Antireclame

Carel Alons, directeur van de Rotterdamse schouwburg, probeert ieder seizoen theater uit het buitenland op zijn podium te krijgen. Dat is zeer in hem te prijzen. Toonaangevend buitenlands theater zien we over het algemeen alleen in juni, tijdens het Holland Festival, naar de subjectieve smaak van de festivaldirecteur. Carel Alons probeert dat in ieder geval te doorbreken.

Zo zagen we in de afgelopen jaren op zijn Rotterdamse podium onder meer werk van Roberto Ciulli en de toernee-afdeling van de Royal Shakespeare Company. Helaas was het allemaal niet zo best wat we te zien kregen. Met als dieptepunt een van-dik-hout-zaagt-men- toneelplankenversie van Richard III.
Dit seizoen stuitte Alons op een combinatie die hem wel wat leek: het innoverende Britse gezelschap Nottingham Playhouse had de Roemeense regisseur Silviu Purcarete (bekend van brutale versies van Ubu Roi en Titus Andronicus) uitgenodigd om De storm te komen regisseren, Shakespeares zwanezang. Purcarete bedacht een nagenoeg kaal, bemarmerd speelvlak met daarin een draaitoneel. Op drie kwart van de toneelopening is een soort draadwerk aangebracht, waardoor het speelvlak op een wonderlijke manier wordt verkleind. Een feeerieke belichting en handige boventiteling completeerden de bijna ideale voorwaarden voor deze voorstelling.
En toen kwamen de acteurs.
De storm vertelt het verhaal van een verdreven Italiaanse hertog, Prospero, die met zijn dochter Miranda, de bosgeest Ariel en de primitieve slaaf Caliban op een eiland woont. Prospero ‘tovert’ een storm, waardoor het schip met al zijn voormalige tegenstanders op het eiland wordt geslingerd. De tovenaar en zijn geest laten hen talloze angsten uitstaan. Aan het eind wordt bijna iedereen met iedereen verzoend, en legt Prospero zijn toverkrachten af. Men keert terug naar Italie. Ariel wordt gespeeld door zeven bepoederde figuren met staartpruiken, waaronder een strijkkwartet, dat een muzikaal leidmotief aan de voorstelling meegeeft: een aria uit Le nozze di Figaro van Mozart. Caliban heeft in het decor een eigen plek (met een werkend vulkaantje) waar hij verwoed mag loeien in zijn uit de krachten gegroeide Pampers. Het draaitoneel wordt fraai gebruikt en zorgt voor talloze verrassingen.
Maar toen kwamen de acteurs.
Zo'n stel van die verwaande Britse apen met een mud hete piepers achterin de kelen. Steunzolentoneel volgestort met die onverdragelijke toooneeltooonen. Een Prospero (Gerrard McArthur) die het zo ongelofelijk met zichzelf heeft getroffen, dat je gaat verlangen dat die man zichzelf een keertje wegtovert. En die ene acteur die nog iets moois doet (John Lloyd Fillingham als de nar Trinculo) gaat op den duur ook de maniertjes van zijn omgeving overnemen. Die truc met de verzevenvoudigde Ariel is, nadat de bepoederde figuurtjes voor de zoveelste keer vermoeid komen opsloffen, uitgewerkt. Deze versie van De storm ontpopte zich als een opgerekte, verschrikkelijke antireclame voor toneel en voor Shakespeare. Ik ben na de pauze toch nog gebleven, om te zien hoe Purcarete zich uit het slot van De storm zou redden. Want de wijze waarop Prospero zich zowel ontdoet van zijn wraak als van zijn toverkracht, is in de eenvoud van de textuur van een overdonderende schoonheid. Niks van gezien. Prospero zet voor de spiegel een staartpruikje op, doet een rode jas aan, schminkt zich als de bariton in een derderangs operahuis. En wat maakt-ie van het slot: jawel hoor, opera! Hij dondert en dendert en bulderbaant en patronaatstoneelt zich door die prachtige regels heen, de boventiteling staat op standje tien, Shakespeare wordt vermalen tot staccatocommando’s.
Alons, spaar wat langer, jaag op iets meer geld, en breng ons volgend jaar het Berliner Ensemble met de laatste regie van Heiner Muller, Brechts Arturo Ui. Je weet nu hoe het moet: ING erbij, de KPN en desnoods die verzekeringsfirma van Rijk de Gooijer. Een volle week toptheater, vijf dagen uitverkocht huis. En wij houden weer van je.