Vietnam vijftig jaar later

Apocalypse Now – and Forever

Een halve eeuw geleden begon de Vietnamoorlog, die onherstelbare schade zou toebrengen aan de Amerikaanse samenleving en de Amerikaanse positie in de wereld. En de oorlog is nog altijd niet voorbij: Amerikanen blijven geobsedeerd door hun eigen zondeval.

Medium vietnam3

Tien jaar geleden vochten Amerikaanse mariniers twee slagen uit in de Iraakse stad Fallujah. Het waren chaotische huis-aan-huis-gevechten, volgens het Amerikaanse opperbevel ‘de zwaarste stedelijke gevechten waar Amerikaanse soldaten bij betrokken waren sinds die in Hue in 1968’ – de keizerlijke stad van Vietnam. Voor aanvang van de slag om Fallujah, zo schreef journalist Dexter Filkins in The Forever War, begon de aarde aan de rand van de stad te trillen door zware, diepe bastonen die resoneerden in de grond; door de lucht klonk hels gekrijs. Het geluid was afkomstig uit reusachtige stadionspeakers die Amerikaanse mariniers op vrachtwagens naar een verhoging hadden gebracht die uitkeek over de stad. Op maximaal volume pompten zij Hells Bells van metalband AC/DC over Fallujah, ter aankondiging van de aanval. Het was een bijna directe imitatie van de aanvalsscène uit Francis Ford Coppola’s klassieker Apocalypse Now, waarin een Vietcong-dorp wordt vernietigd terwijl uit luidsprekers onder de helikopters Wagners Die Walküre klinkt.

Die parallel tussen Irak en Vietnam was geen toeval. Referenties aan de Vietnamoorlog kwamen niet alleen voor in perscommuniqués van de Amerikaanse stafchefs of in een heruitvoering van een scène uit Apocalypse Now. Ze doken op in memoires van soldaten over de oorlogen in Irak en Afghanistan, in reportages en documentaires, in films en miniseries. In One Bullet Away beschreef de Amerikaanse luitenant Nathaniel Fick hoe hij voor het eerst zijn eenheid het gevecht in leidde, bij de Iraakse stad Nasiriyah. ‘Het voelde alsof ik de set op was gestruikeld van een Vietnamfilm. Ik verwachtte half dat ik de tonen van Creedence Clearwater Revivals Fortunate Son zou horen aanglijden door de bomen.’

Fick hoort soldaten Iraakse opstandelingen omschrijven als gooks en Charlie, twee bijnamen die Amerikaanse soldaten gebruikten voor Vietcong-strijders. Als hij een soldaat informatie vraagt over een vijandelijke positie gebruikt die een citaat uit de Vietnam-film Platoon: ‘They’re in the trees!’ Als Fick een heftig vuurgevecht moet beschrijven, komt hij maar op één woord: ‘Vietnam’. Fick merkt dat steeds meer soldaten om hem heen in de ban zijn van de Vietnamoorlog – en hijzelf ook.

Wie over de recente oorlogen in Irak en Afghanistan leest, blijft de referentie aan Vietnam tegenkomen. In de reportage Not Much War, But Plenty of Hell in Rolling Stone klaagde een soldaat: ‘Ik dacht dat er in Afghanistan meer oorlog zou zijn, meer als Vietnam.’ In het boek Generation Kill beklagen soldaten zich erover dat hun oorlog zo’n ‘wijverige soundtrack’ heeft vergeleken met Vietnam. Sebastian Junger, maker van de film Restrepo en het boek War, heeft zijn ‘Vietnam-moment’ in de Korengal-vallei in Afghanistan. En Anthony Lloyd, zelf een veteraan en correspondent tijdens de Irakoorlog, beschrijft hoe hij buiten Bagdad met andere soldaten kijkt hoe een helikopter een dode kameraad wegvoert: ‘Om zich heen kijkend, wisten de soldaten dat Charlie er was, omdat soldaten weten dat geesten je achtervolgen over jaren heen en generaties en continenten; dat Vietnam te dichtbij was.’

