Antoine destutt de tracy tweehonderd jaar ideologie

In 1796, dus precies tweehonderd jaar geleden, introduceerde Antoine Destutt de Tracy het begrip ‘ideologie’. Wat hem daarbij voor ogen stond, was een ‘wetenschap der ideeën’. Al spoedig echter veranderde het begrip ‘ideologie’ van betekenis. Tot verbittering van De Tracy, die miskend stierf en door iedereen vergeten is.
DE TRAGIEK VAN Antoine Destutt de Tracy (1754-1836), munter van de term ‘ideologie’, ligt besloten in de metamorfose die zijn ideologiebegrip al tijdens zijn leven onderging. Op de kop af tweehonderd jaar geleden schonk De Tracy, enige zoon uit een adellijke familie die al generaties lang koning en kerk loyaal had gediend, de wereld zijn nieuwe ‘wetenschap der ideeën’, door hem ‘ideologie’ gedoopt.

Dat het begrip later niet meer op een wetenschap maar veeleer op een wereldbeeld zou duiden en op den duur, door de excessen van fascistische en communistische regimes, in een kwade reuk zou komen te staan, had De Tracy destijds uiteraard niet bedoeld, maar wel kunnen vermoeden. Ideologie bleek namelijk al spoedig niet de neutrale term te zijn die De Tracy dacht te hebben gekozen. Ze kreeg al snel de trekken van een politieke doctrine. Want De Tracy’s wetenschappelijke ideologie werd de politieke ideologie van de nieuwe Franse Republiek, het Directoraat, dat sinds 1795 aan de macht was.
De grote held uit De Tracy’s jeugd was Voltaire, die hij, zoals iedereen van zijn leeftijd, grondig bestudeerde en tot aan zijn eigen dood bleef verdedigen. Antoine, wiens leven in het teken van de twijfel stond, besloot èn naar de Artellerieschool te gaan èn colleges te volgen aan de universiteit van Strasbourg. Vervolgens verwierf hij al spoedig naam en faam als denker. De Franse schrijver Stendhal noemde hem ‘onsterfelijk’ en de 'enige grote filosoof die Frankrijk heeft’. Zijn hoofdwerk, de vierdelige Elémens d'ideologie, werd in het Spaans, Engels en Duits vertaald en door veel mensen gelezen. Maar na zijn dood raakte De Tracy al snel verstrikt in de webben der vergetelheid.
DE TRACY’S GROTE droom was door middel van zijn wetenschap der ideeën een nieuwe sociale en politieke orde te bedenken. Hij hoopte maatschappelijke problemen op te lossen door de heersende ideeën te analyseren en de mensenlijke motieven en passies te ontrafelen. 'Niets bestaat voor ons, alleen de ideeën die we erover hebben bestaan, omdat onze ideeën ons hele zijn omvatten, ons bestaan zelf.’ Met die opvatting sloot hij aan bij de Engelse filosoof John Locke, die beweerde dat gevoelens de bron zijn van al onze ideeën.
De Tracy zag zijn wetenschap der ideeën als een strenge wetenschap die niet mocht worden verward met de psychologie, want die wetenschap was uit op kennis van de ziel, wat associaties opriep met religie. De nieuwe wetenschap moest volgens de anti-clericale De Tracy totaal vrij zijn van religie. De ziel vond hij een misleidend en vaag voortbrengsel van 'metafysische dromerij’.
De Tracy viel daarmee de middeleeuwse hiërarchie der wetenschappen aan. De theologie, tot dan toe de belangrijkste wetenschap, werd door De Tracy uit het systeem van wetenschappen geschrapt: 'Niet uit respect of minachting, maar omdat theologie òf van God komt, waardoor ze boven de menselijke rede staat, òf van menselijke dromen, waardoor ze onder de menselijke rede staat.’ Op de plaats van theologie moest 'ideologie’ staan, want 'men moet kennis hebben over hoe men weet, uitdrukt of leert alvorens te geloven of te kunnen leren.’ Onder 'ideologie’ plaatste De Tracy de wiskunde, gevolgd door de natuurwetenschap en haar toepassingen, en ten slotte de morele en politieke wetenschappen. De Tracy voerde zijn wetenschapsopvatting tot in het extreme door. Hij riep om een 'Newton van de wetenschap der gedachten’, waarbij hij, volgens zijn biograaf Kennedy, waarschijnlijk zichzelf in gedachten had.
De Tracy’s 'ideologie’ is een typische exponent van het Verlichtingsdenken. De Verlichters geloofden dat door wetenschappelijk onderzoek de wereld steeds beter te begrijpen zou zijn en dat de mensheid haar lot in eigen hand kon nemen. Het Frankrijk van het einde van de achttiende eeuw kende grote problemen. Er waren uitbarstingen van burgerlijk geweld, er was politieke agitatie, ministers en parlement rolden vechtend over straat, en er was intellectuele onrust door de verspreiding van de Encyclopédie van de philosophes en de werken van Rousseau, Montesquieu en Diderot. Het was in deze context dat De Tracy zijn plannen ter redding van de wereld ontwikkelde.
