21 november 1946 – 4 april 2009

Anthony Mertens

Docent, redacteur en criticus Anthony Mertens ontvouwde werelden, was gangmaker, een vriend voor iedereen, bewonderaar liever dan criticaster.

HIJ BESCHREEF het verscheidene keren, het koortsige lezen. Het eerste lezen heeft, geloofde hij, met ziekte te maken en dan letterlijk: ‘Hoe vaak zal het niet gebeurd zijn dat een kind begon te lezen doordat het vanwege geelzucht of rodehond dagenlang aan bed gekluisterd was.’ Zo gebeurde het in ieder geval bij hemzelf: ‘Niet de stemmen van mijn ouders die verantwoorde verhaaltjes voorlazen, maar de lijfelijke eenzaamheid onder de klamme dekens maakte me het mogelijk de drempel naar andere werelden te overschrijden, abstracte tekens om te zetten in beelden.’
Het is een literaire opvoeding die tegenwoordig niet veel meer zal voorkomen. Niet eens zozeer omdat kinderen, dankzij het rijksvaccinatieprogramma, al lang niet meer aan geelzucht en rodehond lijden, maar vooral omdat koortsige kinderen al snel op de bank voor de tv worden gelegd, en het hoe dan ook veel te druk hebben voor de ‘solitaire pedagogie’ van het zelf lezen.
Anthony Mertens is altijd een koortsige lezer gebleven, vooral in overdrachtelijke zin. Hij werkte, had een gezin, zat graag in de kroeg, maar gevraagd naar wanneer hij las, was zijn eerste antwoord: ’s avonds laat, vervolgde hij met ’s ochtends vroeg, gaf hij toe dat hij ook wel midden op de dag las, en was het een vanzelfsprekendheid dat het hele weekend gelezen werd. Zijn leven draaide om lezen, lezen was zijn beroep.
Koortsig, het woord geeft ook aan dat lezen voor hem een warme, hartstochtelijke bezigheid was. Ik ben student van hem geweest en zie hem voor mijn geestesoog zo weer in het troosteloze collegezaaltje staan, dat onmiddellijk niet meer troosteloos was als Anthony Mertens begon te spreken. Lezen beschreef hij al als een fysieke aangelegenheid – je hart gaat sneller slaan, je voelt het in je maag –, praten over literatuur was dat helemaal. Anthony stond als een bokser voor de studenten, licht gebogen, dansend van de ene voet op de andere, de armen permanent gesticulerend. Hij had een onvoorstelbaar flux de bouche, licht Brabants gekruid, en vergastte ons op de ene na de andere schrijver, Nederlands of internationaal, voor wie je onmiddellijk naar de boekhandel wilde rennen. Hij ontvouwde werelden.
Anthony Mertens werd geboren in Eindhoven, in 1946. Zijn ouders waren middenstanders en lazen Elseviers Weekblad. Na het gymnasium en de dienstplicht vertrok hij in 1968 naar Amsterdam om Nederlands te studeren en zich onder te dompelen in de stad. Het waren revolutionaire tijden, maar Mertens gebruikte de stencilmachine niet voor pamfletten, maar voor de gedegen marxistische verhandeling ‘materialistiese literatuurtheorie’, geschreven met zijn medestudenten Cyrille Offermans en Yves van Kempen. De jonge avant-gardistische schrijver Jacq Firmin Vogelaar zorgde ervoor dat deze in boekvorm verscheen bij de Socialistiese Uitgeverij Nijmegen.
In 1974 werd hij docent aan het Amsterdamse Instituut voor Neerlandistiek en publiceerde hij zijn eerste boekbespreking in De Groene Amsterdammer. Al snel mengde hij zich in het debat over revolutionaire literatuur in dit blad. Hij was, voor het brave wereldje der neerlandici, uitgesproken vanwege zijn politieke opvattingen, en vanwege zijn internationale en theoretische oriëntatie. Te uitgesproken allicht, want op het instituut werd hij omhelsd door de studenten, voor wie hij een onvergetelijke leermeester was, maar gedoogd door zijn wetenschappelijke collega’s. Hij promoveerde in 1991 cum laude op een proefschrift over ‘de drempelkunde’ in de literatuur, maar werd niet beloond met een hoofddocentschap.
Hij vertrok in 1994 van de universiteit naar uitgeverij Querido, waar hij de redacteur werd van Hella Haasse, A.F.Th. van der Heijden, Bernlef, Tomas Lieske en vele anderen. Chaotisch kon hij zijn, zijn bureau bedolven onder de manuscripten, hij kon dubbele afspraken maken en van vanaf vier uur ’s middags het liefst in het café kantoor houden – als redacteur was hij een even grote inspirator als hij was als docent. Hij was een scherpzinnig lezer en de ideale gespreksgenoot, omdat hij niet alleen een geweldige prater was, maar ook een heel goede luisteraar.
Hij was erudiet, niet alleen in literair en filosofisch opzicht, hij kende ook alle populaire liedjes uit de jaren vijftig en alle winnaars van wielerklassiekers, van eind jaren veertig tot nu. Gangmaker was hij, vriend voor iedereen, bewonderaar liever dan criticaster. ‘Mertens is nooit’, schreef Kees Fens dan ook, ‘een sterke vertegenwoordiger geweest van de opruimdienst, die de literaire kritiek ook is.’
Door te lezen overschreed hij, naar eigen zeggen, de drempel naar andere werelden. Geen wonder dat hij een obsessie ontwikkelde voor de drempel als symbool van de overgang van de ene wereld naar de andere, voor tussenruimtes, grenssituaties en grenservaringen. In de zomer van 2003 kreeg hij, heel wrang, zelf te maken met een grenservaring toen hij getroffen werd door een herseninfarct. Hij moest opnieuw leren slikken, praten, lopen. Zijn verstand en geheugen waren niet aangetast, en ook met zijn wilscentrum was niets mis: ‘In mijn lichaam vindt een bombardement plaats van duizenden nucleaire wilsmomenten; talloze stroomstootjes die afketsen op een muur van onvermogen.’
Het infarct had een, eveneens wrang, neveneffect: van lezer en prater werd Anthony Mertens meer dan ooit schrijver. Hij bundelde een keuze uit zijn essays en kritieken in Lezen, man! (2006) en hij begon notities te maken over zijn revalidatie. Het resulteerde in Zwaluwziek (2008), de aangrijpende beschrijving van het leven in een tussenruimte, in een lichaam dat niet meer doet wat de geest dicteert. Alles komt in dat boek samen: zijn jeugd, zijn belezenheid, zijn vroegere leven, zijn liefde voor zijn twee zoons en voor zijn vrouw, Dorothée.