Anschwellender mordsgesang

Drie jaar na zijn omstreden essay ‘Anschwellender Bocksgesang’ brengt Botho Strauss nu het toneelstuk ‘Ithaka’ op de planken. Is het de dramatisering van zijn pleidooi voor een grote schoonmaak onder het linkse rapaille of is het gewoon een slaapverwekkende requiemtekst voor het Duitse theater? Loek Zonneveld doorstond de wereldpremiere.
MUNCHEN - ‘Lieve Odysseus, stop! De oorlog is voorbij. Zeus heeft het besloten, de hoge heerser in de hemel. Staak je gebrul als bloeddorstig krijger. Wij beschikken over wat rechtvaardigheid is. Uit het geweten van het volk wordt moord en misdaad gewist. Heerser en onderdanen houden van elkaar, zoals vroeger. Daaruit groeien welzijn en de vervulling van vrede voor de mensheid.’

Dat zijn de slotregels van Botho Strauss’ nieuwste toneeltekst Ithaka, uitgesproken door de godin Pallas Athene. Op een terras tegenover de Beierse Staatsopera prik ik gapend in Nurnberger Rostbratwurstl auf Weinkraut. In de kantlijn staat bij deze passage sinds de eerste lezing al: ‘Botho Strauss for President!’ De klokken van de Frauenkirche slaan vijf keer. Over een uur begint de premiere van Ithaka in de Munchner Kammerspiele. 'Spieldauer: funf Stunden - eine Pause’, meldt het programmaboek dreigend. Bruno Ganz speelt Odysseus. Naast hem staan 35 acteurs en actrices uit het ensemble en evenzoveel figuranten. Critici uit heel Europa hebben hun vakantie voor deze premiere onderbroken. De ober ruimt mijn tafel af en informeert of Ithaka een Grieks recept is. Op mijn mededeling dat het een toneelstuk betreft, antwoordt hij: 'Muss doch was blodes sein.’
OP 8 FEBRUARI 1993 publiceerde Der Spiegel Botho Strauss’ essay 'Anschwellender Bocksgesang’. Als men de moed en het geduld had om zich door de cryptische Wort & Satz-schlange heen te vreten, bevatte het essay ongeveer de volgende mededelingen: (1) De generatie van 1968 - Strauss’ eigen generatie, maar der Botho steht daruber - heeft met haar verzet tegen autoriteiten en het opschroeven van de tolerantiegrens de weg vrijgemaakt voor het geweld waar we in de jaren negentig onder gebukt gaan, de 'lelijke vrucht van een afgedwongen, libertair en psychopathisch antifascisme’. (2) De linkse opstandelingen van 1968, benevens de naapers en niet te vergeten de nakomelingen (het tuig van de richel dat vandaag de dag de straat bevolkt) heeft de wereld van allerlei waardevolle tradities beroofd ('links heeft geen gevoel meer voor het tragische’) en haar overgeleverd aan oppervlakkigheid, mediageilheid, sport & seks. (3) Het sleutelwoord van Strauss’ essay is: Limit-Diktum. Dat is een deftige manier om te zeggen: tot hier en niet verder. Links moet vanaf nu zijn grote mond houden. Rechts is aan de beurt om orde op zaken te stellen. Het gezonde verstand komt via 'der Rechte - in der Richte: ein Aussenseiter’ - vrij vertaald: de redding komt van rechts, maar dan in de juiste richting wijzend, verwoord door een buitenstaander, als het even kan door een dichter.
Van de opwinding over Strauss’ 'Anschwellender Bocksgesang’ heb ik indertijd weinig meer begrepen dan dat de Duitse intelligentsia schrok van een linkse collega die opeens rechts was geworden, een verschijnsel waaraan ik toen net begon te wennen. Verder was ik het erg eens met de Nederlandse schrijver Jacq Vogelaar. Hij citeerde een 'beroemde’ zin uit Strauss’ essay: 'Ik zie slechts een gradueel verschil tussen een gesprek in een tv-show en een verhoor in een showproces: de manier waarop de aangeklaagde wordt voorgeleid.’ Vogelaars commentaar: wie zoiets uit zijn pen krijgt is of ziek, of gek, of heeft ieder gevoel voor verhoudingen verloren.
Als toneelschrijver was ik Botho Strauss toen al enige tijd kwijt. De grootmeester in het portretteren van zwervende eenlingen die hun wereld niet meer begrijpen (Gross und Klein), de registrator van de turbotaal van leeghoofdige yuppen (Kaldewey Farce), verslikte zich in de afgelopen jaren in zijn eigen metaforen, van de Duitse adelaar uit Schlusschor tot de boogschietende en diepzinnige teksten prevelende dame in Das Gleichgewicht. In zijn essay 'Anschwellender Bocksgesang’ bepleitte Strauss de inrichting van kweekplaatsen voor 'geinspireerde rebellen’; hij noemde die plekken 'magische oorden van afzondering’. Kijkend naar zijn recente toneelwerk waande ik me meestal in slaapverwekkende oorden vol autisme. Botho Strauss leek met helemaal niemand meer te communiceren.