In het revolutiejaar 1789 stond De Tracy voor een pijnlijk dilemma. Hij moest kiezen tussen de revolutionaire hervormingen, waarmee hij sympathiseerde, en de koning. Een moeilijke keuze, want in 1793 was hij getrouwd met Emilie Louise de Durfort de Chivrac, een belangrijke dame die verre familie was van koning LouisXIV, met als gevolg dat De Tracy tot de hofadel ging behoren. Toen de adellijke stand door de revolutie werd opgeheven, was De Tracy een van de eersten die zijn zilveren zwaard en gespen, de symbolen van zijn adellijke afkomst, inleverde. Hij bleef desondanks twijfelen en hield tijdens de Nationale Vergadering die vlak voor de Revolutie bijeenkwam, de lippen stijf op elkaar.
Doordat hij zich niet uitsprak tegen de koning, werd hij, nadat de koning door de jacobijnen van zijn troon was geschopt, gearresteerd. Volgens de leider van het nieuwe terreurbewind, Robespierre, was De Tracy loyaal geweest aan de koning en hoorde zijn kop dus onder de guillotine. Op een avond verscheen er echter een vrouw op het open veld voor het gevangenisraam van De Tracy, die haar robe opendeed en een pierre in haar hand had, en vervolgens een gebaar maakte alsof ze zichzelf in de nek sneed. Op dat moment wist De Tracy: Robespierres bewind is niet meer. Na een paar maanden werd De Tracy vrijgelaten. Tot grote schrik van zijn vrouw was zijn haar geheel wit geworden.
Toen hij in 1821 op die tijd terugkeek, vroeg hij zich af waarom mannen zich meer zorgen maken over het grijpen van de macht dan over het vergaren van kennis. 'Mannen houden ervan om ladders op te klimmen zoals apen, en als ze bovenaan zijn kunnen ze niets anders doen dan hun achterwerk laten zien.’
NA DE VAL VAN Robespierre richtte De Tracy samen met de filosoof Condorcet de kring Les Idéologues op, die zich verenigden in het Institut National. Napoleon, toen nog generaal, was lid van dit Institut en zette een aantal ideologen, onder wie De Tracy, op belangrijke bestuurlijke posities. De Tracy werd onderwijsadviseur en streed voor het belang van 'ideologie’ op scholen, wat hem in ernstig conflict bracht met de katholieke kerk.
Ondertussen was Napoleon bezig steeds meer macht te vergaren. Daarbij zag hij zijn ambities door de ideologen gedwarsboomd. In 1803 hief hij de afdeling morele en politieke wetenschappen van het Institut National op en gaf hij de ideologen de schuld van alle ellende die Frankrijk had overspoeld. Door Napoleons verdachtmakingen aan het adres van de ideologen veranderde het begrip ideologie van betekenis: het verwees niet meer naar de wetenschap der ideeën, maar naar de Verlichtingsideeën waarop die wetenschap was gestoeld.
De Tracy raakte zwaar teleurgesteld. Zijn ideeën over een nieuwe orde bleken een droom die nooit bewaarheid werd. Na de opheffing van de kring der ideologen was er niemand meer die De Tracy’s 'ideologie’ verdedigde. Zijn geesteskind werd het onderwerp van genadeloze aanvallen in de pers. In 1830 schreef De Tracy aan zijn zoon dat hij 'wenste dat iedereen hem maar als dood beschouwde en dat hij niet meer wilde dat er mensen over hem spraken of schreven’.
Toen in datzelfde jaar, vijftien jaar na de val van Napoleon, de Académie des Sciences Morales et Politiques weer in ere werd hersteld, gaf hij te kennen er niet in te willen terugkeren. Niettemin werd hem door de Académie een leerstoel aangeboden in de filosofie, maar De Tracy verscheen slechts éénmaal op zijn werk. De oude philosophe sloot zichzelf op in zijn appartement en zei tegen een bezoeker, terwijl hij opkeek naar de hemel: 'Ik ben niet meer van deze wereld. Wat daarbuiten gebeurt interesseert me niet meer.’ Toen zijn secretaresse een paar dagen voor zijn dood zijn eigen werken aan hem voorlas, riep hij uit: 'O, wat vreselijk saai is het toch! Hoe meer we leren, hoe meer we ontdekken dat we niets weten.’
Na zijn dood schreef iemand over hem: 'Hij was een van de belangrijkste mannen, een van de meest diepzinnige mensen die ik kende. Een vreselijk verlies. De toekomst zal hem groter maken.’
Dat bleek vergeefse hoop.