Anti-oedipus

‘IK ZAT OP het conservatorium toen ik het eerste boek van Harry Mulisch las, Archibald Strohalm. Daar was ik absoluut perplex van. Toen ben ik verhalen gaan schrijven op de manier van Mulisch. Die heb ik hem ook laten lezen, en hij vond ze heel goed. Maar hij zei ook dat ik op moest houden hem na te doen.’

De kunstzinnige loopbaan van Lodewijk de Boer (Amsterdam 1937) begon volgens het principe van de imitatio. Zijn altvioolleraar Klaas Boon gaf les door te laten zien hoe hij het deed. ‘Ik kopieerde zijn hele aanpak en daardoor ben ik een heel goede altist geworden. Ik ben iemand die dingen snel goed imiteert.’ Hij zat op de eerste rij toen het absurdistische theater in Nederland werd geïntroduceerd. 'Beckett, Ionesco - ik vond het fantastisch. Het karakter van die stukken, de taal. De zinnen van Beckett zijn bijna partituren, met een heel dreunend ritme. Toen dacht ik: ik ga toneel schrijven.’
Bijna vijftig jaar noeste arbeid van Lodewijk de Boer heeft inmiddels geresulteerd in een zeer origineel oeuvre van duizelingwekkende omvang: theaterstukken, teksten, libretto’s, muziekstukken, films en alle mengvormen die er mogelijk zijn. Een oeuvre dat in thematiek en vorm getuigt van wat de avant-garde in de verschillende naoorlogse decennia van belang vond.
Op dit moment repeteert Lodewijk de Boer voor Gershwin in Blue, een semi-scènische opera naar een idee van componist Chiel Meijering. De Boer schreef het libretto en voert de regie.
'Gershwin in Blue’ is aangekondigd als een groot spektakel, met 'fraaie kostuums die de levendige sfeer van de Roaring Twenties oproepen’. Zo'n avondje Avro lijkt me niet echt jouw stijl.
De Boer: 'Maar dat is een snorkerige, onjuiste typering. Mensen die denken dat ze een avondje highlights krijgen, komen bedrogen uit. De muziek is helemaal gecomponeerd door Meijering, die wel thema’s van Gershwin heeft gebruikt, maar dan vervormd tot speedy, jazzy muziek. Meijering is een virtuoos die voortdurend bezig is met de fusie van klassieke en moderne muziek, net als Gershwin zelf.
De opera begint met de dood van Gershwin, waarna hij tot leven komt. Het toneel is één grote party, waarbij het koor functioneert als Gershwins vriendenschaar. Na de pauze komt hij in het hedendaagse Europa terecht, aan de hand van zijn vriend Schönberg. Er zitten allerlei dubbele bodems in.’
ZIT ER EEN LIJN in je loopbaan?
'Dat weet ik niet, maar er zit in elk geval geen plan achter. Het kwam allemaal uit elkaar voort.
In 1963, toen ik in het Concertgebouworkest zat, werd mijn eerste eenakter De kaalkop luistert door Annemarie Prins opgevoerd met studenten. Op de repetities zag ik een mooie, humane omgang met mensen - het tegenovergestelde van het piramidale, autoritaire systeem van een symfonieorkest. Kort erna ben ik voor de theatergroep Studio gaan schrijven. Ondertussen kreeg ik zo'n hekel aan de manier van werken bij het Concertgebouworkest dat ik er in 1968 uitgestapt ben. Dat kon dankzij Kees van Iersel van Studio, die me uitnodigde om vast regisseur naast hem te worden.
Ook in de muziek kwam de bevrijding. Ik heb twaalf jaar lang met groot plezier barokmuziek gemaakt in het Leonhard Consort, het ensemble van Gustav Leonhard. Rond 1975 heb ik een jaar in het Breuker Kollektief gespeeld, synthesizer en elektrisch versterkte altviool. Krassen en piepen en experimenteren. Verder deed ik experimenten met geluid in mijn studioo*…diotje…tje. Ik ging muziek voor mijn theaterstukken maken. En voor producties van anderen. Ook voor films, zoals de eerste twee van Marleen Gorris, De stilte rond Christine M. en Gebroken spiegels, voor de low-budgetfilms van Pim de la Parra, voor 1000 Rosen van Theu Boermans.’
Je duikt in alle mogelijke functies op bij de films van Frans Zwartjes. Wilde je alles ondergaan: scenario’s en scores schrijven, acteren en violeren?