HET WAS OPNIEUW het weekblad Der Spiegel dat in juli 1996 het gerucht verspreidde dat er met Strauss’ nieuwste toneeltekst iets belangwekkends aan stond te komen. De auteur zou uit zijn 'Anschwellender Bocksgesang’ theater hebben gecreeerd. De Trojaanse held Odysseus maakt schoon schip, hij is die 'Rechte-Richte Aussenseiter’ die het loze lawaai van de vrijers in Homeros’ epos definitief tot zwijgen brengt: een groots geensceneerd moord- & doodslagspektakel, met de quasi-democratische linkse patjepeeers als slachtoffers. Het stuk heet Ithaka, de wereldpre miere is voorzien bij de Munchner Kammerspiele (het stadsgezelschap van de Beierse hoofdstad), regie voert intendant Dieter Dorn. Het eigen theater aan de Maximilianstrasse is voor de repetities een aantal maanden achtereen vrijgehouden (ter vergelijking: Gerardjan Rijnders maakt een nieuwe produktie en de Amsterdamse Stadsschouwburg gaat twaalf weken potdicht). De lokale ster Helmut Griem weigerde de hoofdrol van Odysseus ('aus politischen Grunden’). Zijn opvolger Bruno Ganz heeft - opnieuw via Der Spiegel - ook al het nodige op de tekst van Ithaka aan te merken: sommige teksten krijgt hij niet uit zijn bek.
De repetities voltrokken zich in het diepste geheim, bij Vorauffuhrungen werd journalisten de toegang ontzegd. Alle Duitse kranten kwamen met uitgebreide voorbeschouwingen. Alleen de Berlijnse taz had de tekst van het stuk gelezen en waarschuwde in haar kolommen voor een theatrale coup d'etat uit de rechterflank. Het gezelschap verspreidde het gerucht dat er op de premiere vierhonderd critici uit heel de wereld aanwezig zouden zijn. Op de premiere-avond zelf kregen we een vlugschrift in handen gedrukt, ondertekend door de directie van de Munchner Kammerspiele, waarin ons werd meegedeeld dat er die avond helaas veel persmensen en toneelspelende collega’s en maar weinig 'gewoon’ publiek zou zijn - dat u het maar weet, en dat het u niet moge afschrikken. Het verhaal van die 'vierhonderd critici’ lijkt onzin. De opwinding blijft.
HET TONEELSTUK Ithaka - aldus Botho Strauss in zijn voorwoord - moeten we ons voorstellen als een lezer die opkijkt uit Homerus’ boeken en die zich een leeg toneel fantaseert. 'Dies ist eine Ubersetzung von Lekture in Schauspiel.’ De 'vertaling van lectuur naar toneel’ betreft de zangen dertien tot en met vierentwintig uit Homerus’ Odysseus. De held van Troje keert na twintig jaar terug in zijn vaderland, Ithaka. Daar waande men hem dood. Elf vrijers dingen naar de hand van zijn vrouw, Penelope. Odysseus vermomt zich als bedelaar, ontmoet zijn zoon Telemachos en bedenkt met hem een list om zich in een klap van al die vrijers te ontdoen: een weddenschap waarin Odysseus’ legendarische boog moet worden gespannen. Geen vrijer heeft daartoe de kracht. Odysseus zelf spant de boog, maakt zich bekend en schiet het geteisem af. Daarna wordt hij verenigd met zijn vrouw (die hem pas wil herkennen nadat hij haar vertelt over de precieze constructie van hun huwelijksbed). De nabestaanden van de vrijers openen vervolgens de jacht op Odysseus, de goden grijpen in, iedereen sluit vrede met iedereen.
Dat is ongeveer het verhaal van Homerus, dat is ongeveer het verhaal dat Botho Strauss in Ithaka keurig navertelt. En daar begint ook een van de problemen bij dit stuk en bij deze voorstelling. Was het niet mogelijk geweest - bedacht ik naief - de zangen dertien tot en met vierentwintig uit Homerus’ Odysseus door de Munchner Kammerspiele over de post toegestuurd te krijgen? Met de strenge opdracht ze te lezen. Eventueel op een Munchens terras, met Nerenbergse worstjes op een bedje van Weinkraut. De prangende vraag is: hadden we in dat geval iets meer gemist dan een opgewonden gezelschap Duitse intellectuelen, bijeengepropt in een schouwburg?
