Architectuur: Prix de Rome 2018

Apocalyptische monumenten

De Prix de Rome voor architectuur werd ooit in het leven geroepen zodat jonge architecten de publieke gebouwen en monumenten van de toekomst konden bouwen. Nu ontwerpen ze echter fictieve architectuur voor een fictieve toekomst.

Amsterdam Allegories maquettes van winnaar Alessandra Covini © Majda Vidakovic

In 1663 werd in Frankrijk, onder de heerschappij van Louis XIV, de Prix de Rome in het leven geroepen: een stimuleringsprijs voor schilders, beeldhouwers en architecten, die op kosten van de koning vier jaar lang in Rome mochten werken, tussen de grootse realisaties van de klassieke meesters. Na terugkeer konden ze de antieke grandeur ook in Frankrijk tot stand brengen, door nieuwe monumenten te bouwen of door de heroïsche geschiedenis artistiek weer te geven. In 1807 bracht Louis Bonaparte de prijs naar Nederland, inclusief de categorie architectuur. Door Thorbecke werd de Prix de Rome in 1851 afgeschaft, om in 1870 door koning Willem III in ere hersteld te worden: hij gaf de organisatie in handen van de pas opgerichte Rijksakademie in Amsterdam. In Frankrijk behoort de Prix de Rome sinds 1968, na tussenkomst van André Malraux, definitief tot het verleden als relict van de reactionaire macht, maar in Nederland blijft het de belangrijkste staatsprijs voor jonge kunstenaars en architecten.

Deze korte geschiedenis geeft aan hoe de prijs samen met politieke en maatschappelijke veranderingen is geëvolueerd. Meest recentelijk werd in 2011, als onderdeel van een besparingsoperatie, de organisatie en de financiering van de Prix de Rome weggehaald bij de Rijksakademie en overgedragen aan het Mondriaanfonds. Sinds 2013 is er een vierslagstelsel van kracht: twee jaar na elkaar wordt een prijs voor beeldende kunst uitgereikt, vervolgens een prijs voor architectuur, waarna er een jaar zonder prijs volgt. De edities gewijd aan architectuur zijn van oudsher moeilijker te organiseren, in de eerste plaats omdat architecten een opdracht nodig hebben, en niet – of toch minder dan kunstenaars – op eigen initiatief werken. Het is altijd de bedoeling van de Prix de Rome geweest om talent te bekronen en zelfs op te sporen, eerder dan een mid-career prize uit te reiken aan jonge architecten die al bekend zijn. De vraag is dan: hoe maak je talent zichtbaar, en hoe laat het zich vergelijken?

De oplossing is ogenschijnlijk eenvoudig: schrijf een ontwerpopdracht uit, en laat iedereen die zin heeft – en jonger is dan 35 en werkt in Nederland – deelnemen. Zo wordt de rol van de jury, die ook de opdracht bepaalt, natuurlijk groter. De jury voor 2018 bestond onder anderen uit Mels Crouwel (architect van het Centraal Station van Rotterdam en de uitbreiding van het Stedelijk Museum), de jonge Amsterdamse architecte Afaina de Jong en Ronald Rietveld, die in 2006 de Prix de Rome won. Zij besloten om eerder dan een opdracht uit te schrijven een plek aan te wijzen. Voor de eerste ronde was dat een poldergebied in Groningen, gelegen tussen de dorpen Ganzedijk en Hongerige Wolf, vlakbij het aardbevingsgebied ontstaan ten gevolge van de gaswinning. In de opdracht staat laconiek: ‘De jury daagt de deelnemers uit voor dit gebied een interventie te ontwerpen.’ En verder: ‘Verras de jury met je visie in de vorm van een ruimtelijk ontwerp in dit speciale gebied!’ Uit de 66 anonieme inzendingen werden vier projecten geselecteerd. De architecten – Alessandra Covini, Bram van Kaathoven, Katarzyna Nowak en het duo Rademacher de Vries – werden op de shortlist geplaatst, kregen een werkbudget en drie maanden om een ontwerp te maken voor een andere plek.

