Annet Nieuwenhuijzen 7 november 1930 – 5 augustus 2016

Ze vond van zichzelf zelden iets goed. En het moest altijd samen. Toneel is immers de kunst van het ensemble, niet van sterren.

Ze is zonder acteeropleiding recht vanuit een studentenvoorstelling het beroepstoneel binnengekomen. Haar eerste regisseur, Elise Hoomans (1914-1991), een grande dame van het naoorlogse theater, benoemt al in 1953 wat kenmerkend is gebleven voor het toneeltalent van Annet Nieuwenhuijzen: ‘Ze lijkt onuitputtelijk in haar kracht. Ze is sterk in de vormgeving van haar spel, met dat tengere lijf en die wat hese stem. En ze blinkt uit door haar intelligentie en werkdrift.’ Twee ensembles willen haar in 1953 meteen binnenhalen. Het wordt de Haagsche Comedie. Voor een salaris van veertienhonderd gulden bruto. Per jaar.

De seizoenen in Den Haag, Arnhem, Rotterdam en Eindhoven (tussen 1953 en 1974) zijn vormend. En leerzaam. Van Cees Laseur (in Den Haag) en Richard Flink (in Arnhem en Rotterdam) leert ze een doelgerichte timing. Het oogsten begint in Amsterdam. Bij het Publiekstheater, het gezelschap van haar andere belangrijke regisseurs, Ton Lutz en Hans Croiset. Lutz maakt haar erop attent dat suggereren in het toneel effectiever werkt dan tonen en uitspelen. Het gevecht tegen tranen is dramatisch werkzamer dan gesnotter. Hans Croiset geeft haar vertrouwen en ruimte om in volle vrijheid te blijven zoeken. Croiset: ‘Annet Nieuwenhuijzen is nooit tevreden. Echt nooit! Op het monomane af blijft ze zelfkritisch. Een compliment verdwijnt bij haar in het niets. Ze weet zelf immers donders goed wat er fout was. Ik word altijd geraakt door haar stem. Die heldere sopraan die flinterdun over de tekstnoten scheert. Nieuwenhuijzen is een fenomeen. Ze heeft nog nooit twee rollen op dezelfde manier benaderd.’

Dat vliegensvlugge accelereren in haar rollen heeft ze uit haar begintijd meegebracht, uit de jaren in Den Haag vooral. Ze komt tijdens repetities met een overdaad aan aanbod, dat daarna wordt afgepeld. Daarover zegt ze zelf: ‘Dat pellen gebeurt organisch. Je gaat naar een innerlijke kern. Je begint je in dat stadium af te vragen wat de auteur gezien en gehoord heeft bij het schrijven van het personage. Het duurt vrij lang tot je iets van zekerheid hebt, een lijn, een vorm. Daar kun je op bouwen. Welke Medea ga ik spelen? Of welke kant van Medea?’

In een van haar mooiste voorstellingen (De goede mens van Sezuan van Bertolt Brecht, regie: Hans Croiset, Publiekstheater, 1975), werd dat pellen een wild en intens avontuur. In dat stuk wil de titelfiguur, het Chinese hoertje Shen Te, vooral goed doen naar de mensen om haar heen. Maar ze raakt daardoor in ernstige problemen. Om die op te lossen verzint ze een trouble-shooter, de kille en zakelijke neef Shui Ta, die ze zelf speelt, in vermomming. De botsing tussen het in een volmaakte moraal gegrondveste personage van de ‘goedmens’ Shen Te, tegenover de pragmatiek van de keiharde realist Shui Ta, dat is de kern van de rol, dat is de harde uitdaging in dit vileine stuk van Brecht. Annet Nieuwenhuijzen steeg in die onmogelijk mooie rol ver boven zichzelf uit. Ze kreeg er de hoogste toneelprijs voor, de Theo d’Or. Haar tweede. En vooral veel erkenning van haar publiek. En van haar collega’s. De voorstelling was namelijk ook een hoogtepunt van het volkse ensembletoneel dat het Publiekstheater wilde brengen.

‘Ze is nooit tevreden. Echt nooit! Op het monomane af blijft ze zelfkritisch'

In de verfilming door Frans Weisz van de familietrilogie die Judith Herzberg schreef over hoe de oorlog doorwerkt in de levens van een grote familie – filmtitels: Leedvermaak – Qui Vive – Happy End – speelt Annet Nieuwenhuijzen de oorlogsmoeder uit de onderduik, die het joodse kind Lea, geboren in 1941, grootbracht en weer af moest staan, nadat de ouders, Ada en Simon, uit het kamp waren teruggekeerd. Riet heet die onderduikmoeder, en het is een complex personage. Heldin natuurlijk, want enorm goed in de oorlog, tot nog heel lang ná de oorlog op een voetstuk gezet. Haar man ging meteen na de oorlog bij haar weg, ze zit boordevol verdrongen verdriet en opgepotte rancune, onbegrepen (zelf)haat. Ze koestert een nogal overtrokken interesse voor het jodendom. En strooit, zonder het zelf in de gaten te hebben, in het rond met antisemitische uitglijders, die haar, bijna ondanks zichzelf, nonchalant lijken te ontsnappen. Wat weer tot pijnlijke en bijzonder geestige scènes leidt. Het is een personage dat je bijvoorbeeld in Duitsland, waar de trilogie van Judith Herzberg vaker wordt gespeeld dan hier, aan acteurs (en publiek) vrij moeizaam uitgelegd krijgt. Welnu, ook deze Riet is een fijn geslepen (in de dubbele betekenis van dat woord) acteerdiamant binnen het oeuvre van Annet Nieuwenhuijzen geworden. Ze kreeg er in 1989 terecht een Gouden Kalf voor.

In Amsterdam maakte ze nog net mee hoe ‘haar’ Publiekstheater opging in een nieuw ensemble, Toneelgroep Amsterdam, onder leiding van Gerardjan Rijnders. Ze speelde mee in zijn ‘montagevoorstelling’ Bakeliet. Haar tweede optreden onder Rijnders was tevens het laatste, in zijn woeste bewerking van Shakespeare’s Titus Andronicus, onder de titel Titus, geen Shakespeare, najaar 1988: de ‘rol’ van de nationaal-socialistische oorlogsweduwe Rost van Tonningen. Iedere avond reageerde ze geïmproviseerd op het nieuws van die bewuste dag. Tijdens de laatste actieve jaren aan het toneel speelde ze in 1997 bij Het Toneel Speelt de hoofdrol in Een sneeuw van Willem Jan Otten. Ze vertolkte (in de regie van Albert Lubbers) de merkwaardige, koppige Mevrouw Quint. En dat was precies dezelfde rol die haar eerste regisseur en ontdekker, Elise Hoomans, in 1983 speelde toen dit stuk in wereldpremière ging. In de regie van… Ton Lutz. Op de een of andere manier leek er toen een aantal cirkels rond.

Annet Nieuwenhuijzen stierf op 5 augustus 2016. Ze is 85 jaar geworden.


Beeld: 1995 (Kippa / ANP)