Film: De vrouwelijke schurk

Antiheldin

In films gaat de aandacht van oudsher uit naar de mannelijke schurk. De morele worsteling van de maffiabaas of vreemdganger wordt uitgediept en gedramatiseerd. Vrouwelijke schurken daarentegen worden neergezet als groteske figuren wier binnenwereld amper aandacht krijgt.

Angelina Jolie als Maleficent © Disney

In sommige versies van Doornroosje is ze een wijze vrouw en in andere een slechte fee. In sommige is ze een wicked fairy godmother en in andere een mistress of all evil. Maar in alle versies van het sprookje is ze een slechte vrouw – kwaadaardig, verbolgen, a woman scorned. Het was Disney die haar, in de drie Doornroosje-films die de filmstudio tot nu toe over haar maakte, naast een omschrijving ook een voornaam gaf: Maleficent. In de tekenfilm Sleeping Beauty uit 1959 heeft Maleficent een cape, een staf en een kraai op de schouder. In de speelfilms die volgden, Maleficent (2014) en het net verschenen Maleficent 2, heeft ze het gezicht, het statige lichaam en vooral de onderkoelde uitstraling van Angelina Jolie. Met behulp van cgi, computeranimatie, heeft ze daarnaast hoorns, adelaarsvleugels, jukbeenderen als messen en vlijmscherpe hoektanden en nagels. Ze is bleek als een lijk maar haar lippen zijn verleidelijk vol en rood. Wat maakt Maleficent eigenlijk zo slecht?

De eerste Maleficent breidde de plot van Disney’s eigen Sleeping Beauty uit met psychologische backstories en een happy ending waarin Maleficent was veranderd in een moederfiguur voor Aurora, het Doornroosje-personage. Ook in het vervolg, waarin de kwaadaardige koningin Ingrith (Michelle Pfeiffer) wordt geïntroduceerd, zijn het haar moedergevoelens die Maleficent het goede boven het kwade doen kiezen. Iets anders: wanneer Maleficent op zeker moment gewond raakt, en dus zwak is, ziet ze er sensueler uit dan ooit: haar haren los, haar schouders en armen bloot, haar blik zachter. De rest van de film blijft haar hals bloot, terwijl de echte schurk van het verhaal, Ingrith, juist steeds meer aantrekt: lagen kleding en sieraden, schouderstukken, handschoenen, een complete toren van haar. Op haar gezicht na wordt er geen stukje huid onbedekt gelaten. Bij Disney wordt de vrouwelijke schurk, of laten we zeggen de vrouw an sich, gedefinieerd door haar moedergevoelens. Het zorgen voor en geven om een kind maken haar zacht en goed, zwak en sterk tegelijk – en die kwetsbaarheid maakt haar vervolgens aantrekkelijk.

In Sleeping Beauty vervulde Maleficent haar schurkenrol nog op klassieke wijze: haar functie in het verhaal was die van obstakel voor de held. Maar in de Maleficent-films is de antagonist de protagonist geworden, en dat vraagt iets anders van de kijker. Wil je als filmmaker je publiek bij je verhaal betrekken, het laten meeleven met je hoofdpersoon, dan moet deze een ontwikkeling doormaken. Dus is Maleficent – we hebben het hier tenslotte over een film voor het hele gezin – niet wézenlijk slecht. De ontwikkeling die ze doormaakt is er een van slecht naar goed.

Er is nog een andere recente film waarin een iconische schurk van bijrol naar hoofdrol is gepromoveerd: Joker (Todd Phillips), over de gelijknamige supervillain uit het Batman-universum. Ook hier maakt de schurk een ontwikkeling door: van slachtoffer naar dader. De vraag is dan: zijn deze personages nog wel schurken? Bestaat de schurkerigheid van een personage niet bij de gratie van zijn ondoorgrondelijkheid?

Joker vertelt een nogal straight forward – zeg maar banaal – verhaal. Arthur Fleck worstelt met psychische problemen, wordt uitgekotst door de samenleving en begint, getransformeerd tot ‘Joker’, geweld te gebruiken om de controle terug te krijgen. Van de kijker wordt verwacht dat hij met de schurk meeleeft, hem begrijpt. Vertolkt door Joaquin Phoenix is Fleck/Joker dan ook niet zozeer angstaanjagend als wel meelijwekkend. Maar in The Dark Knight (Christopher Nolan, 2008), die andere beroemde film over de Joker, is deze superschurk (Heath Ledger) juist zo creepy (en fascinerend, wat alleen maar bijdraagt aan zijn creepiness) omdat we níets van hem weten, en níets van hem begrijpen. Waar Joker tot vervelens toe uitlegt waarom we de titelfiguur zielig moeten vinden, wordt er in The Dark Knight een running gag gemaakt van het feit dat we níets over hem weten: telkens vertelt hij een andere anekdote over hoe hij aan de dramatische littekens op zijn gezicht is gekomen. Phoenix’ Joker is sneu en Ledgers Joker is, in zijn eigen woorden, ‘strange’. Een wezenlijk verschil.

