Wat heb jij nou aan?

O, dat is mijn nieuwe pak, voor de presentatie van mijn debuutroman.
Nu al?
Over een half jaar, maar ik dacht: laat ik het maar vast proberen. Kijken hoe het aanslaat.
Apart, hoor. Heel apart.
Ja?
Echt apart. Vooral die vuilniszak om je middel. En die herfstblaadjes achter je kuiten. Design?
Ja, natuurlijk. Ann Demeulemeester. Heel hip.
Ook heel apart dat prikkeldraad zo om je bovenarmen. Staat goed bij die groene plastic druiven in je oren.
Demeulemeester kan wel wat.
Maar loopt dat niet ongemakkelijk, die houten platen in je knieholten?
In het begin wel, maar het went. En het is heel hip, daar gaat het om.
Hip?
Een debutant moet toch hip zijn? Anders val je niet op. Jong, dat ben ik. Nu nog interessant worden. En interessant gevonden worden. Dus heb ik kleren van Ann Demeulemeester gekocht. Dat is in. Ze heeft zelfs het Belgische leger aangekleed.
Wij dachten dat het Nederlandse leger bestond uit mietjes. Maar de Belgen zijn de risee van de Navo. Dat hoor je steeds.
Ach, als het maar hip is.
Weet je wat het is met dat hippe gedoe? Omdat het hip is durft niemand meer te zeggen dat hij het misschien helemaal niet mooi vindt. Of goed, of interessant. Er is geen kritiek meer. Ik zou willen dat iemand eens iets schreef dat niet door de beugel kon. Een boze roman of zo.
Ik kijk wel uit. Ik ga niemand beledigen. Dan kan ik mijn schrijverscarrière wel vergeten.
Lafaard.
Is niet laf, is gewoon slim.
Waarom schrijf je in je roman niet eerlijk wat je van Demeulemeester vindt? Zoiets als:
‘Je zal mij niet horen zeggen dat ik ooit een fan ben geweest van de SS, maar als het over hun uniformen gaat kan ik niet anders dan toegeven dat ze bij lange niet mis waren. Als je daarmee de nieuwe uniformen van het Belgisch leger vergelijkt. Tsjonge tsjonge. Het wijf dat die vodden van snit en naad heeft voorzien zouden ze standrechtelijk moeten fusilleren. Hoe heet ze ook weer? Godverdomme, dat haar naam mij ontsnapt, hoe is het mogelijk. Ik ben ooit 'ns met die griet naar bed geweest. Zo'n dwergpoliep met puitenogen en haar van op haar pruim tot op haar rug. Ik zou haar naam duizend keer noemen, als ik ’m niet vergeten was. Of nee, ik weet hem weer! Ann Demeulemeester! Juist ja. Wat had je gedacht, Volder? Uiteraard, makker. Bruine streep. En haar tong vol gaten van per ongeluk naalden in te slikken tijdens het afbiezen en het zomen inleggen. Dat pijpt niet lekker, dat kan ik je verzekeren. Jongens toch, die Ann Demeulemeester. Ik heb al veel misbaksels aan m'n toeter hangen, maar die spande de kroon.’
Maar dat durf je zeker niet te schrijven?
Nee, dat doe ik niet. Ik moet aan mijn toko denken.