Apetrots een gekooide blik

Tonnus Oosterhoff, Het dikke hart. Uitgeverij De Bezige Bij, 110 blz., f24,50.
De geruststellende wetenschap dat de wereld er morgen na het ontwaken net zo zal uitzien als gisteren, wordt in de literatuur regelmatig op de proef gesteld. Daar spookt soms de verontrustende gedachte rond dat de wereld Gregor Samsa niet meer herkent omdat hij in een reusachtige kever is veranderd, zoals Kafka eens heeft verteld in zijn beroemde verhaal ‘De gedaanteverandering’. De wereld herkent Gregor niet meer en omgekeerd is voor hem dezelfde wereld van gisteren plotseling een onthutsend oord van ritselende raadsels geworden, nu hij haar beziet met de ogen van een insekt. In de consternatie van de animale blik schuilt iets aanlokkelijks en bedreigends tegelijkertijd. De wereld stroomt de zintuigen binnen zonder dat het verstand of de gewoonte de indrukken in het vertrouwde patroon dwingen. Het aanlokkelijke is de intensiteit die de omgeving in vuur en vlam zet. Het bedreigende is dat aan al die indrukken geen touw meer valt vast te knopen: de blik lijkt betoverd. De voorwerpen in de omgeving blijken ineens te spreken en te lachen, de mensen zijn veranderd in bomen en huizen.

Van die verontrusting spreken de gedichten en verhalen van Tonnus Oosterhoff. Al in het eerste gedicht van zijn debuutbundel Boerentijger uit 1990 wordt de lezer gevraagd zich de stilte voor te stellen die in de dierenwereld heerst, waar de apen angstig lachen en een luipaard geeuwt en zich uitrekt. Dier ben je daar onder de dieren. In die intense stilte luistert ‘de luipaard aan de hersenstam’ naar de verre geluiden van de radiowind, de stemmen van de mensen die door de ether zweven. Even verderop bevinden we ons te midden van het stomme speelgoed en wordt je gevraagd je voor de geest te halen hoe het zou zijn als een ding van blik door een kinderhand te worden opgewonden alvorens op te gaan in de fantasie van het kind. Je 'blik’ blijkt dan ineens dubbelzinnig, je bent er niet alleen van gemaakt, maar je kijkt er ook de wereld mee in, met 'een tweedimensionale apeblik’ in de oogkassen. De anonieme personages, zo blijkt in de bundel Boerentijger, zijn alle gevangen in een magische dierenwereld, gevangen in een vel van tijger, 'de tralie die onschuldig bloed kooit’.
De radiowind uit het openingsgedicht kreeg in Oosterhoffs verhalenbundel Vogelzaken een vervolg. Daar klinken de stemmen uit de ether door de radio: de stomme stemmen van het nieuws of het platenverzoekprogramma. Fred zit er bij en staart er naar; hij keek 'zoals een kikvors. Hij zag een paar strepen, het glanzende oog van de zwijgende televisie. Een kikker denkt dat hij altijd in het riet zit.’ In een ander verhaal gaat Wim Doornekamp op in de vlucht van een lijster die schrikt van de eigen gedachtengang en met een luide alarmkreet naar de onderste tak van de ceder vliegt. De verhalen van Oosterhoff roepen de consternatie op van een bewustzijn dat niet meer meester van de situatie is. Ze vertellen het verhaal van een onherstelbare breuk met de wereld. Er is iets gebeurd, het is niet duidelijk wat, maar het heeft de uitwerking gehad van een meteoorinslag. Het heeft de personages in die verhalen uit de baan geslingerd, ze zijn hun vertrouwde plek kwijt geraakt, de plaats waar de wereld een vertrouwd aanzicht had. De personages staan links in de wereld, elk gebaar is onhandig, elke oogopslag biedt nieuwe vreemde beelden waaraan ze zich vastklampen als aan wrakstukken na de schipbreuk.
In de eerste roman die Oosterhoff nu heeft gepubliceerd, Het dikke hart, ziet de persoon om wie het verhaal draait zich ook als een 'chimpansee in het dierenspul’. Er hoeft geen kooi om hem heen, want 'haag en weg is tralie genoeg’. Gaan de lezers van deze roman aapjes kijken, mooi mis: het aapje kijkt terug en begrijpt maar weinig van wat de mensenwereld bezielt.
De roman presenteert een paar flarden uit het leven van Gerrit van Houten, schilder uit het Groningse, levend van 1866 tot 1934. Hij had de pech een neef te zijn van de grote panoramaschilder Mesdag, wiens doeken tot in Amerika toe worden verkocht. De roman begint met een scene die zich afspeelt in het huis van Mesdag in Den Haag. Gerrit is dan tien jaar en zit op de schoot van zijn oom en hij mag raden wat de beroemde schilder met zijn dikke potlood op papier tekent. Maar al bij die eerste herinnering is er iets Unheimliches in het beeld geslopen. De jongen kreeg het gevoel dat de oom hem iets wilde afnemen, en met geweld liet hij zich van diens schoot glijden. In dat eerste herinneringsbeeld zijn de platen van de werkelijkheid en van de fantasie al over elkaar heen geschoven en de onrust heeft de kamer betoverd.