Trine Dyrholm als Anne en Gustav Lindh als Gustav in Queen of Hearts © Rolf Konow
Boze stiefmoeders, heksen en slechte feeën zijn nog net zo een-dimensionaal als altijd

In films gaat de aandacht van oudsher uit naar de mannelijke schurk – naar de maffiabaas, de antiheld, de bankovervaller, de vreemdganger. De morele worsteling van de man wordt uitgediept en gedramatiseerd, terwijl de binnenwereld van een dubieuze vrouw slechts in grove lijnen wordt geschetst. Mannelijke antiheld bij uitstek, Travis Bickle uit Martin Scorsese’s Taxi Driver, die zich afgewezen voelt door de maatschappij, radicaliseert en zich tot geweld keert, maar die nooit de sympathie van de kijker verliest, kent bijvoorbeeld geen vrouwelijke pendant met een soortgelijke culturele impact en iconische status. Denk aan een vrouwelijke schurk en je komt uit bij de femme fatale, het archetype uit de film noir, een genre dat geheel draait om morele kwesties en de verleiding van het slechte pad. Maar waar de mannelijke antiheld van de film noir twijfelt tussen goed en kwaad, daar is de femme fatale per definitie slecht. Zij ís de verleiding die hem het slechte pad op lokt. Ze is de sirene die hem in het onheil stort.

Ook in de decennia erna worden vrouwelijke schurken neergezet als eendimensionale, zelfs groteske figuren. Je hebt klassieke superschurken als Cruella de Vil (101 Dalmatiërs) en Catwoman, een aartsvijand van Batman die niet dezelfde strangeness is gegund als Joker. Je hebt de weervrouw die over lijken gaat (To Die For) en de huisvrouw die zich als seriemoordenaar ontpopt (Serial Mom). Het is alsof de mannelijke schurken uit de sprookjes van weleer – reuzen, ogres en incestueuze koningen – een hedendaagse update hebben gekregen, terwijl de boze stiefmoeders, heksen en slechte feeën nog net zo eendimensionaal zijn als destijds. Vrouwelijke schurken zijn, vooral in de mainstream films, over the top, camp, potsierlijk.

Maar ook in een bloedserieus drama als American Beauty (Sam Mendes, 1999), die wil laten zien wat er schuilgaat achter de façade van een all American family, wordt de midlifecrisis van de echtgenoot invoelbaar gemaakt en de affaire van de echtgenote bespot. De vrouwelijke schurk wordt vaak bekeken vanuit een specifiek mannelijk (en specifiek heteroseksueel) perspectief. In Basic Instinct is Sharon Stone’s personage de vleesgeworden castratieangst, in The Graduate wordt Mrs. Robinson alleen bezien vanuit het oogpunt van de jongen die ze verleidt en in Who’s Afraid of Virginia Woolf is Martha de ultieme hysterische echtgenote. Waar een Travis Bickle wordt getekend door de fascinatie en aantrekkingskracht waarmee hij wordt bekeken, daar worden vrouwelijke schurken vervormd door spot en angst.

De dubieuze fascinatie van mannelijke makers voor mannelijke monsters lijkt zich de laatste tijd sterker te richten op mannen die écht bestaan, en die vooral ook nú bestaan. Het zijn schurken die op dit moment relevant zijn, die iets zouden moeten zeggen over de tijd waarin we leven. Door in te zoomen op hun misdaden, hun wangedrag of hun twijfelachtige morele kompas probeert de maker niet alleen het waarom van hun daden te onderzoeken, maar ook in breder opzicht een uitspraak te doen over de staat van de mens: wat zegt hij over ons?

