Links en de identiteitspolitiek

Antwoord aan Engelen

In zijn economiecolumn in De Groene van 1 februari stelt Ewald Engelen dat links te veel bezig is met de vrouw, de homo en de migrant en te weinig met economische ongelijkheid. Links zou rechts daarmee in de kaart spelen. Dat is viermaal een misverstand.

Medium groene links economisme

En weer is het de schuld van de vrouw, de homo en de migrant. Tenminste als we Ewald Engelen moeten geloven in De Groene van 1 februari: ‘De belangrijkste teloorgang van links is volgens mij de terreur (sic) van de identiteitspolitiek waar Nederland nu al dertig jaar onder lijdt. (…) Inkomen, kapitaal en onderwijskwaliteit zijn kennelijk even belangrijk als hoofddoekjes, kinderfeestjes en seksuele gebruiken.’

Het staat er echt: dat er wordt gediscussieerd over Zwarte Piet, dat moslims hun godsdienstvrijheid verdedigen en dat homo’s hebben gestreden voor de openstelling van het huwelijk, is de hoofdoorzaak van de teloorgang van links. Homo’s, feministen en zwarte activisten zijn vervelende aandachtstrekkers die afleiden van waar het werkelijk om zou moeten gaan: klassenstrijd.

Nu is dit geen nieuw geluid. Sinds de opkomst van populistische partijen en de overwinning van Donald Trump krijgen progressieve partijen het verwijt dat ze te veel aandacht hebben besteed aan culturele thema’s terwijl ze de toenemende economische ongelijkheid zouden hebben verwaarloosd. In de Verenigde Staten werd dit geluid het meest eloquent vertolkt door de politicoloog Mark Lilla: de Democraten zouden hun oren te veel hebben laten hangen naar ‘identiteitsbewegingen’. De overwinning van de Republikeinen, net zo goed als de Britse keuze voor de Brexit, het zou allemaal de schuld zijn van degenen die zich druk maken over discriminatie op grond van ras, geloof, gender en seksuele voorkeur. Dat type culturele kwesties zou voor lager opgeleide linkse kiezers niet van grote betekenis zijn. Die kiezers zijn vooral geïnteresseerd in partijen die hun economische zorgen serieus nemen, zo meent Lilla.

Zijn ongelijk is de afgelopen maanden in vele publicaties aangetoond. Zo bleken bepaald niet alleen lager opgeleiden Trump aan de overwinning te hebben geholpen. En nog belangrijker: de kiezers voor Trump wilden helemaal niet af van identiteitspolitiek. Boze witte stemmers in arme delen van Amerika bleken zich namelijk een nieuwe minderheid in eigen land te voelen. De Amerikaanse sociologe Arlie Hochschild heeft in haar boek Strangers in Their Own Land laten zien dat deze kiezers buitengewoon veel belangstelling voor identiteitspolitiek hebben. Zij wilden ook erkenning. Niet alleen economisch, juist cultureel. En dat is precies wat de Republikeinen, met Trump voorop, hun gaven: eerherstel van de boze witte man.

De vraag is dus niet: wel of geen identiteitspolitiek, maar: welk type? Verwoord door wie? Ten behoeve van wie? Hoe kan Lilla van minderheden verwachten dat zij hun identiteitspolitiek staken wanneer (voorheen) meerderheden (man, wit, heteroseksueel) zich zo luidruchtig laten voorstaan op hun identiteit?

Volgens Engelen en Lilla zou links zich echter moeten beperken tot economische kwesties en geen ‘identiteitspolitiek’ moeten voeren. In dit type redenering is sprake van minstens vier misverstanden.

Alsof identiteitspolitiek pas bestaat als de gediscrimineerde groepen gelijke rechten claimen. Alsof witte, heteroseksuele mannen niet eeuwenlang vanzelfsprekend de baas zijn geweest en dus eindeloos hun eigen identiteitspolitiek hebben gevoerd. Wie gaven en geven leiding aan ons land? Wie waren en zijn de baas bij werkgevers en vakbeweging? Dominante groepen hebben vaak niet in de gaten dat zij, nog veel sterker dan gemarginaliseerde groepen, publiekelijk identiteiten uitdragen en daarmee zowel impliciet als expliciet culturele normen opleggen aan anderen. Wat de norm is, wordt vaak niet herkend als identiteit, want door de ‘normalen’ als vanzelfsprekend, als ‘neutraal’ beleefd. Dat laat zich goed illustreren aan de hand van de situatie in Frankrijk waar minderheden al snel het verwijt krijgen zich te publiekelijk te manifesteren. Het hoofddoekje en de bourkini worden gediskwalificeerd als provocatief, als niet-passend bij de Franse moraal. Het Franse ideaal van neutraliteit in de openbare sfeer betekent in de praktijk van alledag dat minderheden zich in de ogen van de meerderheid al snel aanstootgevend gedragen en kleden.