Het noordelijke landbouwgebied met een dalend bevolkingsaantal kreeg als thema ‘lage druk’ mee, terwijl de site voor de tweede ronde het etiket ‘hoge druk’ werd opgespeld: de Sixhaven in Amsterdam, aan het IJ, recht tegenover het Centraal Station – een leeg, zorgeloos stukje vergeten stad, gebruikt door zeiljachten en woonboten, waar misschien, ooit, een metrostation komt als onderdeel van de Noord/Zuidlijn. Ook hier was de toelichting van de jury bijna frustrerend vaag: ‘Wij vragen de kandidaten om voor deze prominente plek met een betekenisvol niet-commercieel voorstel te komen dat van betekenis is voor de stad en door velen gekoesterd wordt. In de stijl van de Prix de Rome competitie wil de jury benadrukken dat zij de shortlistkandidaten uitdaagt om gewaagde, experimentele en onconventionele voorstellen in te dienen!’ Een ‘niet-commercieel voorstel’: wil dat zeggen dat het niet betaald moet worden, of dat het geen geld oplevert? Wat maakt een plek ‘betekenisvol’? En wanneer is iets ‘gewaagd’ of ‘onconventioneel’? De druk op de ontwerpers werd groot: niet alleen moesten ze zichzelf een opdracht toekennen, het was ook onduidelijk volgens welke criteria er beoordeeld zou worden.

Foundations van Rademacher de Vries © Rademacher de Vries

Het is opvallend dat de genomineerden voor zowel de Groningse polder als voor Amsterdam dezelfde methode hanteren, alsof er tussen het hoge- en het lagedrukgebied nauwelijks verschillen bestaan. Bovendien geven ze alle vier uiting aan één grote bezorgdheid: ontwikkeling van stad of platteland impliceert vandaag automatisch privatisering. Als er wordt gebouwd, of het nu in Ganzedijk of Amsterdam is, dan is dat voor en door rijke mensen – en dan worden andere mensen per definitie uitgesloten. Als architecten iets doen, dan doen ze het bijna per definitie verkeerd, om zowel ecologische, politieke en culturele als economische redenen. Er zit jammer genoeg veel waarheid in die analyse, maar ook fatalisme. Dat blijkt uit de conclusie van de genomineerden: wat ze voorstellen komt neer op het ‘onklaar’ maken van deze plekken, door ervoor te zorgen dat ze niet volgebouwd worden voor en door de happy few, maar toegankelijk blijven.

Als er wordt gebouwd, of het in Ganzedijk is of in Amsterdam, is dat voor en door rijke mensen

Het duo Rademacher de Vries verzint voor de Sixhaven een zowel utopische als dystopische toekomst. Ze speculeren over een nieuwe financiële crisis, die een zoveelste megalomaan bouwproject zal aborteren – enkel de fundamenten blijven over: ze worden ‘teruggewonnen en veranderen onbedoeld in een monument voor de idee van de stad’. In deze gigantische betonnen kelders – niet zozeer een plek voor publiek leven als wel voor het onbestemde verlangen ernaar – dwalen Amsterdammers doelloos rond. Ook voor realisatie van het project van Katarzyna Nowak zouden duizenden liters beton nodig zijn: ze stelt een reeks voor van holtes in een betonmassief – ‘de vijf leegtes van Sixhaven’, die als een ‘vrijhaven het potentieel van de openbare ruimte vertegenwoordigen’. Zij laat dus eveneens in het midden wat mensen hier te zoeken hebben. Hetzelfde geldt voor de derde inzending, van Bram van Kaathoven, die voorstelt om enkel de rand van de Sixhaven te bebouwen met een dunne bakstenen structuur. ‘Het bouwwerk dienst als thuishaven voor een gerenommeerd instituut’, zo staat het in de catalogus, ‘met slechts één taak: er wordt beslist of alles wat (technisch) mogelijk is ook daadwerkelijk gerealiseerd moet worden.’ Volgens Van Kaathoven zijn er grenzen aan de groei: het zou beter zijn om bouwprojecten – of om het even wat door onze maatschappij opportunistisch wordt bedacht – nu en dan een halt toe te roepen.