'Ik kende Frans omdat hij ook altviolist is. Die films maakten we in het weekend op zijn boerderij. We speelden muziek, die namen we op, en dan pakte hij zijn camera en zei: “Je moet nu even die jurk aantrekken, die pruik opzetten, daar gaan zitten.” Altijd bezig zijn, zonder nauwkeurig omschreven plan - typisch de jaren zestig. Maar als regisseur werkte ik wel heel gedisciplineerd, hoor. Dat had ik in die orkesten geleerd.
Ik bevond me in een artistieke smeltkroes. Peter Schat vroeg me het libretto te schrijven voor zijn totaaltheaterstuk Labyrint, ik leerde Louis Andriessen kennen, bleef projecten doen met Willem Breuker - we groeiden allemaal met elkaar mee.’
IN DIE JAREN van vernieuwing was je geregeld ook met oude Grieken in de weer. Je hebt alleen al twee versies van de Oedipus-mythe geregisseerd, een van Mulisch en een van Claus.
'Dat waren antipsychologische, haast surrealistische stukken, net als mijn eigen stukken. Mulisch is geen psychologisch schrijver, daarom vind ik hem juist zo goed. Zijn Oidipous Oidipous is een zuiver noodlotsdrama. Het stuk is een constructie, een intellectueel bouwwerk tot en met het decor. Met twee Oedipus-figuren die elkaars spiegelbeeld zijn en met een elektronicus, Michel Waisvisz, in het middelpunt. Die maakte ongelooflijk terroristische zonsopgangen; de muren trilden van het geluid, de oudere acteurs werden er gek van.
In mijn theaterserie van begin jaren zeventig, The Family, is de psychologie volkomen verdierlijkt. De gezinsleden zijn wat ze zijn, er zit niets achter. Het was surrealisme in de vorm van overacted volkstoneel, zonder freudiaanse motieven, zonder vragen over hoe de mens in elkaar zit. Het stuk leunt enigszins aan tegen de “familiedrama’s” van Pinter. Ik verzette me tegen psychologische schrijvers als Ibsen, Strindberg en Tsjechov.
Ik heb de Tweede Wereldoorlog bewust meegemaakt: luchtalarm, vluchten, kijken waar de bommen vielen. Mijn werk schampt altijd langs de oorlog. Het ongedefinieerde geweld, de totale onthechting, dat zit ook in The Family. De vader die fout is geweest en door zijn twee zoons uit huis wordt geschopt. Een absoluut slechte man, die zijn vrouw, die joods was, aan de moffen heeft uitgeleverd en vervolgens zijn dochter heeft verkracht.’
Dat is nogal wat.
'Dat is niet meer dan in welke Griekse tragedie dan ook. Daar eet de vader zijn kinderen op, wat dacht je daarvan! Het christendom hanteert een scheiding tussen God en mens. De goden van de Grieken waren veel menselijker, die gingen verkleed naar de aarde om daar heel gewone, vieze dingen te doen. Dat spreekt me aan: chaos en anarchie. Ik houd niet van de christelijke schema’s, zoals ik ook niet houd van gezelligheid. Ik houd van provocatie.
Maar met dat doel is The Family niet ontstaan. De serie was vooral het resultaat van een collectieve inspiratie, samen met acteurs als Huib Broos en Gees Linnebank. Toen wij die voorstelling creëerden, waren we allemaal een beetje losgeslagen. Het stuk is erg ingebed in het Amsterdam van die tijd, met de krakers, de opstanden op de Nieuwmarkt. Daarom kun je het nu niet meer spelen met diezelfde slagkracht. Het Ro-theater heeft het geprobeerd, maar het werkte niet. Alles gaat goed in Nederland en dus hebben ook acteurs iets burgerlijks gekregen, wat doorwerkt op het toneel. Ze probeerden het stuk komisch te maken.
Het meest wonderbaarlijke van The Family was dat het stuk niet alleen aansloeg bij de voorhoede en de krakers. De hele Jordaan trok erheen, zalen vol. Het volk zag meteen dat de geweldstructuren in de voorstelling dezelfde waren als die het zelf in zich had.’
IN JE TEKSTEN, en ook in oude interviews, kwam ik nogal wat magie tegen: bezweringsrituelen, bijgeloof, kabbala, Boeddha, dromen, paragnosten. Ik kan die 'hogere werkelijkheid’ niet goed rijmen met de sceptische, nuchtere blik in je werk.
'Dat is niet zozeer een geloof, dat is slechts de gedachte dat dingen verband met elkaar hebben. Dat heeft met mijn afkomst te maken. Mijn moeder was een volbloed Surinaamse. Zij vertelde ons geen sprookjes van Grimm, maar de Anansi-story’s. Die zijn doordrongen van een natuurmystiek die typisch Surinaams is, met heilige bomen en geesten. Ze heeft haar hele leven gescholden op alles wat Nederlands is. Dan citeerde ze De Genestet: “O land van mest en mist, van kille koude regen… niet op mijn verzoek ontworsteld aan de zee.” Dat alles heeft een heel sterke invloed op me gehad.