Dus maakte toneelschrijver David Mamet een toneelstuk over Harvey Weinstein en maakte Paolo Sorrentino een film over Berlusconi. Dus maakte regisseur Adam McKay, die al een toneelstuk over Bush junior op zijn naam had staan, een film over Dick Cheney. Het zijn werken die, onder het mom van satire, een ‘foute’ man vanuit een ‘correct’ perspectief belichten. Maar ik kan me niet aan het idee onttrekken dat de grens tussen doorgronden en vergoelijken wel heel dun is. Ik kan me niet aan het idee onttrekken dat het verheerlijken op de loer ligt, misschien niet eens zozeer een verheerlijking van deze mannen als wel van hun macht. Ik kan me niet aan het idee onttrekken dat deze makers er plezier uit halen om zich, al was het maar voor even, te vereenzelvigen met mannen die zo machtig zijn dat ze het zich kunnen veroorloven om de grens tussen goed en fout steeds iets verder op te schuiven. Ik kan me niet aan het idee onttrekken dat deze werken bedoeld zijn om je aan te verlekkeren, zodat je je zelf ook even fout kunt wanen.

Er zijn, met name in Hollywood, nog steeds meer mannelijke regisseurs dan vrouwelijke. Er zijn meer mannelijke scenarioschrijvers en er zijn meer mannelijke producers. Filmcrews bestaan grotendeels uit mannen en studio’s worden geleid door mannen. Dat heeft een logisch gevolg: mannelijke personages hebben meer tekst en ze hebben ook meer kleren aan. (Elk jaar wordt dit keurig geturfd door het Annenberg Inclusion Initiative van de University of Southern California en elk jaar wordt er gemeld dat de cijfers onveranderd zijn.) Je zou kunnen concluderen dat het tevens de reden is dat mannelijke schurken beter worden bestudeerd dan vrouwelijke. Je zou kunnen concluderen dat het wangedrag van mannen wordt goedgepraat, zelfs wordt bewonderd, omdat mannelijke makers meer interesse en meer inzicht zouden hebben in (varianten op) zichzelf. Maar het verschil tussen de manier waarop mannelijke en vrouwelijke schurken in films worden verbeeld legt nog iets anders bloot, namelijk dat we mannen en vrouwen niet op dezelfde manier beoordelen. Dat geldt niet alleen voor films, het geldt zeker ook buiten de bioscoop, waar het vergoelijkende ‘boys will be boys’ geen vrouwelijke variant kent. Waarom is dat? Waarom beoordelen we mannen en vrouwen op verschillende manieren? Omdat we van mannen iets anders verwachten dan van vrouwen.

Is de vrouwelijke schurk wel het rolmodel dat we op dit moment nodig hebben?

Van hem verwachten we dat hij actief is. Ambitieus. Dat hij autoritair en zelfs overheersend is. Dat hij grenzen opzoekt en te buiten gaat. Dat hij de regels naar zijn hand zet. Het behoort allemaal tot gedrag dat we bij mannen toejuichen en belonen, terwijl het bij vrouwen wordt veroordeeld en bestraft. Van haar verwachten we dat ze haar grenzen juist kent en respecteert. Dat ze zich beheerst. Dat ze charmant is, maar niet te. Dat ze stil is, maar niet te. Dat ze niet opvalt. Dat ze nooit de aandacht trekt, want aandacht moet haar gegéven worden. De vrouw die zich aan die ongeschreven regels houdt, wordt beloond. De vrouw die dat niet doet, de vrouw die onverholen ambitieus is, die pioniert, de vrouw die haar mond opentrekt bij een talkshow, die zich schreeuwerig of sexy kleedt, die te hard praat, die zichtbaar aangeschoten is, de vrouw die een hoge positie bekleedt, die politiek bedrijft, die de status quo bevraagt, letterlijk, of gewoon door te zijn wie ze is – die wordt veroordeeld of anders nauwlettend in de gaten gehouden. ‘Moeten we wel een vrouw aan de top willen?’ is de vraag die klinkt wanneer één vrouwelijke burgemeester faalt. Eén misstap en niet alleen zij maar álle vrouwen hebben afgedaan – iets wat nu nooit gebeurt wanneer een man op zijn smoel gaat. Het verschil is soms schrijnend groot: een criminele man kan alsnog in de armen gesloten worden terwijl een vrouw voorgoed in de ban kan worden gedaan vanwege een faux-pas.