Gerrit, tien jaar, leeft bevangen in een sprookjeswereld. De eerste zinnen van de roman leggen daar getuigenis van af. De roman begint zo: 'De regen langs de lange ramen gooide zilvergeld met handenvol naar binnen. Maar van de voorwerpen durfde geen het te halen. De schilderijen in hun cannelurelijsten drukten zich tegen de wand (…), de okeren gordijnkwasten - maar er was zwart in dat oker - lagen machteloos met verdraaide nekken op het tapijt.’ De behekste blik van Gerrit heeft aan de dingen zijn ziel, zijn angst gegeven, een onbestemde angst die zijn schildersblik richt op het miniemste detail: 'er was zwart in dat oker’.
Wanneer Gerrit zich allerminst op zijn gemak voelt in het huis van zijn beroemde oom, beseft hij nog niet echt dat Mesdag bezig is zijn grote panorama te realiseren, de alomvattende blik op het strand van Scheveningen, gezien vanuit het Seinpostduin. Beslissender is dat zijn schilderblik in zijn kinderjaren wordt gevormd door de schilders van de Haagse school, door Mesdag en Weissenbruch, van wie hij, jong als hij is, de kunst afkijkt. Maar hun schilderkunstige middelen sporen niet echt met zijn voorstellingsvermogen. De stijl die hij heeft afgekeken, zal zich tegen hem keren. Als hij vijftien is, wordt al een schilderij van hem tentoongesteld in de etalage van boekhandel Scholtens. Het commentaar van Gertus Stel, een jongen uit Gerrits klas op het gymnasium, had de meeste indruk op hem gemaakt. 'Ik heb je schilderij bij Scholtens gezien (…). Verdomme dat is goed.’
Waarom had die verloren zin zo'n indruk op hem gemaakt? Kort daarvoor was Gertus’ vader in zijn eigen graanpakhuis verdronken. Veertien dagen was de jongen niet op school geweest, toen hij terugkwam had Gerrit gemerkt dat zijn stem lager, zijn bewegingen langzamer waren geworden en dat Gertus soms in zichzelf glimlachte. Graag had Gerrit willen weten of Gertus’ vader nog het schilderij in de etalage had gezien. Hij durfde niet. Misschien schuilt in dat detail, net als eertijds in de kamer van Mesdag het vleugje zwart in het oker, de ongenoemde reden van zijn verontrusting: dat Gertus iets had herkend van de intense stilte van zijn wereld, een verdronken land, zoals hij het zelf later zou noemen.
Gekwetst was hij door de woorden van beroemde oom, die bij het zien van zijn werk had opgemerkt: 'Dat heb je netjes afgekeken!’ Voelde de beroemde schilder zich bedreigd door de talenten van zijn neefje? Veel later, toen Mesdag in Boston van zijn faam genoot, werd hem nog een aquarel voorgehouden waarin men onmiskenbaar zijn hand had herkend, al was het niet gesigneerd. Hij schrok toen hij op de achterkant van het werk een mededeling las, geschreven met een rietpen, in een woedend strak handschrift: 'Niet afgekeken.’ Mesdag liet niets merken en plaatste zijn handtekening op het aquarel.
Niemand had toen van Gerrit van Houten gehoord; hij was weggestopt in het huis van oom Fischer, lijdend, zoals de oom van zijn moeder had geschreven, aan dementia praecox. Als schilder beoefende hij daar de doorzichtkunde: hij bekeek de wereld als een chimpansee vanuit zijn kooi. Hij staarde urenlang naar zijn omgeving en verloor uiteindelijk elk perspectief. In 1934 verbleef hij in Santpoort, waar een medepatiente tegen hem zei dat hij van binnen helemaal dichtgroeide. Ja, had hij gedacht, 'buit is binnen’. Want zo had hij de werkelijkheid buiten gezien als een prooi die door hem als jager moest worden verschalkt. En niet veel later was hij nog eens tot een scherpe observatie gekomen: 'Buiten is ik in de werkelijkheid.’ Daarna werd geen teken van leven van zijn binnenwereld meer vernomen. Alleen zijn broers en zussen hielden hem in herinnering en waren apetrots toen in 1952 toch nog een tentoonstelling aan zijn werk werd gewijd, en dat nog wel in het panorama van Mesdag, dat trouwens ook al stond weg te kwijnen, omdat niemand er nog belangstelling voor leek te hebben.
Wat Tonnus Oosterhoff zeer goed is gelukt, is iets voelbaar te maken van de consternatie die in de beleving en het werk van een vergeten kunstenaar de wereld een behekst aanzien geeft. De schilder aan wie hij zijn hommage wijdt, was een buitenstaander -buitengesloten, en later, omdat de wereld ook geen raad meer met hem wist, dan maar ingesloten. In zijn nawoord laat Oosterhoff weten dat hij voor zijn tableaus gebruik heeft gemaakt van de biografische gegevens over het leven van Mesdag en Van Houten, maar, merkt hij daar op, de ware historie en dit verhaal zijn van elkaar gescheiden door een dikke wolk van leugens. 'Waarom dit zo is, weet ik ook niet’, zo besluit hij zijn roman, die meer nog dan een gedenkboek een saluut is aan de wereld van de onaangepasten, voor wie er altijd te veel werkelijkheid is.