Om een lang verhaal kort te maken: voor een reeks soldaten bood de Vietnamoorlog een raamwerk om hun eigen oorlog te begrijpen en te beschrijven. Of nog sterker uitgedrukt: Amerikaanse soldaten in Irak en Afghanistan waren kennelijk niet in staat ‘om hun eigen oorlog te definiëren op een manier die niet werd overschaduwd door de culturele naschokken van Vietnam’, zoals literatuurwetenschapper Matthew Ross twee jaar geleden concludeerde in zijn studie Generation Apocalypse Now.

Het is dit jaar een halve eeuw geleden dat de Verenigde Staten hun oorlog in Vietnam begonnen. Een precieze datum valt daar niet op te plakken, omdat de VS al sinds 1945 militair betrokken waren in Vietnam. (Destijds trouwens aan de zijde van Ho Chi Minh, die mogelijk van de dood is gered door een Amerikaanse dokter.) Maar in 1965 begonnen de VS met het bombarderen van Noord-Vietnam en landden de eerste mariniers op de stranden van Da Nang, opgewacht door meisjes met bloemenkettingen.

Deze eerste lichting kreeg beveiligingstaken, wat de Amerikaanse bevelhebber William Westmoreland maar ‘inglorious’ vond. Op 12 juni 1965 adviseerde hij het Pentagon om de grondoorlog over te nemen van het Zuid-Vietnamese leger. Hij kreeg prompt goedkeuring en Amerikaanse soldaten begonnen met tienduizenden Vietnam in te stromen. Met complete vanzelfsprekendheid, ‘as a matter of course’, zoals een standaardwerk over de Vietnamoorlog het uitdrukt, namen Amerikanen de oorlog en in feite heel Zuid-Vietnam over.

Westmoreland had een strategie voor ogen waarmee hij in twee jaar de oorlog zou winnen. Toen de grote slagen uitbleven die hij voor ogen had maar Amerikaanse soldaten wel veel slachtoffers maakten, schakelde hij over naar een strategie van attrition: het ‘afslijten’ van de vijand door hem met search and destroy-missies op te jagen en over de kling te jagen in aantallen die de Vietnamese guerrillastrijders (Vietcong) en het Noord-Vietnamese leger niet konden aanvullen. Die strategie was even moorddadig en succesvol als die in de Eerste Wereldoorlog was geweest. Omdat aantallen gedode vijanden de belangrijkste graadmeter van succes werden, begonnen Amerikaanse officieren overal hun body count op te blazen of een handje te helpen. ‘Waarom was het soms nodig om zes- en zevenjarigen te doden’, vraagt de Nederlandse documentairemaakster Coco Schrijber verbaasd aan een veteraan in haar film First Kill. ‘For the body count’, zegt die zonder blikken of blozen.

En de body count bleef komen: Noord-Vietnamese soldaten, gedood door Amerikaanse bommen in de jungle; Amerikaanse soldaten, opgeblazen door verborgen bommen in de jungle; gedemotiveerde en slecht geleide Zuid-Vietnamese soldaten; door de CIA betaalde bergvolkeren in Laos die langstrekkende Noord-Vietnamese soldaten aanvielen en door hen als wraak met tienduizenden werden uitgemoord; boeren die op hun land bleven dat met napalm werd verbrand; stenenleggers met malaria op de Ho Chi Minh Trail; dorpsbewoners die het moesten ontgelden bij een van de vele wraakacties door alle partijen; en honderdduizenden meer. Alleen heel grove schattingen van het aantal slachtoffers zijn mogelijk: tussen de twee en drie miljoen mensen moeten omgekomen zijn.

Maar zoals dat met militaire strategie doorgaans gaat, concludeerde ook generaal Westmoreland dat zijn opzet kennelijk nog niet werkte en dat hij daarom met dubbele inzet op dezelfde weg verder moest. Ook de Amerikaanse president Johnson en minister van Defensie McNamara redeneerden zo en rommelden een strategie in elkaar met als basis ‘denying victory to the enemy’. Die vijand zou dan wel stoppen, meenden zij.

In een Rolling Stone-reportage klaagde een soldaat: ‘Ik dacht dat er in Afghanistan meer oorlog zou zijn, zoals in Vietnam’

In Hanoi werd een heel wat betere analyse gemaakt. William Duiker, de autoriteit wat Vietnamese bronnen betreft, concludeert dat het Politburo strategisch gewoonweg beter was dan het Witte Huis. Le Duan, tijdens de oorlog de machtigste man in Noord-Vietnam, hield de andere Politburo-leden in 1965 voor dat ‘de geschiedenis heeft aangetoond dat de VS het geduld missen om langer te vechten dan drie tot vier jaar’. En inderdaad: in 1968 gooide Johnson het roer om en probeerde tot een vredesakkoord te komen, een jaar later begon de Amerikaanse terugtrekking.

