Antoine Verbij, 25 juni 1951 - 9 oktober 2015

Afgelopen weekend kregen wij het verdrietige bericht dat Antoine Verbij is overleden. Antoine kwam in 1986 bij De Groene Amsterdammer werken als eindredacteur en werd al snel daarna adjunct-hoofdredacteur. In de jaren negentig was hij de drijvende kracht van ons blad.

Antoine was, zou hij zelf in De Groene Amsterdammer schrijven, een paapse jongen die later marxist werd. Als kind wilde hij zelfs paus worden. Hij werd in het oer-Hollandse tuindersdorp Boskoop geboren in een katholiek nest. Het marxisme maakte hij zich eigen in Amsterdam, waar hij in september van het Maagdenhuisjaar 1969 op de geboortegolf kwam aangespoeld. Hij ging er psychologie en filosofie studeren, werd lid van de alternatieve studentenvereniging Akhnaton en stortte zich in het in politiek, ideologieën en activisme gedrenkte studentenleven van de jaren zeventig. Hij maakte zich het denken van de neo- en postmarxistische filosofen eigen en zette zich in voor de ‘kritische psychologie’. Het laatste resulteerde in 1977 in de oprichting van het wetenschappelijke tijdschrift Psychologie en maatschappij, waar hij jarenlang aan verbonden zou zijn. De transformatie daarvan van gestencild platform voor linkse psychologen tot een professioneel uitgegeven interdisciplinair tijdschrift was ook zeker zijn verdienste.

Het rode decennium zou hem vormen; jaren later, in 2005, zou hij er ook een boek over schrijven: Tien rode jaren: Links radicalisme in Nederland 1970-1980. Daarin, en in het Manifest voor de jaren zeventig dat hij met Jos van der Lans schreef, nam hij het ook op voor het inmiddels zo verguisde decennium. Want juist de jaren zeventig hadden Nederland het vrijzinnige, tolerante en beschaafde gezicht gegeven waar het in de wereld zo om wordt gewaardeerd. Het engagement van die jaren zou altijd een energiebron voor hem blijven.

In 1986 werd Antoine eindredacteur bij De Groene Amsterdammer. Hij was de beste eindredacteur die het blad ooit heeft gekend: erudiet, intelligent, met een feilloos gevoel voor taal en stijl, dienstbaar en inventief. In een vloek en een zucht vertimmerde hij het warrige proza van academici tot gestroomlijnde essays en zette er een prikkelende kop en intro boven. Hij bracht orde in de lichte chaos die toen bij De Groene heerste; in de kast achter zijn bureau lagen de stukken in keurige mapjes – met floppie!, het was aanvankelijk het pre-internettijdperk – naar de week van publicatie opgestapeld. Al snel werd hij benoemd tot adjunct-hoofdredacteur. Hij was de ideale tweede man. Terwijl hoofdredacteur Martin van Amerongen de hort op ging om in zijn driedelige pak De Groene te vertegenwoordigen en adverteerders binnen te hengelen, maakte Antoine onzichtbaar het blad. Het was alsof hij altijd bij de telefoon zat; attent en aardig stond hij vaste medewerkers en spontane inzenders van kopij te woord. Een hele stoet jonge journalisten, al dan niet als stagiair, werd door hem in het vak ingewijd.

Zelf schreef hij ook voor De Groene, veel over nieuwe en oude filosofen, van Baudrillard, Derrida en Deleuze tot Camus, Heidegger en Spinoza. Daarnaast gaf hij ook al snel blijk van zijn andere liefde: Rusland, de Russische geschiedenis en literatuur. Antoine was een breed georiënteerde intellectueel, die zich even goed tot denkers als tot dichters wist te verhouden. Hij hield zowel van de Russische meesters als van avant-gardistische schrijvers. In zijn ‘Ars combinatoria’, de column die hij jaren voor De Groene maakte, wist hij zijn brede belezenheid soepel in een eigenzinnige vorm te gieten.

In 2001 vertrok Antoine bij De Groene Amsterdammer. Hij had ondertussen Denkers achter de dijken: De opmars van de filosofie in Nederland gepubliceerd en ging aan het werk als freelance publicist. Niet veel later verhuisde hij met zijn vrouw, de journaliste Annemieke Hendriks die hij bij De Groene had leren kennen, naar Berlijn, de stad die voor hen een vanzelfsprekend scharnierpunt tussen Oost- en West-Europa was. Hij werd door Trouw, waarvoor hij al recensies schreef over Russische literatuur, gevraagd Duitsland-correspondent te worden. Zo werd de intellectueel, die zijn stukken vanuit de studeerkamer placht te schrijven, opeens een energieke journalist die met verve over alle mogelijke aspecten van Duitsland schreef.

Antoine bleef ook voor De Groene Amsterdammer schrijven; grote, diepgravende verhalen over Duitse denkers en schrijvers. Vorige week stond zijn laatste stuk in ons weekblad, de prikkelende kop had hij er zelf boven gezet: ‘Hitler, Mein Kampf en ik’. Wij zullen zijn verhalen maar vooral Antoine zelf verschrikkelijk missen. Hij was behalve medewerker een trouwe, betrokken en aimabele vriend van ons redacteuren en De Groene.