Mijn moeder komt uit de grote Lichtveld-familie. Ze woonden met zijn allen in een enorm huis, met oma’s en overgrootmoeders en tinta’s - een soort tantes - en weesmeisjes. Het was een stam, vol warmte. Dat raakte ze allemaal kwijt toen ze naar Nederland kwam.
Ze hield erg veel van mijn stukken, kwam altijd kijken. Toneel is toch ook een soort rituele ervaring. Mijn vader, Douwe de Boer, leraar geschiedenis en amateurpianist, heeft me de muziek in geholpen. Die tweespalt in me komt dus van thuis. Er hoort eigenlijk nog een derde persoon bij - nu mijn moeder dood is kan ik er wel over praten. Mijn biologische vader is de beeldhouwer Frits van Hall. Inderdaad, van de Amsterdamse regentenfamilie.’
Hij laat een foto zien van een jonge man met een mooi, fijngevormd gezicht. 'Mijn moeder was vers uit Suriname gekomen en leefde onder de hoede van Lou Lichtveld, haar oudste broer. Zo kwam ze in het kunstzinnige milieu terecht. Het was een grote, geheime liefde tussen mijn moeder en Frits van Hall. Hij was getrouwd en zat in de illegaliteit. In 1944 heeft hij in een kamp een nekschot gekregen.’
Lou Lichtveld, alias de auteur Albert Helman, was een artistieke duizendpoot: schrijver, musicus, geluidspionier, met film bezig… Je bent een echte Lichtveld.
'Ik ben naar hem genoemd, oom Lodewijk. Maar ik heb hem pas in de laatste tien jaar voor zijn overlijden vaak gezien, toen hij in Nederland woonde. Hij was een kosmopoliet, altijd op reis. Lou heeft een keer helemaal uitgezocht wat de familie voor wortels heeft: indiaans bloed, negerbloed, joods bloed. En mijn vader Frits van Hall was half Indonesisch. Allemaal creatieve stromen? Met zo'n afkomst kun je ook boekhouder worden, hoor. Het gaat vooral om de mensen die je stimuleren.’
Uit je oeuvre spreekt een goede neus voor de thema’s die op een bepaald moment spelen.
'Maar ik denk helemaal niet in thema’s. Ik schrijf niet om een boodschap over te brengen. “Moraal”, dat vind ik zo positief-christelijk klinken. Het feminisme dat me zo aan het hart zou zijn gegaan? Onzin. De stilte rond Christine M. is een Griekse tragedie die toevallig over vrouwen gaat. Een erg goede film - als kúnstobject. De opera Orpheus mag dan wel als vrouwvriendelijk - en trouwens ook als antifeministisch - zijn getypeerd, maar Louis Andriessen en ik beoogden dat niet. We wilden een figuur die veel met muziek te maken had - dat werd Orpheus. Al lezend ontdekte ik een interpretatie van Orpheus als een slappe, half-nichterige sjamaan, niet die edele held die hij de laatste eeuwen is geworden. Dat vonden Louis en ik een aantrekkelijk perspectief: de jengelende zeurpiet die zijn vrouw terug wil hebben uit het dodenrijk om haar weer in de keuken te zetten.
Natuurlijk was men in mijn kringen in die tijd heel erg met Vietnam bezig. Ik ben in de jaren zestig zelfs een tijdje lid geweest van de CPN. Ik was altijd kwaad op de wereld, dat was een bron van inspiratie. Labyrint was anarchie tegen alles. Je kocht in die tijd bijvoorbeeld ook geen huis, want je was tegen bezit. Iedereen deed het natuurlijk stiekem toch, want een huis kostte toen bijna niks. Louis Andriessen en ik zijn de enigen van die hele club die nu in veel te dure huurhuizen zitten. Ik ben er wel een beetje trots op.’
'SOMS HEB IK het even een beetje moeilijk met mezelf. Dat alles moeizaam gaat, ik weet niet waardoor. Door de weldaad van deze tijd, waarin echte ontevredenheid geen kans meer krijgt, waarin alles genivelleerd is? Indertijd bestond de arbeider nog, we waren vóór de arbeider. Nu ben ik helemaal niet meer voor de arbeider. De impulsen ontbreken om ergens tegen in verzet te komen. Ja, natuurlijk is er nog genoeg ellende, maar… Misschien is het ook gewoon de ouderdom, fysieke vermoeidheid.
