‘Een donkere Antigone, dat is de goden verzoeken’, zegt de stervende Bob in Edzard Miks wondermooie roman Bleke hemel tegen zijn jeugdvriend Bertrand Barend. Bob heeft het in zijn hoofd gezet voor zijn dood nog één maal een grote daad te verrichten. Hij zal een toneelstuk regisseren en de gevierde acteur ‘Bertje’ moet hem daarbij helpen. In Bulgarije, waar hij iets onduidelijks doet in aardappelteelt, heeft hij daarvoor al het nodige geregeld.
Het is geen waarschijnlijk verhaal, maar dat zijn tragedies zelden. En een tragedie ís Bleke hemel: een her-enscenering van de erfenis van Sophocles. Oedipus te Colonus moet het worden, zo heeft Bob beslist. Naar de reden van die keuze blijft het gissen. Zoekt Bob rust, vergeving, doodsbezwering in dit stuk, dat tenslotte om Oedipus’ zoektocht naar een laatste rustplaats draait: ook hij beladen met een schuld die niet te delgen valt?
Toch verrast die keuze. Oedipus te Colonus is niet de sterkste tragedie van Sophocles en is met zijn half verzoenende slot zelfs niet werkelijk ‘tragisch’. De échte tragedie van Oedipus’ vadermoord en incest figureert er eerder als herinnering, terwijl een nieuwe catastrofe zich alleen maar aankondigt. Na Oedipus’ ballingschap zijn diens zonen in onmin geraakt over het bestuur van hun stad. De ene zoekt buitenlandse hulp om de andere te bestrijden. Dat zal uitlopen op hun beider dood, omineus aangekondigd door de vloek die hun vader aan het begin van hun stuk over hen uitspreekt. Opnieuw is hij de bewerker van onheil, des te schuldiger omdat hij zich bewust is van wat hij doet.
We weten hoe dat afloopt omdat Sophocles ons dat zelf verhaald heeft in zijn meesterstuk Antigone. Het personage dat die naam draagt is de spilfiguur tussen Oedipus’ oudemannendwaasheid en de ondergang van zijn geslacht. Maar hoe verschillend is Antigone in beide toneelstukken. In Colonus een zorgzame dochter, in Antigone een wraakgodin die haar wereld in brand zet om wille van wat zij haar heilige plicht noemt: het begraven van de broer die gewapenderhand optrok tegen zijn en haar eigen vaderstad.
In Bleke hemel hebben Bert en Bob het maar moeilijk met haar karakter. Door haar dienstbaarheid moeten ook de haat en wrok heen schemeren die later zo verwoestend zal losbarsten. Moet Oedipus te Colonus daartoe niet worden samengesmeed met Antigone?, zo vraagt Bob zich af. En dan volgt het omineuze vermoeden over de ‘donkere Antigone’.
Dat dat inderdaad een verzoeking aan de goden is blijkt in de ontknoping van de roman. De actrice die Antigone’s rol vervult wordt de wraakgestalte die alles vernietigt. En ook zij doet dat om bijna onbegrijpelijke redenen. De dorpsidioot die haar wellicht verkracht heeft en bij een ongeluk van de rotsen is gestort, moet een waardige begrafenis krijgen: dat eist zij even furieus als haar fictieve tegenhangster.
Misschien is dát de donkerte waarop Bob duidt wanneer hij voor het eerst het verband legt tussen Sophocles’ beide Antigones. Er zijn drijfveren in een mensengemoed die zelfs voor de drager ervan ondoordringbaar blijven en vaak zijn dat de onverzettelijkste. Daar steekt niet altijd kwaad in. Ook de nobelste motieven wortelen in die duistere bodem en zowel Sophocles’ als Miks Antigone beroept zich op een onberispelijke plicht. Maar de noodlottigheid trekt zich van goed of kwaad niets aan. Ze slaat toe met de meedogenloosheid van de schikgodinnen, die aan het begin van Oedipus te Colonus zo ironisch ‘de Welwillenden’ worden genoemd.
De tragedie die Bleke hemel is draait dan ook niet allereerst om het fatale weerzien tussen Bob en Bertrand, en hún beider ontmoeting met hun jeugdliefde Carina die nog één keer Antigone zal spelen. Ze peilt veeleer de onbegrijpelijkheid van het menselijk handelen en laat daarom zo consequent de beweegredenen van het noodlottige drietal in het ongewisse. Daarin keert ze de romantraditie tegen zichzelf in en verklaart ze de psychologische waarschijnlijkheid failliet.
De klassieke tragedie heeft nooit iets anders gedaan. Met verbijstering zien de antieke helden hoe hun handelen hun als het ware van buitenaf overkomt: gestuurd door een god of een demon tegenover wie zij machteloos staan. Erg modern is dat impliciete pessimisme niet – maar daarom nog niet minder waar, zoals zelfs de existentialisten moesten erkennen. We kunnen voor onze daden maar zelden instaan, maar dat doet aan de verantwoordelijkheid niets af.
Geen droom van autonomie of individualisme neemt die dreigende grondeloosheid weg. We menen wel te weten wat we doen, maar handelen in werkelijkheid als in den blinde en hopen er het beste van. In die duizeling ligt onze ‘schuldigheid’ en zijn wij stuk voor stuk Antigones.