden waren verbonden. In een prachtige compacte overgangstekst verhaalt de schrijfster hoe ze gedurende een korte wandeling met haar vader voor het eerst over de onderduikplannen wordt ingelicht en wat voor angsten dat vooruitzicht bij haar verwekt.
Enkele dagen later is het zover. Annes pakkende beschrijving over de consternatie die ontstond toen haar zestienjarige zus Margot op zondag 5 juli de oproep ontving zich voor werk in Duitsland te melden en van de snelle beslissing dat de hele familie de volgende dag zou gaan onderduiken, is bekend.
Otto Frank heeft Annes b-versie hiervan praktisch ongewijzigd in zijn editie van Het Achterhuis overgenomen, evenals haar nauwgezette schildering van de ligging en van alle vertrekken van het achterpand, die ook pas bij de revisie is ontstaan. Anne heeft met die schildering zeer bewust de basis gelegd voor haar latere dagboekbrieven, opdat de lezer zich een goed beeld kan vormen van de omgeving waarin zich haar onderduikervaringen afspelen en waarin zij zich al spoedig onder de druk der tijden tot een autonome persoon en tot een jonge schrijfster ontwikkelt.
ALS DE FAMILIE Van Pels ruim een week na de Franks haar intrek neemt in het Achterhuis, maakt Anne over elk familielid een korte, rake opmerking. Ze gebruikt dan de gelegenheid om meneer Van Pels te laten vertellen hoe hij had geholpen het gerucht te verspreiden dat de familie Frank waarschijnlijk naar Zwitserland heeft kunnen ontsnappen.
Anne toont een opmerkelijk observatievermogen en ze bezit de gave haar waarnemingen samen te vatten, waarbij ze dikwijls een korte dialoog gebruikt, zoals bij haar weergave van de ruzie tussen moeder Frank en moeder Van Pels over bescheidenheid. Deze eindigt in een prachtig genrestukje: 'Mevrouw (Van Pels) keerde terug en begon te kijven, hard, Duits, gemeen en onbeschaafd, precies als een dik, rood viswijf, het was een lust om te zien. Als ik tekenen kon had ik haar liefst in deze houding getekend zo grappig was dat kleine, malle, domme mens! Maar een ding weet ik nu en dat is dit: Je leert de mensen pas goed kennen als je een keer echte ruzie met ze gemaakt hebt, pas dan kun je hun karakter beoordelen!’
Een dergelijk beeld blijft de lezer bij, evenals Annes humoristische beschrijving van zichzelf als een 'eilandje tussen de bonengolven’ nadat een zak bruine bonen boven haar hoofd was opengebarsten. Daarnaast zijn er berichten over het toe nemend aantal deportaties van joodse kennissen en over de vreselijke toestanden in de kampen. Als de BBC over vergassing gewaagt, schrijft een verstoorde Anne: 'Misschien is dat wel de vlugste sterfmethode.’
Het groeiende gevaar voor joden leidt midden november 1942 tot het opnemen van een achtste onderduiker, tandarts Pfeffer, die nog meer hartverscheurende verhalen van de portaties weet te vertellen. Annes eigen gevoel van verlatenheid, van 'een grote leegte’ om haar heen, valt daarbij in het niet. Toch blijft het haar dwarszitten dat ze dikwijls niet begrepen wordt en ten onrechte op haar kop krijgt.
Inmiddels had Anne het merendeel van de beschrijvingen van haar uitbarstingen tegen haar moeder bij de herziening van haar teksten weggelaten. In het licht van de heersen de mythe is het interessant dat Otto Frank daar, bijvoorbeeld onder 3 oktober 1942, weer een gedeelte van in de c-versie heeft opgenomen. Hetzelfde geldt trouwens voor een opmerking van Anne over haar verlangen naar haar eerste menstruatie. Zij schrapte deze opmerking bij de herschrijving, maar vader Frank voegde haar onder 29 oktober 1942 weer aan de c-versie toe.