Dit interview vind ik ook heel erg moeilijk. Ik ben helemaal niet gewend zo terug te blikken, ik denk nooit over vroeger. Mijn oude stukken kan ik niet eens meer lezen. En dan ga je ook nog eens vragen naar mijn zieleroerselen.’
Teleurstellingen, wanhoop? Hij heeft wel enkele zogenoemde 'mislukte producties’ gedaan, zegt hij, maar dat is eigenlijk het mooiste wat er is. Natuurlijk was iedereen dan ongelukkig - iedereen behalve hij. 'Laten we de mislukking vieren’, zei hij dan, 'laten we de dood vieren in plaats van bij de pakken neer te zitten aan het bed van de stervende.’ Zijn stukken worden uit zin geboren, niet uit ambitie. En als het resultaat een mongooltje is, dan koestert hij het ook.
Bij De Boer geen sentimenten, geen gepsychologiseer. 'Ik heb een hekel aan de schema’s van schuld en boete - die monsters van het christendom. Als je je ergens voor schaamt, ergens spijt van hebt, had je het maar niet moeten doen. Ik heb in mijn leven heel schandelijke dingen gedaan, maar daar kijk ik met vreugde op terug. Ik heb heus wel eens sorry gezegd, maar alleen omdat de ander daar dan baat bij had.’
IN 1977, OP ZIJN veertigste, vertelde hij in een interview dat hij ontzettend veranderd was. Zo was hij niet bang meer voor de dood, en voor actrices: 'Ik was ook bang voor actrices - ik dacht dat ze uitsluitend de meester in mij zagen als ik iets met ze had. Een vorm van lachwekkende onderdrukking, zul je zeggen. En dat ben ik met je eens. Vrouwen zijn ook mensen, denk ik tegenwoordig. En je hoeft niet met Jan en alleman de koffer in te duiken om een beetje relaxed je vak uit te oefenen.’
Hij moet onbedaarlijk lachen. 'Tja, op uitspraken van vroeger heb je geen weerwoord. Laat me je dit vertellen: mijn eerste vriendinnetje was heel katholiek. Na de wederzijdse ontmaagding schreef ze me: “Ik droomde dat Maria op de rand van mijn bed kwam zitten en tot me sprak: ík ben nog maagd…” Haar reactie heeft heel lang mijn houding tegenover vrouwen bepaald: gatverdamme, zó zit het dus in elkaar. De liefde wordt bestraft.
Mijn respect voor vrouwen is groter geworden. De vrouw met wie ik al jaren ben, heeft mijn theorieën gewijzigd. Ik heb een dochter van elf, terwijl ik nooit kinderen wilde. Maar deze banden hebben geen invloed op mijn werk. Dat is opvallend.’
Je theorieën zijn veranderd, zeg je, maar dat rondneuken gaat toch ook een keer gewoon vervelen?
'Ja, natuurlijk. Maar dat kan ook op je zeventigste pas gebeuren. Je moet er wel een reden voor hebben.’
In 1977 spreek je al van 'ouder worden’. Je moet je nu wel stokoud voelen, en heel wijs. Je spreekt over alles op zo'n gelijkmoedige toon, zo 'verstandig’.
'Een driftkikker ben ik nooit geweest. Ik kan voor een moment razend zijn op een domme recensent of zo. Die wil ik dan uitroeien, met zijn hele familie. Vroeger schreef ik felle ingezonden brieven, dan was het over. Maar over wezenlijke zaken in mijn leven word ik nooit kwaad, die probeer ik op te lossen.’
Toch niet alles is met de ratio op te lossen? Je bent verliefd op iemand die jou niet wil, of je wordt verlaten.
'Zal ik je eens wat zeggen? Dat is me nog nooit overkomen. Die vernedering, die ken ik niet. Kennelijk zoek ik ze erop uit. Het heeft geen zin om verliefd te worden op iemand die dat niet wil.
Mijn passies, de grote emoties, stop ik blijkbaar in mijn werk. Net als Lou Lichtveld, dat was ook een vrij gesloten man. Ik ben een theaterstuk aan het maken in opdracht van een Zweeds gezelschap, De herinnering. Over de Zweedse neutraliteit in de Tweede Wereldoorlog. Zarah Leander komt in het stuk voor, en een joodse violist. Die violist sleep ik met me mee, hij kwam ook al voor in een eerder stuk. Daarin hakte hij de vingers van zijn linkerhand af. Op het moment dat ik dat opschrijf, komt het heel hard bij me aan. Ik laat die man zo in de problemen komen dat hij de zin van zijn leven afkapt. Wellicht komt zo'n motief toch voort uit de krochten van mijn onderbewustzijn.’