Ondertussen was de Amerikaanse strategie soms ronduit crimineel. Zo ontwierp minister McNamara een strategie voor ‘refugee generation’ uit Vietcong-gebieden, oftewel het wegjagen van boeren met bombardementen en het afbranden van hun gewassen met napalm.

Medium vietnam1

De Vietnamoorlog blijft een magische fascinatie uitoefenen, ver over haar einde heen. En niet alleen in de VS. Wie over honderd jaar terugkijkt, zal niet direct begrijpen waarom dat zo is. De oorlog vond plaats in een tamelijk onbelangrijk land, en hoewel de VS verloren, wonnen ze later de Koude Oorlog alsnog. De Vietnamoorlog was niet opvallend duur en de VS verloren niet eens zo veel meer soldaten dan tijdens de Korea-oorlog, en die oorlog is iedereen vergeten. Maar in die cijfers ligt de werkelijke impact van de Vietnamoorlog ook niet. De Vietnamoorlog vermaalde Amerika.

Wie de gevolgen van de Vietnamoorlog probeert te beschrijven belandt al snel in de hyperbolen. Zoals de Britse historicus Paul Kennedy, die in zijn bestseller The Rise and Fall of the Great Powers schreef dat het ‘moeilijk is om de impact van de Amerikaanse campagne in Vietnam op het internationale machtssysteem te overdrijven – of op de nationale psyche van de Amerikanen zelf’. Kennedy had natuurlijk gelijk. De VS vochten in Vietnam om zichzelf geloofwaardig te maken als verdediger van de vrije wereld, maar verminkten die geloofwaardigheid onherstelbaar. Het land dat zo vurig in zijn speciale missie gelooft, verloor zijn eerste oorlog en zijn mythe van onoverwinnelijkheid. Het zag alle mannen en instituties falen waar de samenleving op gebouwd was, van de president en het leger tot de best and brightest intellectuelen.

De mythe dat Amerika zijn rassenprobleem kon oplossen werd ontmaskerd door de Vietnamoorlog, net als de mythe dat in de VS geen klassen bestaan en iedereen gelijke kansen heeft. De langste en stabielste periode van economische groei die de VS gekend hadden, kwam door de Vietnamoorlog ten einde, en de eerlijkste, meest gelijke samenleving die de VS ooit hadden scheurde uiteen in culture wars en generatieconflicten. Veteranen werden doodgezwegen bij thuiskomst, om terug te keren in een nog altijd groeiende reeks boeken en films vol trauma’s. ‘Dit alles betekende dat de Vietnamoorlog een impact had op het Amerikaanse volk zoals de Eerste Wereldoorlog op Europeanen’, aldus Kennedy. ‘Effecten die vooral te zien zijn op het persoonlijke en psychologische niveau.’

En het was allemaal zo anders bedoeld. De plannen die tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog werden gemaakt op het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken bruisen van het verwachtingsvolle, intelligente optimisme waarmee de vaak jonge Amerikaanse beleidsplanners de wereld wilden vormgeven die de VS na de oorlog zouden erven. Een nieuwe internationale structuur rolde van hun tafels, met Verenigde Naties, imf en Wereldbank en een waaier van andere organisaties voor een betere wereld.

De nieuwe wereld zou draaien op een economische carrousel waarin de VS auto’s en luxeproducten zouden exporteren naar Europa, Europa industrieproducten exporteerde naar zijn voormalige koloniën en die voormalige koloniën olie en grondstoffen zouden verkopen aan de VS. Met een enorme kapitaalinjectie via het Marshallplan zou alles worden aangezwengeld. In de nieuwe wereld zouden alle landen erop vooruit gaan, en het natuurlijke middelpunt zou Amerika zijn. Helaas bleken niet alle landen te zien hoe aantrekkelijk dat was.

