Annemarie

Schoonheid is niets anders dan het begin der verschrikking. Ik heb het niet zelf bedacht, het komt van Rainer Maria Rilke. En ik had ‘t ook niet zo op kunnen lepelen als Michael Cunningham dit niet als motto had gebruikt voor zijn meest recente roman, Bij het vallen van de avond. Prachtig boek, dat een beetje ijl op gang komt maar allengs meer bij de keel grijpt.

Lijkt het verhaal zich aanvankelijk te ontpoppen als de klassieke tragedie van de man die zijn geordende leven op z'n kop laat zetten door een zins-begoocheling, tegen het einde wordt het nog erger, tragischer, pijnlijker. De zinsbegoocheling bleek niet eens een echte begoocheling; het gewone leven, in heel zijn comfortabele saaiheid, zal moeten worden hervat alsof er nooit iets is gebeurd, nooit iets is bedacht. Cunninghams galeriehouder Peter Harris zal zichzelf ten onder moeten laten gaan, ‘want kennelijk doet niemand anders het voor hem’.
Wat ook mooi aan het boek is: Cunningham heeft een relatief simpele manier om de contradictie aan te geven tussen wat iemand zegt en wat iemand denkt, en weet dat ook nog de schijn van gelijktijdigheid mee te geven. Het lijkt iets simpels, maar probeer het maar eens, zonder in looiige constructies te vervallen. Tot nog toe vond ik alleen Tim Parks daar erg bedreven in, met als ik me goed herinner zijn roman Judge Savage als hoogtepunt. Cunningham doet het op een meer transparante manier, zo transparant dat ik drie colleges nodig zou hebben om het uit te leggen. Kijk zelf gewoon maar, en pik dan meteen die typische New Yorkse atmosfeer mee waardoor je direct zou willen afreizen naar Mercer Street en daaromtrent.
Nog iets, en dan houd ik erover op: Cunningham biedt een aanstekelijk inzicht in wat zijn hoofdpersonage voor werk doet, hoe zijn werkdag eruitziet, inclusief de mails, de telefoontjes, de lunches, de ergernissen en de dagdromen. Zonder dat dat grauw realistisch wordt. Het omgekeerde gebeurt: de hele dagelijkse santenkraam rijst op in een betekenisvol licht.
Interessante verzuchting van Peter Harris bijvoorbeeld - en dan houd ik er écht over op, ik wilde het over Boer zoekt vrouw hebben - vond ik zijn verwondering over het verband tussen succes en waardering van een kunstenaar. Klinkt als nogal wiedes, maar dat is het dus niet, weet ik ook uit de boekenwereld. Heeft een schrijver eenmaal een bestseller gescoord, dan worden al zijn onopgemerkte boeken van daarvoor opnieuw gewogen. En die lijken dan opeens ook allemaal eigenlijk al heel goed. Denk bijvoorbeeld aan hoe dat met Tommy Wieringa en met Jan Siebelink is gegaan. Sterker nog: kijk hoe het met hun pennenvruchten ná hun bestseller gaat. Cunningham beschrijft dit fenomeen zo: ‘Wat Peter verbaast is de manier waarop het werk zelf lijkt te veranderen, min of meer zoals een betrekkelijk mooi meisje opeens als schoonheid wordt behandeld.’ Hij geeft het voorbeeld van actrice Renée Zellweger, die inderdaad niet echt voor een ongecompliceerde schoonheid kan doorgaan. Maar ja, dan toch die zilveren jurk aan en op de cover van Vogue, et voilà, het lijkt wel alsof we hier met een beauty queen te maken hebben.
Dit lijkt mij ook een kwestie van mimetische begeerte, een verschijnsel waarvan ik voor het eerst hoorde toen ik Willem Jan Otten een tijdje geleden interviewde. Hij had het weer van de filosoof René Girard. Zoals Otten het mij uitlegde: ‘Als je op iemand valt en in een soort acute begeerte vervalt, is dat heel vaak omdat iemand ánders tegen je zei: “Wat een mooie vrouw is dat.” Je zit met een vriend op een terrasje en je ziet zijn blik afdwalen naar een vrouw, en aan zijn blik zie je dat het belangwekkend is wat hij ziet. En dan heb je eigenlijk zijn blik al op. En dan dénk je dat het objectief door haar geweldige schouders komt.’
Ik vond het een eyeopener. Snapte opeens heel veel. Bijvoorbeeld waarom in kleding-zaken vrouwen altijd met een schuin oog kijken naar de buit die jij meeneemt je pashok in. Maar ook waarom ik opeens meer m'n best ging doen voor een potentiële vriendin nadat iemand anders haar ‘een mooi en lief mens’ had genoemd. En dan natuurlijk Boer zoekt vrouw. Een formule die lijkt te bestaan bij de gratie van mimetische begeerte. Anders is het niet te verklaren waarom al die vrouwen zich gretig in de slag werpen om dezelfde man, die in veel opzichten toch niet onmiddellijk de hoofdprijs lijkt. En wat bezielt de mannen die om de hand van Annemarie, de enige vrouwelijke boer, dingen?
Aah, Annemarie.
Ik kijk naar haar met m'n kinderen en we zeggen ‘t om het hardst. Aah…
'Ze heeft zo'n ontroerend gezicht’, zegt m'n dochter. ‘Ik denk altijd dat jij er vroeger ook zo uitzag.’
‘O’, zeg ik. Ik kom in een orkaan van gedachten terecht. Cunningham zou er wel raad mee weten. Ik even niet.