Wat mij bij nauwkeurige lezing pas opvalt en bijzonder irriteert, is het feit dat een lange b-tekst van Anne over haar verhouding tot haar beide ouders die qua inhoud en stijl tot een latere periode in haar rijpingsproces behoort en op zaterdag 30 oktober 1943 is gedateerd, in de c-versie - waarschijnlijk door onachtzaamheid - op zaterdag 7 november 1942 terecht is gekomen. In de integrale, vergelijkende uitgave wordt hier helaas niet op gewezen.
ANNES A-VERSIE uit de periode tussen Pfeffers komst en 22 december 1943 is, op een aantal losse aantekeningen na, niet bewaard gebleven. Otto Frank en later Mirjam Pressler konden zich voor deze dertien maanden dus praktisch alleen aan Annes herziene b-tekst houden. Mijns inziens komt dit de compositorische dichtheid en literaire kwaliteit van juist dit gedeelte van de bestaande edities ten goede. De herschreven teksten van deze periode bevatten al die aanschouwelijke genrestukjes die bij vele lezers van Het Achterhuis een blijvende indruk hebben achtergelaten.
Enerzijds gaat het hier om een systematische schildering van taferelen uit de dagelijkse routine van de acht onderduikers, geschreven in augustus 1943 (bijvoorbeeld de avond- en ochtendactiviteiten, het schaftuurtje en de middagtafel met geestige schetsjes van elk van de eters om de tafel), anderzijds om bijzondere episodes die deze routine doorbreken. Anne observeert nauwkeurig en vertelt ook hier weer met inzicht en humor, bijvoorbeeld over een tandheelkundige behandeling, maar ook over een luchtaanval. Haar 'Ode aan mijn vulpen’ is een klein juweel van autobiografische vertelkunst.
Ook de helpers worden liefdevol beschreven: 'Miep is precies een pakezeltje, die sjouwt wat af. Haast elke dag heeft ze ergens groente opgescharreld en brengt alles in grote inkooptassen op de fiets mee. Zij is het ook, die elke Zaterdag vijf bibliotheekboeken meebrengt. Wij kijken altijd reikhalzend naar de Zaterdag uit, omdat dan de boeken komen. Net als kleine kinderen, die een cadeautje krijgen. Gewone mensen weten niet, hoeveel boeken voor ons opgeslotenen betekenen. Lezen, leren en de radio zijn onze afleidingen.’
Daarnaast zijn er de ruzies - tussen Anne en haar moeder, tussen meneer en mevrouw Van Pels, tussen de familie Frank en de familie Van Pels en tussen deze laatste en meneer Pfeffer -, het voedseltekort en het nieuws van buiten, dat wil zeggen het oorlogsgebeuren. Op 27 maart 1943 schrijft Anne over de Duitse verordening die vereist dat de Germaanse landen binnen enkele weken van joden 'gezuiverd worden (alsof het kakkerlakken zijn)’. Op 8 november van hetzelfde jaar brengt zij de angst dat het Achterhuis niet lang meer een veilige oase zal zijn, bijzonder poetisch onder woorden. Een paar weken later ziet Anne in een angstvoorstelling haar schoolkameraadje Hanneli Goslar ver weg in een concentratiekamp om Annes hulp smeken. Zij uit haar diepe berouw over het feit dat zij deze goede vriendin ooit in de steek heeft gelaten en mijmert over het verschil in Hanneli’s en haar eigen lot.
Deze laatste tekst wijst op Annes groeiende kritische introspectie aan het eind van het jaar 1943. Was Anne er bij de herschrijving van haar aantekeningen over het jaar 1943 vooral op uit een aanschouwelijk beeld te geven van het dagelijks leven in het Achterhuis, in 1944 concentreert ze zich meer op haar zelfwording, op haar innerlijke mondigheid, op het losmaken van haar ouders. Haar stemming fluctueert tussen dankbaarheid voor haar relatief veilige bestaan in het Achterhuis en wrevel over het feit dat ze van haar onbezwaarde jeugd en van haar vrijheid is beroofd.
