25 maart 1925 – 19 juni 2010

Anthony Quinton

Anthony Quinton, de geestigste filosoof sinds David Hume, sprak even makkelijk over de deugdethiek van Aristoteles als over het bereiden van sauzen voor fazantengerechten.

PAUL FEYERABEND HAD weinig op met Oxford-filosofen. In zijn essays en boeken bespotte de Oostenrijkse wetenschapsfilosoof regelmatig de analytische filosofie die van oudsher zo'n centrale rol speelt in het geestesleven van Engelands bekendste universiteitsstad. De flamboyante Oostenrijker, wiens werkthese ‘Anything goes’ luidde, leefde inderdaad in een ander universum dan de taalfilosofen die vanuit hun studeerkamers met elkaar discussieerden over de kenbare waarheid. Maar tegelijkertijd heeft Oxford in de tweede helft van de twintigste eeuw een generatie denkers voortgebracht die tot de verbeelding sprak bij een breder publiek, zoals Isaiah Berlin, de rokkenjager Freddie Ayer en de aristocraat David Cecil. Tot deze lichting behoorde ook de recentelijk overleden Anthony Quinton, volgens The Guardian de geestigste filosoof sinds David Hume.
Anthony Meredith Quinton, zoon van een marinechirurg, genoot zijn eerste onderwijs op Stowe, Engelands mooist gelegen privé-school. Al snel maakte hij kennis met de minder idyllische kanten van het bestaan, toen een Duitse onderzeeër het stoomschip waarmee hij in september 1940 met zijn moeder naar Canada voer, op de Atlantische Oceaan tot zinken bracht. Moeder en zoon behoorden tot de weinige overlevenden, na twintig uur te hebben rondgedobberd op een reddingssloep. Vooral het feit dat zijn moeder al die tijd haar handtas wist vast te houden, maakte grote indruk op de jonge Tony. Later in de oorlog zou hij dienen binnen de koninklijke luchtmacht.
Aan de bijna-verdrinking had hij geen trauma’s overgehouden. 'I suppose I felt some sort of natural confidence that things turn out all right’, zo blikte hij later terug. Deze flegmatieke zienswijze zou terugkomen in zijn filosofische werk. Halverwege de jaren vijftig kreeg hij een aanstelling als lector op New College, de alma mater van Dennis Potter en Hugh Grant. De roerige jaren zestig gingen niet onopgemerkt voorbij aan het uit de Middeleeuwen stammende instituut. Gevraagd of hij zich zorgen maakte over geruchten dat mannelijke en vrouwelijke studenten stiekem kamers deelden, zei Quinton: 'Ik acht die kans niet waarschijnlijk gezien de grootte van de kamers.’ De heersende lokroep om revolutionaire veranderingen gingen bij hem het ene oor in en het andere uit.
In 1973 debuteerde hij met The Nature of Things, een verhandeling over metafysica. Twee jaar later rekende hij in Utilitarian Ethics af met het alledaagse idee dat gestreefd moet worden naar het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal. Zijn meest politieke werk was The Politics of Imperfection waarin hij de geschiedenis van het conservatisme beschrijft. Hij stelt daarin dat het conservatisme van onder anderen Edmund Burke en Benjamin Disraeli gebaseerd is op de veronderstelling dat mensen moreel en intellectueel gezien onvolmaakt zijn. Politiek gezag kan dienen ter verzachting van deze onvolmaaktheden, mits gebaseerd op gewoonten en ervaringskennis. Daarnaast schreef hij boeken over de filosofen Francis Bacon en David Hume, alsmede een verzameling essays onder de titel From Wodehouse to Wittgenstein, een alliteratie die Hermans-lezers bekend in de oren zal klinken. Als een typisch Engelse empiricus mocht Quinton graag mopperen over de continentale wijsbegeerte, oftewel 'de filosofie van het café waar niemand onder ede spreekt of verwacht verantwoordelijk te worden gehouden voor hetgeen hij zegt; om zoveel mogelijk aandacht te krijgen wil iedereen het hoogste woord voeren en wel op overdreven wijze’.
Zelf was de joviale Quinton een betere verteller dan schrijver. In gezelschap kreeg hij alle aandacht wegens zijn Dr Johnson-achtige brille en gevatte opmerkingen. Hij sprak even makkelijk over de deugdethiek van Aristoteles en moderne Portugese literatuur als over het bereiden van sauzen voor fazantengerechten. Niets is zo serieus of ingewikkeld dat het niet kan dienen als onderwerp voor een gastspreker, was zijn overtuiging. 'Als Tony begint te spreken leggen mannen, vrouwen, kinderen en dieren even het werk neer’, merkte een collega ooit op. Vragen van collega’s beantwoordde hij middels kattenbelletjes met ondeugende afbeeldingen. Zijn welsprekendheid deelde hij met de luisteraars van het radioprogramma Round Britain Quiz. Quinton was aanvankelijk uitgenodigd als deelnemer, maar bij de producer groeide de vrees dat andere panelleden geen gelegenheid zouden krijgen vragen te beantwoorden. Een rol als spelleider was het alternatief. Een andere buitenschoolse activiteit was het schrijven van boekbesprekingen voor The Times en The Sunday Telegraph, niet alleen van filosofische werken maar ook van thrillers.
Inmiddels was Quinton, die 'zittende bezigheden’ had ingevuld onder het kopje 'hobby’s’ in de Who’s Who rector geworden van Trinity College. Tevens vervoegde hij zich bij de Conservative Philosophy Group waar Margaret Thatcher soms te gast was, met een van Von Hayeks traktaten in haar handtasje. In 1982 verhief ze hem tot Baron Quinton of Holywell in the City of Oxford en in die hoedanigheid mocht hij de verhuizing van de British Library begeleiden, een dankbare taak voor een bibliofiel. Het gebouw naast het British Museum, waar Karl Marx Het kapitaal schreef, was te klein geworden. Naast St Pancras Station verrees daarom een nieuw onderkomen, het grootste gebouw dat in twintigste-eeuws Engeland verrees. Quinton was trots op het resultaat, wat niet kon worden gezegd van de bekende architectuurcriticus prins Charles. 'Dit bouwwerk ziet er niet uit als een bibliotheek’, constateerde de kroonprins, kijkend naar het uit rode baksteen opgetrokken bouwwerk van Colin St John Wilson. Quinton wist Zijne Excellentie snel gerust te stellen: 'Geen enkel gebouw ziet er van buiten uit als een bibliotheek.’