Doemdenken: De nieuwe ideologie

Apocalyptische verdoving

Journalisten, politici en wetenschappers verdoven ons met scenario’s waarin de temperaturen stijgen, natuurrampen zich vermenigvuldigen en de aarde uiteindelijk onbewoonbaar zal zijn. De idealisten van de catastrofe hebben steeds extremere retoriek nodig.

Medium essay

Wereldlijke elites voorspellen een dag des oordeels zonder verlossing Als een asteroïde op de aarde afraast, verzamelen doodsbange burgers zich in de straten van Brussel om te kijken naar het enorme object dat voor hun ogen steeds groter wordt. Binnenkort zal het zonder enige schade te hebben aangericht voorbijgevlogen zijn, maar eerst verschijnt er nog een vreemde oude man ten tonele, professor Philippulus, gekleed in een wit gewaad en met een lange baard, die op een gong slaat en roept: ‘Dit is een straf; toon berouw, want de wereld is ten einde!’

We moeten lachen om de onbenulligheid van dit tafereel uit het Kuifje-album De geheimzinnige ster, dat in 1941 uitkwam in België. Toch komt het ons ook bekend voor, want veel mensen in Europa en de Verenigde Staten zijn er onlangs van overtuigd geraakt dat het einde van de wereld nabij is. Deze deprimerende overtuiging lijkt misschien verrassend, gezien het feit dat het Westen nog steeds een ongekende levensstandaard geniet. Maar professor Philippulus is er niettemin in geslaagd invloed te verkrijgen bij regeringen, de media en andere hoge kringen. Hij is voortdurend bezig angst te zaaien: voor de vooruitgang, wetenschappelijke en demografische ontwikkelingen, de opwarming van de aarde, technologie, voedsel. Binnen vijf tot tien jaar zullen de temperaturen gaan stijgen, de aarde zal onbewoonbaar worden, natuurrampen zullen zich vermenigvuldigen, het klimaat zal ons in een oorlog doen belanden en kerncentrales zullen exploderen. De mens heeft de zonde van de hoogmoed begaan; hij heeft zijn leefomgeving verwoest en een ravage aangericht op de planeet; hij moet boete doen.

Ik wil de gevaren waarmee wij worden geconfronteerd niet bagatelliseren. Maar ik wil wel begrijpen waarom deze apocalyptische angst zo veel van onze leiders, wetenschappers en intellectuelen in zijn greep heeft. Zij praten en argumenteren alsof ze het script volgen van een middelmatige rampenfilm uit Hollywood.

Rond de overgang van de 20ste naar de 21ste eeuw heeft zich een fundamentele verandering in ons denken voltrokken: we besloten dat het tijdperk van de revoluties voorbij was en dat het tijdperk van de catastrofes was begonnen. Met het eerstgenoemde gingen verwachtingen gepaard, de hoop dat het menselijk ras onderweg was naar een bepaald doel. Maar toen het einde van de geschiedenis was aangekondigd, de communistische vijand was verslagen en – recentelijker – de oorlog tegen de terreur nagenoeg was gewonnen, bleek het idee van de vooruitgang op sterven na dood. Wat in de plaats trad van ’s werelds menselijke toekomst was de toekomst van de wereld als materiële entiteit. De lange lijst van symbolische slachtoffers – joden, zwarten, slaven, proletariërs, gekoloniseerde volkeren – werd op dezelfde manier, stapje voor stapje, vervangen door de planeet zelf, het nieuwe toonbeeld van alle ellende. We werden niet langer opgeroepen ons deelgenoot te maken van een of andere gemeenschap; in plaats daarvan werden we uitgenodigd ons te identificeren met het ruimtelijke voertuig dat ons – kreunend – droeg.

