Anton constandse

Anton Constandse werd van anarchist ex-anarchist maarbleef de vriendelijke en wijze libertair die hij altijd wasgeweest. In zijn herinneringen, postuum door Laurens vanKrevelen uit allerlei geschriften verzameld onder de titel De bron waaruit ik gedronken heb, zegt hij: ‘Iedereen verandert.

Ik ook. Op kritieke ogenblikken heb ik sommigeconcepties drastisch herzien. Wat dat betreft vormt de Spaanse Burgeroorlog het grote keerpunt in mijn leven. Toen bleek het nodig de staatloze idealen van hetanarchisme op te offeren aan het verzet tegen het fascisme. Een keuze dus van het kleinste kwaadtegen het grootste kwaad. Toch is mijn benaderingswijze van de problemen van onze samenleving dezelfde gebleven. Mijn uitgangspunt wordt gevormd door de strijd voor de persoonlijke vrijheid. Ik sta erg wantrouwend tegenover de collectiviteit. Elke collectiviteit voelt zich altijd bedreigd, en dat brengt een hele serie van agressie, angsten, collectieve machts gevoelens, afschuivingen van verantwoordelijkheid met zich mee. Het enige tegenwicht tegen de meerderheid lijkt mij een zo groot mogelijke vrijheid voor de minderheid.’
Constandse las in de zomer van 1917de brieven van Ibsen schreef over de Parijse Commune van 1870. Al eerder, op catechisatie, had hij volop mee gedebatteerd over een radicale, pacifistische uitleg van het evangelie. Toen hij zich meer inhet socialisme ging verdiepen, ontbrandde zijn geestdrift voor Bakoenin en eind 1918 sloot hij zich aan bij eensociaal-anarchistische jeugdorganisatie. Hij was niet via de socialistische arbeiders beweging tot het anarchisme gekomen, maar langs de weg van de letterkunde en de wijsbegeerte. Hij bleef dan ook lang zweven tussen vrijheid lievend individualisme en het staatloze socialisme.
Hij worstelde in die tijd al met het probleem of de stem van de meerderheid altijd de doorslag moet geven, ook alseen vooruitziende minderheid gelijk had. Hij zag wel in dat elke maatschappij nu eenmaal een organisatie is waar we ons niet buiten kunnen plaatsen, hoogstens er tegenover ineen voortdurende protesthouding. Maar dat leek hem onvruchtbaar omdat het zou uitlopen op een nihilistisch queruleren. Constandse wilde sociaal-anarchist zijn, maar hij was in de eerste plaats vrijdenker, verdediger van het godsdienstloze denken en een bevrijd ethisch oordeel. De Spaanse Burgeroorlog werd het breekpunt. In mei 1937 maakte hij in Catalonie de marxistische overval op delibertaire antifascisten mee. Aanvankelijk bleef hij de samenwerking met de staatssocialisten tegen Franco verdedigen, maar anderhalf jaar later trok hij zich terug uit de anarchistische beweging. Hij was niet langer in staat de vertrouwde denkbeelden te propageren.
De Tweede Wereldoorlog en de jaren in Sint-Michielsgestel en Buchenwald voltooiden die ontwikkeling. Na de oorlog concludeerde hij dat alle revoluties van deze eeuw gewelddadig en autoritair waren. Maar voor Bakoenin en het sociaal-anarchisme behield hij zijn eerbied: ‘Welke redelijke of ethische argumenten zou men kunnen aan wenden tegen een ideaal van de hoogste persoonlijke vrijheid, de broederschap tussen alle volken, het vrijwillige samenleven, een wereld zonder legers, een mensheid die niet wordt overheerst en niet door staten wordt verdeeld? Alleen: de mens en de maatschappij zijn zo gecompliceerd, dat rede en ethiek slechts een deel van het leven uitmaken. De onredelijkheid en boosaardigheid zijn even reeel als de wijsheid en de goedheid. ’ Een herleving van het anarchisme ziet hij dan ook hoogstens als een opvlamming van het rebelse individualisme, een emotionele protest houding zonder hoop op maatschappelijke omwentelingen: 'West- Europa is contrarevolutionair geworden, het proletariaat inbegrepen. De droom is ten einde.’
Maar, zegt hij meermalen, hij heeft nooit 'gespuwd in de bron waaruit ik gedronken heb’. Zijn atheisme enhumanisme is hij niet ontrouw geworden toen hij zich meerging bezig houden met de modernste geschiedenis en deinternationale politiek. 'Een romanticus zou zeggen dat ik het anarchisme heb vaarwel gezegd, zoals men afscheidneemt van een gestorven geliefde. En ik ben niet hertrouwd. Maar ik geloof niet aan wederopstanding…’