De Prix de Rome 2018 werd uitgereikt aan Alessandra Covini – een terechte winnaar, al was het maar door het vormelijk raffinement waarmee ze haar project presenteert: prachtige maquettes uit ruwe steen in pastelkleuren, sprekende collages en een grote, nauwkeurige maar leesbare tekening met een vogelperspectief op wat zij als de toekomst van de Sixhaven beschouwt. Van alle inzendingen is die van Covini het meest concreet: ze stelt voor om een recreatiepark te maken dat bestaat uit drijvende eilanden, die als bootjes de ommuurde Sixhaven in en uit kunnen varen. Zo wordt het mogelijk om onder meer barbecueplekken, tuinen, een zandstrand, een sauna, een bijenpaleis en drie donkere kamers als satellieten uit te sturen over het IJ, naar om het even waar publieke activiteiten zijn. ‘In deze nieuwe vorm van openbare ruimte,’ zo schrijft de architecte in de introductie, ‘wordt vrije tijd letterlijk recreatietijd: dit is een plaats voor activiteit in plaats van voor consumptie.’ Het resultaat heeft iets weg van een gesofisticeerd, zonnig en mobiel Land van Ooit voor bezoekers van 7 tot 77. Wie zich dat recreatiepark in Drunen nog herinnert – het sloot definitief in 2009 – die weet dat het inderdaad om een ‘niet-commercieel voorstel’ gaat, zoals de jury van deze editie had vooropgesteld.

Nieuw-Atlantis van Bram van Kaathoven © Majda Vidakovic

Covini legt zo de paradoxale positie bloot van de Prix de Rome voor architectuur anno 2018. Ooit in het leven geroepen als staatsprijs voor jonge architecten die de publieke gebouwen en monumenten van de toekomst moeten bouwen, is het een wedstrijd geworden die vooral suggereert dat architecten moeten terugvallen op fictieve en bij momenten zelfs escapistische of apocalyptische scenario’s om überhaupt nog ontwerpen te kunnen maken voor het algemeen goed. De weinig beheerste projecten van Rademacher de Vries, Van Kaathoven en Nowak zijn door de vaak zware symboliek immers totaal onrealiseerbaar, en ook Covini heeft tijdens de prijsuitreiking bescheiden de hoop uitgedrukt dat ze het leuk zou vinden, heel misschien, één eilandje te mogen realiseren.

Het toont dat deze generatie architecten zich zelfs niet meer durft in te beelden hoe pakweg de stad Amsterdam opdrachtgever zou kunnen worden, en de ronduit cynische toon van de juryleden in de catalogus – ‘Ongetwijfeld zal dit gebied worden overgenomen door hongerige stadsontwikkelaars’ – geeft hun daarin overschot van gelijk. Heeft een stad als Amsterdam, ook en vooral in Noord, dan niet nog steeds nood aan ziekenhuizen, kinderdagverblijven, musea, begraafplaatsen, parken, scholen, zwembaden en bibliotheken? En moet er niet ook en vooral worden geïnvesteerd in woningen die niet integraal aan de markt worden overgelaten, en die dus betaalbaar blijven voor – om maar enkele categorieën te noemen – arbeiders, migranten, flexwerkers, studenten, intellectuelen, kunstenaars en jonge architecten? Hoewel de jury niet zonder leedvermaak in de catalogus anticipeert op de afbraak ervan bevindt zich vlak bij de Sixhaven bijvoorbeeld nog steeds het IJplein-woningproject van OMA/Rem Koolhaas, tijdens de jaren tachtig gebouwd in opdracht van Jan Schaefer en de stad Amsterdam.

Voor het huidige college ligt hier dan ook een unieke kans: bewijs de Prix de Rome ongelijk en toon dat een stad er niet alleen voor toeristen en voor de rijken is. Verkoop de Sixhaven niet aan Russische vastgoedgiganten! Voor de volgende editie van de Prix de Rome kan Femke Halsema een echte opdracht bedenken voor Amsterdam – en die vervolgens laten bouwen ook.


De tentoonstelling Prix de Rome Architectuur 2018: t/m 10 maart in Het Nieuwe Instituut