Prachtig schrijft ze naar aanleiding van het overigens zeer gewaardeerde kerstbezoek van de echtgenote van een van de helpers: 'Als iemand net van buiten komt, met wind in zijn kleren en de kou op z'n gezicht, dan zou ik wel mijn hoofd onder de dekens willen stoppen om niet te denken: “Wanneer is het ons weer gegund lucht te ruiken?” ’ Anne snakt ernaar zich jong en vrij te voelen, maar ze weet ook dat ze haar verlangen moet beheersen. De b- versie van haar tekst van 24 december 1943 beeindigt ze met de volgende woorden: 'Denk eens aan als we alle acht ons gingen beklagen of ontevreden gezichten gingen zetten, waar moet dat naar toe?’
OTTO FRANK VOND het blijkbaar zowel hier als verderop in de teksten nodig Annes herziene teksten weer aan te vullen met de door haar juist geelimineerde, meer larmoyante passages, en soms ook met passages uit andere aantekeningen. Daardoor gaat veel van de geslotenheid en compositorische opzet van Annes b-versie verloren. Vader Franks invoegsel betreft ook hier overigens weer door Anne geschrapte negatieve opmerkingen over haar moeder.
De lange aantekening van 5-6 januari 1944, door Anne geelimineerd, is door Otto Frank eveneens weer opgenomen. Hier gaat het over een psychische wond, ooit door moeder Frank aan Anne toegebracht. Voor de tekst van 2 maart 1944 geldt hetzelfde. Anne laat bij het herschrijven kritiek op de ouderen in huis, speciaal op haar moeder, vervallen. Otto Frank voegt het merendeel ervan weer aan de c-versie toe.
Nog curieuzer is het feit dat hij ook Annes spontane aantekeningen in de a-versie over haar ontluikende lichaam, over haar menstruatie en over haar 'verschrikkelijke behoefte’ om ’s avonds in bed haar borsten te bevoelen weer opneemt, terwijl die door Anne waren verworpen. Daarmee is dus de telkens herhaalde bewering dat Otto Frank speciaal die passages had weggelaten waarin Anne zich onredelijk over haar moeder uitte of waarin ze te openhartig over haar lichaam schreef, weerlegd.
Door welke principes of gedachtengangen vader Frank zich bij het samenstellen van de c-versie heeft laten leiden, is moeilijk te achterhalen. Speciaal in de teksten van de eerste maanden van 1944 greep hij telkens weer op Annes gevoelsuitbarstingen van de a-versie terug, terwijl Anne deze inmiddels deels had geelimineerd, deels in verhalen had verdicht. Reeds in 1943 had ze parallel met haar dagboekaantekeningen een aantal verhaaltjes geschreven, die voor een apart verhalenboek bestemd waren. Eind februari 1944 sublimeerde ze uit het visioen van haar geliefde oma (a- versie 29 december 1943) het troostrijke verhaal 'De schutsengel’ en kort daarna zette zij haar hevige verliefdheid op Peter van Daan om in 'Het geluk’ (beiden te vinden in Anne Frank, Verhaaltjes en gebeurtenissen uit het Achterhuis, uitgeverij Bert Bakker 1986).
Tegen de tijd dat zij haar aantekeningen van begin 1944 aan het herschrijven was, had Anne innerlijk heel wat doorgemaakt en had ze afstand genomen van haar hartstochtelijke genegenheid voor Peter. Op 13 juni noteert zij dat hij haar op vele punten teleurstelt en op 6 juni schrijft zij dat ze Peter zwak vindt, dat hij het zich te gemakkelijk maakt en dat hij helaas geen vast doel voor ogen heeft. Op 15 juli tenslotte gewaagt ze ervan dat ze veel over Peter peinst: 'Ik weet heel goed dat ik hem veroverd heb in plaats van omgekeerd; ik heb me een droombeeld van hem geschapen, zag hem als een stille, gevoelige, lieve jongen. (…) Nu houdt hij zich aan mij vast en ik zie voorlopig nog geen afdoend middel hem weer van mij te scheiden en op eigen benen te zetten.’ Met dit inzicht heeft Anne aan haar revisie gewerkt. Een groot aantal van haar dweperijen met Peter van nog geen half jaar eerder heeft zij niet in haar herziene versie opgenomen. Een klein aantal andere Peter-teksten heeft ze gewijzigd. Dat laatste geldt ook voor haar terugblik van 7 maart 1944, waarin ze zich innerlijk van haar ouders loszegt en in haar dappere beaming van het leven Peter niet meer noemt.