We hadden in ieder geval het prachtige effect gemist waarmee de voorstelling opent. Het ronde, licht hellende speelvlak is over de eerste rijen van het auditorium heen gebouwd, het heeft een dak dat even groot en rond is, achter is een ruw houten muur met vijf poorten - en daar weer achter zien we het wit uitgelichte toneelhuis. Midden op het toneel staat een standbeeld van de godin Pallas Athene - een vrouw met een helm en een speer. Als het zaallicht dooft komt er een onrustbarend gegrom uit het toneelhuis. Iemand morrelt aan de vloer. Het beeld van Pallas Athene valt naar voren en breekt in stukken. Uit het luik onder het standbeeld komt een androgyne, slanke vrouw te voorschijn. Uit de resten van het gebroken beeld zoekt Pallas Athene (Sibylle Canonica) drie brokstukken: pols, sleutelbeen en knie. De aanduidingen van de drie vrouwen die het koor van Ithaka vormen. De dames Pols, Sleutelbeen en Knie betreden het speelvlak in zwarte partyjurken, waarin - jawel - de pols, het sleutelbeen en de knie zijn vrijgelaten (later dragen de dames op die plaats een gouden sieraad). Zij zullen de handeling hedenavond van commentaar voorzien.
Ondertussen hebben we ook met Penelope kennisgemaakt. Van het twintig jaar wachten op Odysseus is ze moddervet geworden. In de eerste scenes stijgt Penelope hydraulisch uit de toneelvloer op. Zoals in scene vijf, alleen, in een wit bed. Penelope: 'Ik kan niet slapen, bed! Kom op met je wraak! Verscheur me. Ja. Doe het. Verscheur me toch, jij wit beest. Duizend nachten, duizendmaal slapeloosheid als voedsel naar me toegegooid. (…) Onderbreek me niet. Jij kreunend lijk! (brult) Ik kan niet slapen!.’ Het ranke lichaam van Gisela Stein, de Kitty Courbois van Munchen die met het reciteren van het telefoonboek nog volle zalen zou oogsten, is in omvang verdrievoudigd. Ze heeft een pruik die haar nagenoeg onherkenbaar maakt. Ze doet in deze scene erg haar best om met zwaar beringde handen iets sensueels tussen die volumineuze dijen te verrichten. Maar niets van dat alles neemt de wanhoop uit haar ogen weg. Die wanhoop zegt alleen: 'Mein Gott, was macht mann aus diesem Scheisstext!?’
HET EERSTE optreden van Odysseus (Bruno Ganz) hebben we dan net achter de rug. Hij arriveert in zijn vaderland en wordt opgevangen door de varkenshoeder Eumaios. Die waant Odysseus dood, ziet in de vreemdeling niets meer dan een ordinaire bedelaar, en vertelt hem wie in Ithaka vandaag de dag de dienst uitmaken. Dat zijn de vrijers van Penelope, Odysseus’ vrouw. De varkenshoeder: 'We worden geregeerd door genotzucht. Sport. Praal. Luie jonge types. Niemand onder hen heeft enige koninklijke uitstraling. Odysseus kennen ze alleen nog uit de verhalen van hun ouders. Het volk mort en dringt aan op beslissingen. Het wil eindelijk eens geregeerd worden, het maakt niet uit door wie. (…) Er heerst onrust onder het volk, iedereen wil dat via sterke wetgeving een eind aan de willekeur wordt gemaakt. Anders krijgen we hier een burgeroorlog.’ Varkenshoeder Eumaios ziet er uit als een besnorde Ossi. Hij betreedt het toneel met een kleine vrachtautoversie van de Trabant. Duitse actualiteit anno 1996. We zijn twintig pagina’s gevorderd in het script. Om me heen ontstaat enige onrust. Naast me zit een jonge criticus ijverig te schrijven. Hij zucht en kreunt.
De vraag of er in tekst en uitvoering van Ithaka iets politiek discutabels steekt, kan vrij snel ontkennend worden beantwoord. Odysseus heeft vanaf zijn eerste opkomst op een wanhopige manier bijzonder gelijk: hij komt de augiasstal van de corruptie uitmesten. Dat doet-ie met de energie van een slager zonder medelijden voor zijn slachtoffers, de elf vrijers van Penelope. Ze zien er uit als een kruising tussen de toneelvereniging van het COC en de Sex Pistols in de vut: strakke broeken met daaroverheen gewaagde slipjes, maffe pruiken, gekke bekken, malle loopjes. Het gezelschap vrijers spreekt teksten die erg lijken op de toespraken van politici in verkiezingstijd. De manier waarop Odysseus tegen ze tekeer gaat, staat in geen verhouding tot het onbenul dat deze jongens uitstralen.