Dit najaar verschenen er twee (door vrouwen geregisseerde en geschreven) misdaadfilms over vrouwenbendes: stripboekverfilming The Kitchen (Andrea Berloff) over de Ierse maffia in het New York van de jaren zeventig en het op feiten gebaseerde Hustlers (Lorene Scafaria) over een groepje strippers dat na de financiële crisis van 2008 samenspant om mannen te beroven. Wat betreft zeggingskracht en kwaliteit zijn de films niet te vergelijken: Hustlers is de betere film en heeft met Ramona (gespeeld door Jennifer Lopez) ook nog eens een enigmatische, Scorsese-waardige schurk in de hoofdrol, maar de films ontwikkelen zich wel allebei langs min of meer dezelfde plotlijn: goede vrouwen worden crimineel uit noodzaak en daarna, omdat macht corrumpeert en geld naar meer smaakt, worden ze slecht. Hun morele twijfelachtigheid komt kortom voort uit emancipatie, waarmee de films passen in deze tijd van #MeToo, waarin het feminisme zoekt naar sterke rolmodellen om de verhalen van misbruik en slachtoffers mee te compenseren.

Maar, kun je je afvragen, is de vrouwelijke schurk wel het rolmodel dat we op dit moment nodig hebben? Waarom zouden we een crimineel personage nodig hebben om emancipatie mee te vertegenwoordigen? En waarom ligt de nadruk überhaupt op emancipatie? Zelf verlang ik niet naar een vrouwelijke variant op Travis Bickle omdat hij slécht is maar omdat hij interessant en complex is. Omdat hij prikkelt, tot nadenken stemt en morele kwesties ter discussie stelt. Omdat hij wordt benaderd met eerbied, interesse en ernst.

Ramona (Jennifer Lopez) en Destiny (Constance Wu) in Hustlers © The Searchers

Iets van waar ik naar verlang herkende ik in Anne, de ondoorgrondelijke hoofdpersoon uit het even zo ondoorgrondelijke Deens-Zweedse drama Queen of Hearts (May el-Toukhy, 2019). Anne (gespeeld door de Deense vedette Trine Dyrholm) is een getrouwde advocaat met twee jonge dochters. Als haar zeventienjarige stiefzoon bij haar en haar echtgenoot intrekt, verleidt ze hem. De morele grens die Anne daarmee overschrijdt is tot op zekere hoogte nog te begrijpen, maar hoe meer ze vervolgens met haar rug tegen de muur komt te staan, hoe onverklaarbaarder haar keuzes worden. Oppervlakkig gezien is Anne een monster in de traditie van The Graduate en Basic Instinct: een gewetenloze maneater, een femme fatale bekeken vanuit mannelijk perspectief. Maar Anne heeft een gelaagdheid die Mrs. Robinson en Sharon Stone’s Catherine Tramell niet hebben. Niet omdat regisseur El-Toukhy en co-scenarioschrijver Maren Louise Käehne haar per se begrijpen, maar omdat ze oprecht in haar geïnteresseerd zijn, niet als plot-element of symbool, maar als mens. Er komt geen antwoord op de vraag waarom ze slecht is, maar de vraag wordt, anders dan in andere films over slechte vrouwen, wel gesteld. Anne is een enigma: ze is intrigerend en verontrustend, aantrekkelijk en afstotelijk. Daarmee lijkt ze meer op de Joker uit The Dark Knight dan op die uit Joker. Met dit verschil: ze heeft niet de schurkenbijrol maar ze is het onbetwiste middelpunt van de film. Ze dráágt de film, ze vult het hele scherm, vaak zelfs letterlijk. Bij elke bocht in het scenario, bij elke afgrijselijke afslag die ze neemt, probeer je haar gezicht te lezen, haar blik te doorgronden – tevergeefs.

Queen of Hearts doet kortom iets wat Joker niet voor elkaar kreeg: de schurk krijgt de hoofdrol maar zij maakt geen ontwikkeling door. Van begin tot eind is ze ondoorgrondelijk. Ze is niet sneu en niet meelijwekkend, ze is niet eens sympathiek. En toch ben je bij haar betrokken. Toch is ze fascinerend. Natuurlijk, Queen of Hearts werd in Europa gemaakt, als arthousefilm, en niet in Hollywood voor een mainstream publiek, zoals Joker en Maleficent 2. Voor Queen of Hearts gelden dus ruimere regels, en de impact is ook kleiner. Maar de film geeft wel een voorbeeld van hoe een schurk verbeeld zou kunnen worden, ook in films die worden gemaakt voor een breder publiek. Of dat nu een mannelijke of een vrouwelijke schurk is, zou in theorie niet uit moeten maken, maar de vrouwelijke schurk heeft wel iets in te halen.


Maleficent 2 en Joker zijn nu te zien. Queen of Hearts is verkrijgbaar op dvd en te bekijken via alle streamingdiensten*