Vader Frank heeft dat allemaal teruggedraaid. Hij wilde kennelijk het beeld van zijn geliefde, kleine, ontstuimige Anne bewaren en wist zich met de meer objectieve, geestelijke zelfstandiger jonge schrijfster geen raad.
Zoals reeds vermeld, is Annes revisie door hogerhand met geweld afgebroken. Van de laatste vier maanden in het Achterhuis bestaat dus geen b-versie. Het is echter redelijk aan te nemen dat Anne, terwijl ze haar oude teksten aan het herzien en herschrijven was, ook haar lopende aantekeningen met het oog op het te publiceren boek op papier bracht. Op 4 april 1944 - dus terwijl ze nog zwanger loopt met het idee haar dagboekaantekeningen tot een boek om te werken - schrijft ze: 'Ik moet werken om niet dom te blijven, om vooruit te komen, om journaliste te worden, want dat wil ik! Ik weet dat ik kan schrijven, een paar verhaaltjes zijn goed, mijn Achterhuisbeschrijvingen humoristisch, veel uit mijn dagboek spreekt, maar … of ik werkelijk talent heb, dat staat nog te bezien (…) Ik ben zelf mijn scherpste en beste beoordelaar hier, ik weet zelf wat goed en niet goed geschreven is…’
De inbraak in het perceel aan de Prinsengracht op 9 april 1944 en het effect daarvan op de onderduikers heeft Anne buitengewoon boeiend beschreven. Zelfs ongereviseerd is het een klein meesterstuk, dat Anne weer sterk afsluit met de moedige beaming van het leven en van haar eigen innerlijk.
Natuurlijk komen er met de invasie van 6 juni hoop en ongeduld en angst voor militair geweld in Annes bestaan. Bovendien gaat haar innerlijke ontwikkeling tot de persoon die ze wil worden uiteraard gepaard met vallen en opstaan. Haar spontane aantekeningen zijn dus niet altijd evenwichtig. Het zal daarom niet gemakkelijk zijn om in de zin van Chr. Blom een bevredigende eindtekst voor de laatse vier maanden van Het Achterhuis samen te stellen. Toch wordt het hoog tijd dat belangstellenden eindelijk Annes b- versie, het boek dat zij had willen publiceren, als een zelfstandig stuk Nederlandse literatuur in handen krijgen.
DE INTEGRALE editie met haar paralleldruk van a-, b-, en c-versie blijft een onontbeerlijke uitgave voor tekstkritische studies. Men kan er Annes socialisatieproces uit aflezen, zoals Berteke Waaldijk en Denise de Costa van de afdeling Vrouwenstudies aan de Utrechtse universiteit hebben gedaan. Men kan er ook de ontwikkeling van Annes stijl in teruglezen, zoals ik dat voor het tijdschrift Levende Talen (januari 1994) heb gedaan. Dit soort ontwikkelings- of vergelijkingsstudies is wetenschappelijk interessant, net zoals het voor deskundigen boeiend is de schetsen van Van Gogh naast zijn daarop gebaseerde schilderijen te leggen. Ook de bestudering van de paralleldruk van Goethes Urfaust met zijn veel latere Faust I heeft ongetwijfeld belangwekkende resultaten opgeleverd. In beide gevallen is echter de wetenschappelijke interesse voor het wordingsproces gewekt door het als kunstwerk erkende eindprodukt.
Pas toen ik mij voor die Amerikaanse bloemlezing over Anne Franks dagboeken ging buigen, werd mij duidelijk dat de publikatiegeschiedenis van Het Achterhuis een anomalie is. Mijn conclusie: Nederlandse lezers die wel van literatuur houden maar zich niet noodzakelijkerwijs in vrouwenstudies of literatuurwetenschap willen verdiepen, hebben recht op een zo gaaf mogelijke eindtekst uit Annes hand. Anne Frank heeft er recht op dat men haar eindelijk als schrijfster serieus neemt.