Met een beetje goede wil laat de tekst van Botho Strauss zich lezen als een pleidooi tegen heersers die een machtsvacuum tot hun eigen voordeel misbruiken. En als een waarschuwing tegen de 'sterke man’ die rigoureus tegen populistische politici tekeer gaat. De regie kiest niet, laat beide aspecten van de tekst zien, maar doet dat zo laf en nietszeggend dat de toeschouwer in leegheid achterblijft: waar hebben we die vijf uur naar zitten kijken? De toneelmiddelen zijn die van de B-film: veel rijzende en dalende decorstukken, optische trucs, veel vuur, lichteffecten, twee hardwerkende paukenisten in de coulissen. In de tekst wordt letterlijk alles uitgelegd en uitgemeten, in de enscenering wordt alles keurig geillustreerd.
NEEM DE MOORD en doodslag op de vrijers. Het armzalige tuig heeft natuurlijk niks in de gaten. De eerste vrijer probeert Odysseus’ boog te spannen, wat de meest beroerde mime-act oplevert die ik in tijden heb gezien. Daarna lukt het Odysseus wel, hij schiet een pijl door twaalf nauwe openingen (een special effect met laserlicht, hartelijk dank aan Robert Wilson). Donkerslag. Weer een laserpijl. Opnieuw licht. De aanvoerder van de vrijers grijpt naar zijn keel, waar een pijl doorheen steekt. Kindertoneel uit de jaren zeventig. En dat gaat nog even door. Vanaf het eerste balkon vuren Odysseus en zijn handlangers meer pijlen af. Uit het toneeldak valt een laken. Geschreeuw en gewriemel van lijven. Als het laken wordt verwijderd, dansen de vrijers met poppen die er precies zo uitzien als zijzelf, maar dan doorzeefd met Odysseus’ pijlen. De jonge criticus naast me heeft het opgegeven. Hij schrijft niet meer.
Maar toveren kunnen ze! Voorbeeld. De koorleden (de dames Pols, Sleutelbeen en Knie) manen de spekvette Penelope tot rust. Ze doen iets met haakjes en draadjes. De techniek van de Munchner Kammerspiele trekt vervolgens alle overtollige vetlagen van Penelope de lucht in, Odysseus’ vrouw (Gisela Stein) staat daarna in ranke glorie klaar voor de ontmoeting met haar man. Een prachtig moment in de voorstelling.
Toneelspelen kunnen ze hier ook. Bruno Ganz heeft (in zijn rol van Odysseus) voor het spelen en uitspreken van Botho Strauss’ tekstlawines zo zijn eigen oplossingen gevonden. Als-ie er niet meer in gelooft, krijgen we commentaar te horen. Voorbeeld. Vlak voor de grote slachting verbergen Odysseus en zijn zoon Telemachos alle wapens in de kelder van het paleis. Telemachos (prachtig gespeeld door Jens Harzer) ziet tijdens deze operatie het licht van de goden. Hij roept daar iets euforisch over. De Odysseus van Bruno Ganz blijft nuchter: 'Zwijg zoon! Aan het werk. Ook als een god de kamer met je deelt, moet je het noodzakelijke werk zelf doen.’ Dat is een tekst die voor geen acteur is te spelen. Bruno Ganz doet ook geen enkele poging. Hij schiet hem gewoon af, als de oneliner van iemand die na de twaalfde whiskey nog iets zinnigs te berde wil brengen. Het publiek grinnikt.
HET MOOISTE moment van de voorstelling is - Entschuldigung, Herr Strauss - zonder enige tekst. De lijkenberg ligt in de Trabant- vrachtwagen van zwijnenhoeder Eumaios. De tafels en bloemen van wat het feestmaal der vrijers had moeten worden, maar wat de overwinning van Odysseus werd, zijn weggeruimd. Het speelvlak is leeg. Odysseus staat alleen aan de rand. Hij huilt. Plotseling verschijnt ergens bovenin het theater Penelope. Bruno Ganz en Gisela Stein kijken seconden lang naar elkaar. Odysseus en Penelope herkennen elkaar. Donkerslag. Theater. Ademnood.
Daarna begint een martelende epiloog, waarin alles nog eens wordt uitgelegd. Mijn buurman, de jonge criticus, is ondertussen in slaap gevallen. Ik speel na afloop de Hollandse kruidenier: wat heeft dit in godsnaam gekost? Mijn Munchense vrienden kennen alleen de kale materiaalkosten van deze moord & doodslag op Odysseus: een half miljoen Duitse marken. Tel daar de loonkosten bij op, plus de financiele gevolgen van het feit dat het theater voor de repetities voor Ithaka ruim drie maanden gesloten is geweest en de rekensom op een bierviltje komt op het vijfvoudige van die half miljoen Duitse marken. Botho Strauss’ zwijnenhoeder Eumaios heeft - vrees ik - gelijk: 'De winter wordt bitter koud. Laten we verzwelgen in de trieste gedachten aan betere tijden. Je kunt nu nog blij terugkijken op de treurnis waaronder we ooit gebukt zijn gegaan.’
Een requiemtekst voor het Duitse theater.