Binnen een paar jaar was dat prachtige vergezicht veranderd in een horrorscenario waarin er een miljard communisten op de wereld rondliepen, die gewapend met kernwapens een reeks landen gevangen hielden en de vrije wereld tot slaaf wilden maken. Originele, intellectuele cold warriors als George Kennan zagen de Koude Oorlog als een nobele, door God gegeven kans om de superioriteit van het Amerikaanse systeem te bewijzen. Maar tot hun grote bitterheid werd het Amerikaanse beleid in een mum van tijd gemilitariseerd en sloeg de mentaliteit door naar paranoïa en bekrompenheid.

Terwijl de VS joegen op vijanden in eigen gelederen zochten zij in het buitenland naar mogelijkheden om de Sovjet-Unie te bewijzen dat het Amerika menens was. Na zijn neus te hebben gestoten in Cuba en Berlijn besloot John F. Kennedy dat Vietnam dan maar dat toneel moest zijn. ‘We have to draw a line in the sand somewhere’, meende hij, en na een hete ontmoeting met sovjetleider Chroesjtsjov zei Kennedy: ‘Now we have a problem making our power credible and Vietnam seems to be the place.’ Wat een tragisch lot voor Vietnam, dat min of meer toevallig als etalage werd uitgezocht voor de Amerikaanse macht.

De VS vochten om zichzelf geloofwaardig te maken, maar verminkten die geloofwaardigheid onherstelbaar

In Amerikaanse literatuur over de Vietnamoorlog – althans in minstens negentig procent daarvan – komt steeds hetzelfde cliché terug. Of het nu de felste voorstanders of juist tegenstanders van de oorlog betreft, iedereen lijkt zich te kunnen vinden in de mening dat ‘het volledige verhaal van de Vietnamoorlog nog niet is geschreven’ en dat we ‘nog altijd heel veel van de Vietnamoorlog niet begrijpen’. Wat Amerikanen hier eigenlijk mee bedoelen is: dat ze nog steeds niet werkelijk kunnen begrijpen dat de Verenigde Staten deze oorlog voerden, en niet een ander, imperfect land. Want de geschiedenis van de Vietnamoorlog is namelijk helemaal niet ingewikkeld, en zeker van Amerikaanse kant zijn alle grote historische controverses al lang voldoende onderzocht en beslecht (in ieder geval in wetenschappelijke zin).

Als je dat een Amerikaan vertelt, zal die dat waarschijnlijk in alle toonaarden ontkennen, want de Vietnamoorlog is heel erg ‘complex’ en er hangt ‘nog heel veel onduidelijkheid’ om veel zaken. Dat is een andere manier om te zeggen dat Amerikanen over een aantal aspecten van de Vietnamoorlog liefst een informele zwijgplicht in acht nemen. We hebben het dan over ras, over de rol van de media, over bloedbaden zoals dat in My Lai, de terugkeer van veteranen, elitekinderen die vrijstelling kregen, et cetera. Zeggen dat een onderwerp ‘complex’ is, betekent in feite dat Amerikanen elkaar toestaan om hun eigen mythes over dat onderwerp aan te hangen.

Over die media bijvoorbeeld: rechtse Amerikanen zijn er rotsvast van overtuigd dat ‘de media’ door overtrokken negatieve berichtgeving ‘het Amerikaanse volk’ tegen de Vietnamoorlog opzetten, en op die manier de overwinning weggristen uit handen van het leger. Dat is een dubbel aantrekkelijke uitleg, omdat die zowel een zondebok oplevert voor een verloren oorlog als een basis legt onder Richard Nixons overtuiging dat ‘Amerika alleen door Amerikanen kan worden verslagen’. De waarheid is dat er tussen journalisten en soldaten in Vietnam een prima relatie bestond, dat ‘de media’ juist jarenlang positief over de oorlog bleven berichten terwijl het helemaal niet goed ging, en dat de publieke onvrede over de oorlog – net als in andere oorlogen – gestage tred hield met het aantal Amerikaanse slachtoffers. Het was nota bene de huishistoricus van de Amerikaanse militaire academie West Point die daar de definitieve studie over schreef. Toch willen Amerikaanse militairen absoluut niet aan dat idee.