Hoe is deze verandering tot stand gekomen? De afgelopen halve eeuw hebben linkse intellectuelen twee grote zondebokken aangewezen voor de problemen van de wereld. In de eerste plaats achtte het marxisme het kapitalisme verantwoordelijk voor alle menselijke ellende. In de tweede plaats nam een ‘Derde Wereld’-ideologie, teleurgesteld door de burgerlijke geneugten van de werkende klasse, het Westen op de korrel als de uitvinder van de slavernij, het kolonialisme en het imperialisme. De schuldige die de milieubeweging nu aanwijst – de mensheid zelf, met haar wil om de planeet te domineren – is in wezen een combinatie van de eerste twee, een door het Westen uitgevonden kapitalisme dat volkeren onderdrukt en de aarde verwoest. De milieubeweging ziet zichzelf als de vervolmaking van alle eerdere kritieken. ‘Er zijn maar twee oplossingen’, verklaarde de Boliviaanse president Evo Morales in 2009. ‘Het kapitalisme sterft, of Moeder Aarde sterft.’

Daarom is de planeet nu het nieuwe proletariaat geworden, dat moet worden gered van de uitbuiting – als het moet zelfs door het terug­dringen van het aantal mensen, zoals de Franse oceanograaf Jacques Cousteau al in 1991 had gezegd. De Voluntary Human Extinction Movement (Beweging voor het Vrijwillig Uitroeien van de Mens), een groep mensen die hebben besloten zich niet te zullen voortplanten, heeft verklaard: ‘Iedere keer dat weer iemand van ons besluit niet nog iemand toe te voegen aan de miljarden die zich al op deze verwoeste planeet bevinden, schijnt er een nieuw straaltje hoop door alle somberheid. Als iedereen ervoor zou kiezen zich niet langer voort te planten, zou de biosfeer van de aarde zich in al haar vroegere glorie kunnen herstellen.’

De Britse milieu­activist James Lovelock, opgeleid als chemicus, beschouwt de aarde als een levend organisme en de mensheid als een soort infectie die zich verspreidt ten koste van het geheel, dat zich ervan probeert te ontdoen. Het in 2007 verschenen boek The World Without Us van de journalist Alan Weisman voorziet in detail in een planeet waarop de mensheid helemaal is verdwenen. In Frankrijk heeft een groene politicus, Yves Cochet, een ‘baarmoederstaking’ voorgesteld, die zou moeten worden bevorderd door boetes in te stellen voor ieder derde kind, omdat elk kind – in termen van vervuiling – het equivalent is van 620 retourtjes Parijs-New York.

‘Ons huis staat in brand, maar we hebben het niet in de gaten’, zei de voormalige Franse president Jacques Chirac op de wereldtop over duurzame ontwikkeling in 2002. ‘De natuur is verminkt en uitgebuit en kan zich niet herstellen, en wij weigeren dat toe te geven.’ Sir Martin Rees, een Britse sterrenkundige en vroegere president van de Royal Society, geeft de mensheid vijftig procent kans de 21ste eeuw te overleven. Oncologen en toxicologen voorspellen dat het einde van de mensheid zich zelfs nog eerder zou kunnen voordoen, zo rond 2060, als gevolg van een algemene onvruchtbaarheidsepidemie. Met het oog op de algehele versnelling van het tempo waarin zich natuurrampen, droogten en pandemieën voordoen, ‘weten we nu allemaal dat we voor de bijl gaan’, zegt wetenschapper Serge Latouche. Peter Barrett, directeur van het Onderzoekscentrum voor Antarctica van de Victoria Universiteit in Wellington, Nieuw-­Zeeland, is specifieker: ‘Als we voortgaan op ons huidige pad van groei, zullen we worden geconfronteerd met het einde van de beschaving zoals we die kennen – niet over miljoenen jaren of over duizenden jaren, maar tegen het einde van deze eeuw.’

