Aarde, wees niet streng
voor deze vrouw die honderd sleutels had,
nu zonder reiskompas een pad aftast
en hier haar eerste nacht doorbrengt.

Met de indringende woorden van Menno Wigman, uitgesproken door schrijver en vriend Adriaan van Dis, eindigde op de Haagse begraafplaats Oud Eik en Duinen de herdenkingsceremonie ter ere van Annemarie Cottaar. De herfstzon streelde voorzichtig haar laatste rustplaats onder de eikenboom. Eerder die middag scheen de zon geregeld fel door de ruiten van de oude fabriekshal waar het leven van Annemarie gevierd en geëerd werd.

Terwijl de eerste dierbaren afscheid namen, fluisterde Malika die achter mij zat: ‘Laten we straks gezamenlijk al fatiha bidden.’ Ik kende Malika, sinds jaar en dag de Marokkaanse huisvriendin van Annemarie en haar echtgenoot Wim Willems, vooral van de verhalen. Hoe ze wandelden over het strand van Larache, de geboortestad van Malika, en samen Marokkaanse amandelkoekjes bakten in de Haagse keuken van Wim en Annemarie. Een week voor haar overlijden had Annemarie gesnakt naar harira, die Malika met liefde voor haar bereidde.

Even later stonden we met opgeheven handen voor de gesloten rieten kist waarin Annemarie lag opgebaard het openingsvers van de koran te prevelen. Surinaamse en Chinese vrienden waren ons voorgegaan en eerden Annemarie met hun eigen gebedsrituelen. Het was vertrouwd en vanzelfsprekend. Annemarie bestudeerde niet alleen hoe verschillende bevolkingsgroepen samenleefden, ze trok ook samen met hen op.

De zoektocht naar de sporen die migranten nalaten in hun nieuwe vaderland loopt als een rode draad door het werk van de Haagse historica die in 1955 in Amsterdam werd geboren. Samen met haar Wim schreef ze over de beeldvorming over Indische Nederlanders (1984), maar ook over het beeld van Nederland door de ogen van verschillende migrantengroepen (1989). In 1996 kwam haar proefschrift uit over de geschiedenis van woonwagenbewoners in Nederland. Over zigeuners en andere mensen van de reis zou ze vaker schrijven, samen met Wim Willems en goede vriend en historicus Leo Lucassen.

‘Er valt geen volwaardige nationale geschiedenis te schrijven als de rol van nieuwkomers ­­onder­belicht blijft’

In Ik had een neef in Den Haag (1998) beschreef Annemarie de Haagse migratiegeschiedenis in de negentiende en twintigste eeuw. In 2003 volgde Zusters uit Suriname, een prachtig boek over hun naoorlogse belevenissen in de Nederlandse verpleging. Drie jaar later kwam Indisch leven in Nederland uit, opnieuw een boek over Indische Nederlanders, maar deze keer vanuit het perspectief van de nieuwkomers. Haar indrukwekkende collectie sloot ze in 2010 af met een boek over Chinatown in Den Haag (samen met Wim Willems en Kai Yin Or).

Aan de basis van al deze boeken stond het levensverhaal van migranten. In woord en beeld bracht ze hun geschiedenis tot leven. Ze gaf migranten een gezicht en een stem. Daarmee vereeuwigde ze hun bestaan in de Nederlandse geschiedenis. Keer op keer benadrukte Annemarie het belang van een gemeenschappelijk verleden. Niet alleen voor migranten en hun nakomelingen, maar ook voor het land dat hen opnam. In haar woorden: ‘In feite valt geen volwaardige nationale geschiedenis te schrijven als de rol en functie van nieuwkomers onderbelicht blijft.’

We ontmoetten elkaar voor het eerst in 2006 in mijn eerste jaar als promovendus aan de Leidse universiteit. Ik sloot me aan bij de Marokkaanse spoorzoekersgroep onder de bezielende leiding van Annemarie. De verzamelde foto’s en verhalen mondden uit in een boek over de Marokkanen van het eerste uur (Marokkanen in Nederland: De pioniers vertellen, 2009). Het was Annemarie die op basis van secuur archiefonderzoek de Nederlandse werving in Marokko reconstrueerde, en daarmee afrekende met de dominante aanname, ook onder migratiewetenschappers, dat de Rif een belangrijke wervingsplaats was.

Van Annemarie – en ‘huisredacteur’ Wim Willems – leerde ik de fijne kneepjes van het vak. Als geen ander verstond zij de kunst om het kleine groot te maken. Ze was een verhalenverteller, wars van sentimentaliteit en gezegend met een vlotte pen. Zo’n historicus wilde ik ook zijn. Ik ben er ongelooflijk trots op dat mijn naam naast de hare op het omslag prijkt.

Behalve mijn wetenschappelijke mentor was Annemarie ook een dierbare vriendin. Bij haar kon ik mijn frustraties kwijt over de universiteit, uithuilen en vooral heel veel lachen. Van alle conferenties die we bezochten, blijven vooral de etentjes en de lange gesprekken me voor altijd bij. Ze was gul met haar tijd, raad en reistips. Ons verblijf in de Rif in de zomer van 2009 zal ik nooit vergeten. Geef ons maar Marrakech!

Annemarie overleed op 66-jarige leeftijd aan de gevolgen van longvlieskanker. In 2011 hoorde ze dat ze ongeneeslijk ziek was; op 6 oktober 2021 blies ze haar laatste adem uit. De afgelopen jaren heeft Annemarie volop geleefd, gereisd en nieuwe vriendschappen gesloten. Het heeft haar leven en dat van haar dierbaren enorm verdiept. Maar altijd zat de dood haar op de hielen. Haar vroege dood is een groot verlies. Het is een troost te weten dat haar rijke nalatenschap voor vele migranten en hun (klein)kinderen een onuitputtelijke bron van inspiratie en schoonheid zal zijn.