Ras is net zoiets. Veel Afro-Amerikanen geloven dat onder hen ‘het overgrote deel van de slachtoffers viel’ en dat Afro-Amerikanen in veel hogere aantallen werden opgeroepen voor dienstplicht. Er was zeker wijdverbreid racisme in het Amerikaanse leger: memoires en interviews van Afro-Amerikaanse soldaten bulken van de verhalen daarover. De rassenrellen in de VS sloegen ook snel over naar het leger in Vietnam. Na de moord op Martin Luther King waren er kruisverbrandingen door zuidelijke soldaten in Ku Klux Klan-gewaden, en de toenemende praktijk van ‘fracking’ (het doden van een officier door soldaten) betrof waarschijnlijk vaak Afro-Amerikaanse soldaten en witte officieren uit zuidelijke staten.

Maar die vaak genoemde sterftecijfers en oproeppercentages kloppen simpelweg niet. Wrang genoeg had de Amerikaanse regering de Vietnamoorlog juist aangegrepen voor de emancipatie van Afro-Amerikanen in het leger. In de Tweede Wereldoorlog trokken de VS nog ten strijde voor de vrijheid met een gesegregeerd leger. Nu traden de regeringen van Kennedy en Johnson op tegen zuidelijke staten die nauwelijks Afro-Amerikanen opriepen voor dienstplicht of hen massaal afkeurden, omdat zij het leger wit wilden houden. Dat was in Vietnam niet meer zo en in sommige perioden van de oorlog was het aandeel van Afro-Amerikanen onder de slachtoffers veel te hoog. Maar over de hele oorlog genomen was hun aandeel onder de Amerikaanse doden vrijwel gelijk aan hun bevolkingsaandeel.

Vietnam-mythes zoals die over ras of de media illustreren daarom eerder de pijnpunten van de Amerikaanse samenleving dan gaten in onze kennis. Om die mythes met feiten te lijf te gaan, heeft dan ook vaak niet zo veel zin.

Medium vietnam2

Een deel van de aantrekkingskracht van de Vietnamoorlog ligt ongetwijfeld ook in het merkwaardige aura van hippietragiek die er omheen hangt. Voor veel tijdgenoten in de hele wereld betekent de Vietnamoorlog in de eerste plaats jongerencultuur, wiet en psychedelica, rockmuziek, lang haar en boosheid op ‘de macht’. Als je hip was of wilde zijn, was het duidelijk wat je van de Vietnamoorlog moest vinden en naar welke muziek je moest luisteren. Dat luisteren was geen straf, want van ‘Vietnam’ is een fantastische soundtrack te maken – een wetenschappelijke studie suggereert zelfs dat er een verband ligt tussen de oorlog en de kwaliteit van Amerikaanse muziek uit die tijd.

Tussen 1965 en 1970 waren de ‘slaglinies getrokken’ tussen voor- en tegenstanders van de oorlog, stelt die studie, maar de line-up was bijzonder ongelijk. ‘Tegen’ traden onder anderen Bob Dylan, The Doors, Creedence Clearwater Revival in de arena, tegen namen als The Back Porch Majority, Staff Sergeant Barry Sadler en Merle Haggard. Ook dit pro-kamp had zijn eigen illegale radiostations en met The Ballad of the Green Berets ook de best verkopende Vietnam-song ooit.

In die jaren 1965-1970 had elke zichzelf respecterende rockband zijn Vietnam-song, maar dat zakte daarna ook direct weer in. Veel Amerikanen hadden na 1970 vooral ontzettend genoeg van de diepe polarisatie die de Vietnamoorlog veroorzaakte. De huidige vorm die de Vietnamoorlog heeft gekregen in de Amerikaanse samenleving is dan ook voornamelijk te danken aan grote publieksfilms, waarin de cultuurstrijd over ‘Vietnam’ vooral werd uitgevochten. In de jaren zeventig, na de val van Saigon, had het progressieve kamp de overhand. Oftewel: de Vietnamoorlog was een vreselijke vergissing, en het leger en de politiek van Amerika hadden gefaald.

De Vietnamoorlog betekent voor veel tijdgenoten wiet en psychedelica, rockmuziek, lang haar en boosheid op ‘de macht’

Hollywood speelde op die sfeer in met films die de oorlog toonden als een morele ontsporing, zoals Apocalypse Now, of focusten op al dan niet geflipte veteranen die thuis niet meer konden aarden, zoals Coming Home, Taxi Driver en The Deer Hunter. In de politiek werd dit gespiegeld door de Democratische president Jimmy Carter, die sprak over de ‘intellectual and moral poverty’ die tot de Vietnamoorlog had geleid.