Alsof sociaal-economische ongelijkheid en culturele achterstelling niet verknoopt zijn. De ergste economische uitbuiting (slavernij) trof niet toevallig zwarte Afrikanen en nog steeds worden, ook in Nederland, mensen op basis van huidskleur, achternaam en geloof op de arbeidsmarkt gediscrimineerd. Vrouwen verdienen nog steeds veel minder dan mannen en zijn nauwelijks economisch zelfstandig. Zeker in Nederland – dat zich zo graag laat voorstaan op zijn geëmancipeerde bevolking – is dit een pijnlijke kwestie. We sukkelen namelijk achteraan als het gaat om vrouwen in leidinggevende posities, hebben naar verhouding zelfs minder vrouwelijke hoogleraren dan bijvoorbeeld Turkije, en hebben nog nooit een vrouwelijke minister-president gehad. Ook homo’s hebben geleden onder discriminatie op de arbeidsmarkt. Zo werden zij, bleek recent, in Amsterdam decennialang niet als ambtenaar aangenomen. ‘Inkomen en kapitaal’ zijn niet los te zien van gender, etniciteit, leeftijd en seksuele voorkeur.

Zou er in plaats van te veel aandacht voor culturele erkenning wellicht eerder sprake zijn van te weinig?

Alsof links zoveel aandacht heeft voor de issues van feministen, homo’s en migranten. Hebben de linkse partijen in Nederland het echt vooral over de thema’s van deze groepen? Wie de recente verkiezingsprogramma’s erop naslaat, ziet dat alle linkse partijen een zwaar accent leggen op sociaal-economische onderwerpen. Bij de meeste van deze partijen is er daarnaast ook enige aandacht voor gelijke behandeling en emancipatie van gemarginaliseerde groepen. Maar eigenlijk valt die belangstelling best mee – of beter: tegen, althans in de ogen van betrokken minderheden. Want hoe valt anders te verklaren dat het juist mensen uit emancipatiebewegingen zijn die zich losmaken van linkse partijen en hun eigen partijen oprichten? Denk aan BIJ1 van Sylvana Simons, denk aan Denk, maar zie ook het electorale succes van Nida in Rotterdam. Zou er in plaats van te veel aandacht voor culturele erkenning wellicht eerder sprake zijn van te weinig?

Of van een problematisch type identiteitspolitiek waarin niet de minderheid maar de meerderheid centraal wordt gesteld? Recent lijkt het er immers op dat niet alleen Mark Rutte, Geert Wilders en Sybrand Buma de ‘normale’ en ‘gewone’ Nederlander aan hun borst drukken, ook linkse leiders doen er alles aan om op te komen voor ‘gewone mensen’. Natuurlijk, Jesse Klaver bedoelt daarmee vast ‘mensen-met-bescheiden-financiële-middelen’, maar het klinkt wel erg hetzelfde als het rechtse verhaal over ‘normale’ Nederlanders. Groepen die zich uitgesloten weten van de rechtse ‘normaliteit’ vinden weinig troost bij linkse partijen die het ook voortdurend over ‘gewone mensen’ hebben. (Lilian Marijnissen: ‘Als ik met gewone mensen in de wijken spreek, beginnen ze nooit over genderneutrale toiletten.’)

Ewald Engelen wil de aandacht voor gediscrimineerde groepen nog verder verminderen. Minister Kajsa Ollongren had in Engelens optiek Thierry Baudets racisme niet aan de orde moeten stellen, want dat genereert maar aandacht voor Forum voor Democratie. Hij wil dat linkse partijen over racisme en discriminatie hun mond houden uit angst voor overloop naar rechts. Maar stel dat een minister niet reageert, geeft dat niet juist legitimiteit aan Baudets racisme? En wat betekent dat zwijgen voor de positie van de mensen die Baudet achterlijk verklaart? Jarenlang hebben te veel ministers hun mond gehouden over de anti-islamretoriek van Wilders. Heeft hij daardoor minder aandacht gekregen? Hebben moslims daardoor minder onder Wilders geleden?