We zouden nog lang door kunnen gaan met het aanhalen van dit soort citaten, gezien de enorme verspreiding van de met clichés doorspekte apocalyptische lectuur. Het milieuactivisme is een mondiale ideologie geworden, die zich bezighoudt met ons hele bestaan – niet alleen met onze productiemethoden, maar ook met onze levenswijze. We ontdekken het opnieuw in het hele scala aan marxistische retoriek, ditmaal toegepast op het milieu: de alomtegenwoordige ‘verwetenschappelijking’, schrikwekkende visioenen van de (aanstaande) werkelijkheid, zelfs waarschuwingen aan het adres van de schuldigen die degenen die het goed met hen menen niet goed begrijpen. Auteurs, journalisten, politici en weten­schappers wedijveren in het beschrijven van de gruwelen en claimen dat zij de waarheid in pacht hebben: alleen zíj kunnen zien wat er op ons afkomt, terwijl alle anderen in het duister tasten.

De angst die deze intellectuelen verspreiden, is als een gulzig enzym dat zich te goed doet aan een of andere zorg en die dan weer achter zich laat, op zoek naar nieuwe zorgen. Toen de kerncentrale in het Japanse Fukushima in een ‘meltdown’ terecht dreigde te komen, na de enorme aardbeving van maart 2011, was dat alleen maar de bevestiging van een bezorgd gevoel dat er altijd al was geweest, maar nog ingevuld moest worden. Binnen zes maanden zal een nieuwe zorg ons in de houdgreep nemen: een pandemie, de vogelgriep, de voedselvoorziening, smeltende ijskappen, de straling van mobiele telefoons.

De angst wordt ook een zichzelf vervullende voorspelling. In de kranten staat – alsof het een verrassing zou zijn – dat jongeren worden achtervolgd door zorgen over de opwarming van de aarde, maar het zijn diezelfde kranten die deze angst voortdurend aan ze opdringt. Net als in een echokamer weerkaatsen opiniepeilingen de inzichten die door de media worden verspreid. We worden ‘verdoofd’ tegen de angst door het herhalen van steeds dezelfde thema’s, waardoor we er verslaafd aan raken.

Voor het wakker schudden van mensen is steeds extremere retoriek nodig, waaronder een opvallend aantal analogieën met de holocaust. Noël Mamère, een Franse politicus van de groenen, heeft een andere politicus, Claude Allègre, ervan beschuldigd op het gebied van de opwarming van de aarde een négationnist te zijn – een Frans woord dat verwijst naar degenen die de genocides op de joden en de Armeniërs ontkennen. De econoom Rajendra Pachauri, voorzitter van het Intergouvernementele Panel over Klimaatverandering, heeft de Deense statisticus en eco-­scepticus Bjørn Lomborg expliciet met de Führer vergeleken. De Amerikaanse wetenschapper James Hansen heeft oliemaatschappijen, die proberen twijfel te zaaien over de opwarming van de aarde, beticht van ‘misdaden tegen de menselijkheid en de natuur’ en Amerikaanse treinen die steenkool vervoeren ‘dodentreinen’ genoemd. Columniste Ellen Goodman van The Boston Globe heeft geschreven dat ‘degenen die de opwarming van de aarde ontkennen nu op één lijn kunnen worden geplaatst met degenen die de holocaust ontkennen’.

Een beproefde strategie van de apocalyptiek, of zij nu wordt gehanteerd door priesters of door propagandisten, is die van de ‘retro­actieve correctie’. Deze techniek bestaat uit het verzamelen van ontzagwekkende hoeveelheden schrikwekkend nieuws, om dit – uiteindelijk – te nuanceren met een klein straaltje hoop. Eerst moet al het verzet worden gebroken, en dan pas bied je je verbijsterde publiek een ontsnappingsroute aan. Daarom stond er in de advertenties voor de documentaire An Inconvenient Truth met Al Gore: ‘De mensheid zit op een tijdbom. Als de grote meerderheid van de wetenschappers in de wereld gelijk heeft, hebben we nog slechts een jaar of tien om een enorme catastrofe te voorkomen, die het klimaatsysteem van onze planeet in een duikvlucht van epische verwoestingen kan storten, met extreem weer, overstromingen, droogten, epidemieën en dodelijke hittegolven, erger dan we ooit hebben meegemaakt – een catastrofe die we aan onszelf te danken hebben.’