De slinger sloeg volledig naar de andere kant met de conservatieve golf van de jaren tachtig en Ronald Reagan, die verkondigde dat de VS in Vietnam hadden gevochten voor een ‘noble cause’. In deze jaren was de dominante visie dat de VS de oorlog hadden kunnen winnen als de media, hippies en slappe politici de zaak niet hadden gesaboteerd. Hollywood bediende dat sentiment met wraakfilms als de Rambo-serie en de Missing in Action-films.

Interessant genoeg vond er eind jaren tachtig een soort synthese plaats. Het progressieve en het conservatieve deel van de VS vonden een manier om de Vietnamoorlog een plaats te geven in de Amerikaanse cultuur: door politieke statements te mijden en te focussen op de ‘nobele soldaat’, die in Vietnam met veel wreedheid en moeilijke keuzes werd geconfronteerd. Die bevrijding van het onderwerp Vietnam ging gepaard met een golf van ‘nobele soldaat’-films waar Amerikanen van beide kampen naartoe konden, films als Platoon, Hamburger Hill en Casualties of War.

Wat de merites van al die films ook mogen zijn, ze hebben allemaal de Amerikaanse ervaring in Vietnam als onderwerp, en bevestigen het beeld van de oorlog als ‘Amerikaanse tragedie’. En het is venijnig om te concluderen, maar Amerikanen lijken ook alleen uit een soort plichtsgevoel interesse op te brengen voor de niet-Amerikaanse dimensies van de oorlog. Dat geldt niet alleen voor de populaire cultuur. Amerikaanse standaardwerken over de Vietnamoorlog hebben Washington als voornaamste plaats van handeling, met Zuid- en Noord-Vietnam vooral als decor of plaats delict, andere landen zijn totaal afwezig.

Het recent verschenen The Vietnam War: A Concise International History berispt in zijn inleiding Amerikaanse historici die de Vietnamoorlog ‘als een episode in de Amerikaanse geschiedenis’ beschrijven. Helemaal verkeerd, stelt de auteur, want nu zijn de archieven in Hanoi, Moskou en Peking open, nu kunnen we de Vietnamoorlog linken aan grote historische bewegingen als de dekolonisatie en de mondiale opmars van het communisme, en kunnen we de Vietnamoorlog beschrijven als ‘een episode in de wereldgeschiedenis’. En dan volgt toch weer een tekst die wat meer Frankrijk bevat dan de oude handboeken, wat meer Vietnamezen zelf en wat meer China, maar verder meer van het oude.

Dat de Amerikaanse nieuwslezer Walter Cronkite de Vietnamoorlog tot een ‘patstelling’ verklaarde, blijft voor Amerikaanse wetenschappers interessanter dan het feit dat jarenlang 160.000 Chinese soldaten militaire taken uitvoerden in Noord-Vietnam en dat Mao ze in 1968 boos weer terugtrok. Dat Zuid-Korea de Amerikanen bijstond met een legermacht van vijftigduizend troepen, die een hele reeks bloedbaden aanrichtte onder de Vietnamese bevolking, zul je in de meeste Amerikaanse standaardwerken op z’n best in een zin of twee terugvinden. De oorlogen in Cambodja en Laos, waar de VS diep bij betrokken waren, blijven een Sideshow, zoals de Brit William Shawcross zijn boek daarover noemde. Net als meestal Vietnam zelf. En toch was de Vietnamoorlog werkelijk een internationale gebeurtenis: bevrijdingsbewegingen in de hele wereld spiegelden zich aan Vietnam, de VS leden internationale reputatieschade en de Sovjet-Unie viel het pr-voordeel in de schoot, en beide droegen bij aan de opkomst van communistische bewegingen in de Derde Wereld in de jaren zeventig en de groei van linkse partijen in Europa. En aan de radicalisering van linkse bewegingen als de Rote Armee Fraktion, die concludeerde dat ze gewapend moest strijden omdat Duitsland als doorvoerland de Vietnamoorlog faciliteerde. En ook niet onbelangrijk: de Vietnamoorlog zette de bijl aan de meest voorspoedige jaren die de wereld ooit had gekend.