Alsof voorheen linkse stemmers nu een voorkeur hebben voor de PVV of FvD vanwege het ‘genderneutrale rompertje’ (dixit Engelen). Waarom lopen kiezers over naar pvv en fvd? Vanwege te uitbundige aandacht voor vrouwen- en homozaken ter linkerzijde? Dat is weinig waarschijnlijk, omdat fvd en de pvv precies over die onderwerpen hetzelfde verhaal hebben als linkse partijen. Het opmerkelijke van Nederland is nu juist dat ook ‘rechts’ de culturele erfenis van de jaren zestig stevig heeft omarmd. Dat is inderdaad anders dan in veel andere landen en zeker anders dan in de VS waar de culture wars nog volop worden uitgevochten en kiezers en politici diep verdeeld zijn over bijvoorbeeld het homohuwelijk of rechten van transgenders. Maar in Nederland? Als 94 procent van de Nederlanders het homohuwelijk steunt, hoeven linkse partijen niet bang te zijn voor vervreemding van kiezers als ze lgbt-doelen steunen. Lilla’s argument snijdt in Nederland al helemaal geen hout.

Progressieve culturele onderwerpen zijn door cda, vvd, fvd en pvv overgenomen om daar vervolgens nationalistische politiek mee te bedrijven. Identiteitspolitiek is dus vooral iets van rechts geworden – in polarisatie tot nieuwkomers, eerst vooral tot moslims maar recent ook tot zwarte Nederlanders. Het lijkt me dat Lilla en Engelen zich daar beter druk over zouden kunnen maken. Niet reageren op de zo sterk opkomende nationalistische, sterk nativistische retoriek is nauwelijks een optie. En progressieve bewegingen manen dat ze hun mond moeten houden omdat hun thema’s door rechts gebruikt worden al helemaal niet.

In het licht van bovenstaande lijkt het me van belang voor linkse politieke partijen om de vrouwen- en homobeweging juist weer méér te steunen zodat duidelijk wordt dat vrouwen- en homo-emancipatie niet alleen aan de rechterzijde worden beleden. Daarmee winnen de grote progressieve partijen wellicht kiezers terug die vinden dat deze partijen te stil op deze onderwerpen zijn geworden. En ze lopen weinig risico om kiezers te verliezen aan rechts omdat rechtse partijen, zoals gesteld, op deze onderwerpen de linkse agenda hebben overgenomen. De grootste winst van zo’n strategie is dat partijen laten zien dat steun voor vrouwen en homo’s kan zonder nationalistisch, islamofoob verhaal.

Maar alleen een sterker identiteitsverhaal is zeker niet voldoende. Want hoe écht te verklaren dat kiezers van links naar rechts overstappen? Het komt – en daar deel ik veel van Engelens economische kritiek – doordat progressieve partijen onvoldoende een aansprekend verhaal hebben over gelijkheid in een geglobaliseerde economie. Te lang hebben te veel progressieve partijen neoliberale dogma’s omarmd.

Maar er valt me, als niet-econoom, hierbij iets op. Dit neoliberalisme ging en gaat gepaard met een grote mate van identiteitspolitiek. De financiële afknijppolitiek van Jeroen Dijsselbloem ten aanzien van de Grieken ging niet toevallig vergezeld met opmerkingen over Zuid-Europese volken en hun identiteit: ‘We gaan die landen toch niet steunen omdat ze het geld maar uitgeven aan drank en vrouwen.’

En zelfs in Engelens economische bijdragen zit veel te veel identiteitsdenken. Zijn columns stralen een sterk verlangen uit naar ‘herstel van de natiestaat’, in anti-EU-retoriek die veel te veel lijkt op die van Baudet. Engelens permanente gevecht tegen ‘de elite’ in Europa – vaak aangeduid in termen van ‘zakkenvullers’ – creëert verontrustend veel ruimte voor alle populisten, ook die van rechts. Kan dat niet beter? Denkt Ewald Engelen nu serieus dat als we de afgelopen dertig jaar maar elk gesprek over mensenrechten hadden opgegeven we daar hogere vermogensbelasting voor in de plaats hadden gekregen? Waar blijft het niet-identitaire economische verhaal? Ik zie geen enkele reden waarom een progressieve economische politiek niet samen zou kunnen gaan met een linkse culturele agenda. Kunnen we niet gelijktijdig werken aan het veiliger maken van de levens van homo’s, vrouwen en migranten én het verkleinen van de economische ongelijkheid? Zo gesteld, zou dit toch eigenlijk een retorische vraag moeten zijn


Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS-KNAW).