En dit zijn de middelen waarmee de vroegere vice-president van de VS, net als de meeste milieuactivisten, de uitstoot van koolstofdioxide wil verminderen: het gebruik van spaarlampen; minder autorijden; het controleren van je bandenspanning; recyclen; het afwijzen van onnodig verpakkingsmateriaal; het aanpassen van je thermostaat; het planten van een boom; en het uitzetten van elektrische apparaten. Omdat we geen verweer hebben tegen de planetaire dreigingen om ons heen, zetten we onze machteloosheid om in verzoenende gebaren, die ons de illusie geven dat we er iets aan doen. Eerst laat de ideologie van de catastrofe ons enorm schrikken, en daarna stelt zij ons ‘gerust’ door kleine, post-technologische rituelen voor te stellen. Maar laten we helder zijn: een kosmische calamiteit kan niet worden voorkomen door je banden­spanning te controleren of je afval te scheiden.

Op dezelfde manier wordt tegen ons gezegd dat ‘onze macht onze kennis overtreft’, zoals de Duitse filosoof Hans Jonas ooit heeft opgemerkt; maar er wordt óók tegen ons gezegd, met een voor deze sceptici verbazingwekkende zekerheid, dat we onze eetgewoonten moeten veranderen, minder moeten vliegen, minder moeten consumeren en moeten ophouden in grote terreinwagens te rijden. Dit is het centrale raadsel van het groene neo-ascetisme: het kent een overdreven belang toe aan normaal menselijk gedrag, waardoor de aantrekkingskracht van de nederigheid die het aan ons probeert op te leggen wordt verzwakt.

Een andere innerlijke tegenspraak van de apocalyptiek is dat zij – ­hoewel zij ons wanhopig tracht te doen ontwaken en ons probeert te overtuigen van de aanstaande planetaire chaos – ons uiteindelijk juist doet inslapen, zodat onze uiteindelijke verdwijning onderdeel wordt van onze dagelijkse routine. In eerste instantie wordt ons kalme bestaan inderdaad verstoord door een vreemd soort opwinding, teweeggebracht door alle doemverhalen die we te horen krijgen – over de verzuring van de oceanen en de vervuiling van de lucht. De vijand is onder ons en hij wacht op het moment dat onze waakzaamheid verslapt. Hij is des te geniepiger omdat hij onzichtbaar is. Als het de functie van oude riten was om de gewelddadigheid van een gemeenschap te zuiveren door offers te brengen, is het de functie van onze hedendaagse riten om de status-quo te dramatiseren en ons in vervoering te brengen door de nabijheid van de ramp.

Maar de zekerheid die al deze voorspellingen kenmerkt, zorgt ervoor dat het effect van korte duur is. De taal van de angst kent het woord ‘misschien’ niet. Zij vertelt ons liever dat de horror onvermijdelijk is. Iedere twijfel uit de weg maaiend, neemt zij er genoegen mee slechts de fases van de neergang aan te geven. Dit is een andere paradox van de angst: uiteindelijk stelt zij gerust. We weten immers waar we op af stevenen: naar het ergste.

Een gevolg van deze zekerheid is dat we beginnen te vermoeden dat de Cassandra’s die overal om ons heen de rampspoed verkondigen, er niet zozeer op uit zijn om ons te waarschuwen, als wel om ons te veroordelen. In het klassieke judaïsme trachtten de profeten nieuw leven te blazen in de zaak Gods tegen de koningen en de machtigen. In het christendom belichaamden millenaristische bewegingen de hoop op gerechtigheid tegenover een kerk die zich baadde in luxe en zondigheid. Maar in een wereldlijke samenleving is de enige functie van een profeet die van de verontwaardiging. Zo kan het gebeuren dat hij in vervoering raakt door zijn eigen woorden en zonder enige basis legitimiteit claimt, door de verwoesting aan te roepen waartegen hij pretendeert te waarschuwen. Jullie krijgen wat jullie verdienen! Dat is de doodswens die deze misantropen op ons afvuren. Het zijn geen grote geesten, die ons attenderen op problemen, maar kleingeestigen die ons graag zien lijden als we weigeren naar ze te luisteren. Ze zijn niet bang voor rampspoed, maar genieten er juist van. De afstand van luciditeit naar bitterheid, en van voorspelling naar anathema, is kort.