De VS kenden na de Tweede Wereldoorlog dertig jaar onafgebroken economische groei en de meeste landen van de wereld groeiden hard mee. Het economische anker van deze long boom was de dollar, via een vaste wisselkoers aan andere valuta gekoppeld – het Bretton Woods-systeem. Maar omdat Johnson en Nixon de Vietnamoorlog met leningen financierden, buiten de begroting om, verzwakte de dollar, tot Nixon het Bretton Woods-systeem in 1971 eenzijdig opzegde: de opmaat voor de economische crises van de jaren zeventig. Een ‘niet bijster dure oorlog’ dus die toch een grote hypotheek op de wereld legde.

Alleen al als spiegel zou meer aandacht voor andere landen interessant zijn voor de VS. Neem de roman The Sorrow of War van de Noord-Vietnamese soldaat Bao Ninh, een prachtig boek met thema’s die naadloos in de Amerikaanse literatuur over de oorlog passen: het verlies van jeugd in de jungles van Zuid-Vietnam, de traumatische terugkeer in de samenleving, de aanpassingsproblemen na het leven in de parallelle wereld van de oorlog, de ontzetting over de wreedheden. Zelfs motorbendes met onaangepaste veteranen en flashbacks naar het slagveld, opgeroepen door een draaiende ventilator die een helikopter lijkt (precies zoals in Apocalypse Now) komen in het boek voorbij.

Maar uiteindelijk is het wel zo dat de Vietnamoorlog zijn invloed op de huidige wereld blijft uitoefenen, dankzij de blijvende Amerikaanse obsessie met die oorlog, die de Amerikaanse zondeval in de moderne tijd betekende. Het ‘Vietnam-syndroom’ is een puur Amerikaans verschijnsel, dat George Bush sr. al eens ‘weggeschopt’ dacht te hebben in de woestijn van Koeweit, maar dat weigert weg te sterven. Elke Amerikaanse president die oorlog voert, moet zijn eigen visie op Vietnam formuleren, zoals Obama deed op West Point en Bush jr. voor hem, en uitleggen waarom déze oorlog anders is. Anders dan de oorlog die Amerika blijft besmetten.


De Vietnamoorlog

De Amerikaanse betrokkenheid in Vietnam dateert van 1945, toen de geheime dienst OSS de communistische Vietminh van Ho Chi Minh begon te trainen als guerrilla tegen Japan. Vanaf 1946 voerde de Vietminh een guerrillaoorlog tegen het koloniale leger van Frankrijk, dat nu steun kreeg van de VS. In 1954 gaf Frankrijk op en werd Vietnam tijdelijk gedeeld in een communistisch noorden en een kapitalistisch zuiden. De zuidelijke leider Diem weigerde toen landelijke verkiezingen en er ontstond opnieuw een guerrillaoorlog.

De VS steunden Zuid-Vietnam met geld en ‘militaire adviseurs’, die onder Kennedy (1961-63) een geheime oorlog voerden in Zuid-Vietnam, Noord-Vietnam, Cambodja en Laos. Kennedy’s opvolger Johnson besloot om de burgeroorlog in Zuid-Vietnam over te nemen en vanaf 1965 bombardeerden de VS Noord-Vietnam en stroomden Amerikaanse soldaten Zuid-Vietnam in, tot een piek van 538.000 in 1968. De weerstand binnen de Amerikaanse regering en samenleving groeide, en na het communistische Tet-offensief van januari 1968 beperkte Johnson de bombardementen en begon vredesonderhandelingen met Hanoi. Zijn opvolger Nixon begon Amerikaanse soldaten terug te trekken, maar intensiveerde de bombardementen, nu ook op Cambodja en vooral Noord- en Zuid-Vietnam. In 1973 sloten Noord-Vietnam en de VS vrede. In 1975 zeeg het Zuid-Vietnamese leger ineen en viel Saigon.


Beeld: (1) Amerikaanse helikopters geven luchtsteun aan Zuid-Vietnamese soldaten tijdens een aanval op een Vietcong-kamp, maart 1965 (Horst Faas/AP/HH); (2) Berkeley-Oakland City, Californië, december 1965 (AP/HH); (3) 4 mei 1970. Amerikaanse soldaten schieten op vluchtende verdachten op een rubberplantage in Cambodja (Henri Huet/AP/HH)