Annie en frederic

Prof. Frederic Carel Gerretson (1884-1958) was een geniale gek, die bij voorkeur in het verborgene opereerde. Overdag verkocht hij, in naam van de Christelijk-Historische Unie, zijn reactionaire praatjes in de Eerste Kamer. ‘s Avonds schreef hij, uiteraard anoniem, de hoofdcommentaren ('Gevaarlijk gebabbel!’, ‘Geknoei en slonzigheid!’) van De Telegraaf. Hij had in 1911 een excellente bundel gedichten, Experimenten, gepubliceerd.

Ongepubliceerd bleven zijn scabreuze Priapaeën, dichtwerk van een erotische losbol, die zich van de tale Potgieters bediende: ‘De wondre bloei tussen de fulpen blaên, prangde terstond mijn veegen staf tot staan. Gij loech en streeldet peinzend mijne klooten, en hebt besmuikt Uw purpern knop begoten.’
Zou de eerbare Annie Salomons (1885-1980), schrijfster van de beroemde portrettenbundel Herinneringen aan schrijvers die ik persoonlijk heb gekend (1968), weet hebben gehad van de verzensmedende dubbelidentiteit van de man die zij reeds in haar eerste zin 'mijn oudste vriend’ noemde? Waarschijnlijk niet. Wèl had zij weet van ’s mans neiging tot intrigeren ('maar nooit ten eigen bate’) en zijn verslaafdheid aan pseudoniemen, bij voorkeur 'Colijn’ of 'De Savornin Lohman’.
Er was in die jaren maar één manier om Willem Drees sr. kwaad te krijgen: het noemen van de naam Gerretson. Drees was voor Gerretson de belichaming van het kwaad, als socialist èn de man die Ons Indië had verkwanseld. Drees, normaal gesproken de gematigdheid zelve, constateerde dat Gerretson tijdens het interbellum 'met de fascisten gelieerd’ is geweest - 'Dat irriteerde mij later wel, als hij weer eens een verschrikkelijk hoge toon voerde.’
Maar Annie Salomons betoonde zich in haar, twintig pagina’s omvattende portret daarentegen buitengewoon mild. Zij herkende in Gerretson 'een briljant intellect, een moeilijk te doorgronden austère karakter; een geest, die zou uitgroeien tot een van de belangrijkste van Nederland’. Bovendien was hij 'geniaal’, stak hij in de senaat 'briljante redevoeringen’ af en was hij bovenal een meester in 'the gentle art of making enemies’. Daarom hing in de volksvertegenwoordiging een 'sfeer van vijandigheid en argwaan’ om hem heen. Terecht of ten onrechte? Ten onrechte, vond Annie Salomons. 'Ik vind het telkens weer náár, als goede, betrouwbare mensen me verzekeren, dat hij niet eerlijk was. Ik probeer hun uit te leggen, dat de waarheid voor hem een ander gezicht had dan voor hen; dat hij een eigenaardige gecompliceerde geest had, die nooit voor de hand liggende conclusies trok; die nooit rechttoe, rechtaan werkte, maar langs boeiende kronkelwegen een oplossing zocht.’
Het is een vreemde lofzang, afgestoken door een schrijfster die over al haar andere geportretteerden - Willem Kloos, Lodewijk van Deyssel, Frans Coenen, Carry van Bruggen - een tamelijk pertinente mening had.
Hoe komt het dat de immer kritische Annie Salomons over die rare snijboon van een Gerretson geen kwaad woord kon horen? Het antwoord op deze vraag staat in het laatste nummer van het tijdschrift De Parelduiker. Wij hadden het kunnen vermoeden, maar niet kunnen weten, want beiden hebben er tot hun dood over gezwegen.
Zij waren natuurlijk minnaars.