Een ander gevolg van de zekerheid van de doemprofeten is dat hun preken, door ons te verdoven tegen het gif van de angst, voor verlamming zorgen. Het beven dat ze aan ons willen opdringen krijgt geen vat op ons. De ongerustheid heeft het laatste woord. We hadden gealarmeerd moeten worden, maar in plaats daarvan werden we ontwapend. Dit zou zelfs wel eens het doel kunnen zijn van alle luidruchtige paniekzaaierij: ons imponeren, zodat we volgzamer worden. De ideologie van de catastrofe wordt zo een instrument van politieke en filosofische berusting.

Het is verrassend dat dit gevoel van rampspoed vooral in het Westen heerst, alsof het is voorbehouden aan bevoorrechte volkeren. Ondanks de economische crises van de afgelopen jaren hebben de mensen in Europa en de Verenigde Staten het beter dan waar dan ook. Dat is de reden dat migranten uit de hele wereld naar deze streken willen komen. Maar we zijn nog nooit eerder zo zeer geneigd geweest onze eigen samenlevingen te veroordelen.

Misschien is het nieuwe, groene puritanisme wel niets anders dan de reactie van het Westen dat is beroofd van zijn wereldheerschappij, de jongste verschijningsvorm van een ongelukkig soort neokolonialisme dat andere culturen een wijsheid probeert op te dringen die zijzelf nooit in de praktijk heeft gebracht. De afgelopen twintig jaar zijn niet-Europese volkeren de meesters van hun eigen toekomst geworden. Ze zien ons niet langer als een onfeilbaar model. Waarschijnlijk nemen ze de uitingen van ons ecologische geloof beleefd voor kennisgeving aan. Miljarden mensen hopen op economische groei, met alle vervuiling die daarbij hoort, om hun levensomstandigheden te verbeteren. Wie zijn wij om ze dat te weigeren?

De zorgen over het milieu zijn universeel van aard; het geloof in het einde van de wereld is een puur westerse aangelegenheid. Om dit pessimisme te keren zouden we het goede nieuws van de afgelopen twintig jaar kunnen opsommen: de democratie boekt langzaam vooruitgang; ruim een miljard mensen zijn aan de absolute armoede ontsnapt; de levensverwachting is in de meeste landen gestegen; oorlogen worden zeldzamer; veel ernstige ziekten zijn uitgeroeid. Maar het zou weinig baten. Onze perceptie is omgekeerd evenredig aan de werkelijkheid.

De christelijke apocalyptiek zag zichzelf als een hoopvolle openbaring van de komst van het koninkrijk Gods. De hedendaagse apocalyptiek heeft niets te bieden. Er is geen belofte van verlossing; de enige hoop is dat de mensen die berouw hebben van hun fouten aan de chaos zullen weten te ontsnappen, zoals in de roman The Road van Cormac McCarthy. Hoe kunnen we ons er dan over verbazen dat zoveel grote geesten de weg zijn kwijtgeraakt en dat er zoveel merkwaardige voorspellingen de ronde doen?


Pascal Bruckner is een Franse schrijver en filosoof, wiens jongste boek The Paradox of Love is.

Vertaling Menno Grootveld

Op vrijdagavond 25 mei om 20.00 uur houdt Pascal Bruckner in Utrecht een lezing over humanisme, populisme, weerbaarheid en Europa, op ­uitnodiging van onder andere het Humanistisch Verbond. Op vertoon van dit artikel ontvangt de Groene-lezer een korting van € 2,50 op het toegangskaartje. Kijk op www.europeanhumanists2012.eu voor meer informatie