De Movo Tapes

Apollo meets A3

De god van het licht vs. het schrijvende michelinmannetje in de maan. In zijn laatste roman ‹De Movo Tapes› voert A.F.Th. van der Heijden Apollo op als armoedige horoscoopschrijver. Apollo is hiervan allerminst gediend.

(Toneel: weids perspectief: ergens in de ruimte, tussen de sterren en de constellaties aan de hemel, tussen Hercules en de Zwaan, komt vanuit een baken een radiografische oproep, alsof de metalige muziek der sferen rechtstreeks uit de snaren van de Lier wordt getokkeld: Apollo aan A3 ontvangt u mij… Apollo aan A3, Apollo aan A3… A3 antwoordt niet meer.)

Vele manen eerder:

  • Noem mij Ab. Ab Ollo.
  • Wat moet je? Sodemieter toch op.
  • Wat een toon slaat u aan!
  • Hadjewat, zenuwenlijder, stuk verdriet.
  • Wat een toon! De verbolgen toon van iemand die goudschatten heeft zien flonkeren maar er zelf niet bij kan. En zo schrijft u ook.
  • Zoals ik schrijf, daar heb je geen zak mee te maken zoals ik schrijf. Kom nou. Dat raadt je de koekoek, jonge vriend.
  • Toch wel. U haalt mij uit de godenhemel en kleedt mij in lompen om me op te laten treden in die megalomane poppenkast van u, als bijklussende horoscoopschrijver en hofpornofotograaf. Hoor- en wederhoor. Woord en wederwoord. Zo ben ik opgevoed.
  • Had je wat te klagen? Voor jou tien anderen, hoor. Je lijkt wel een Hollander. Zo’n burgertrut die altijd wat te zeiken heeft als mensen iets proberen bij te dragen aan de beschaving. Zo’n pennenwippende pennenknager. Daar gaan we weer. Zo schieten we op. Mag ik effe een teiltje.
  • Mag ik daar even op inhaken? De toon die u daar aanslaat, boers, boos, maar toch bijna belezen, reserveert u in uw boek De Movo Tapes niet alleen voor uw hoofdpersoon maar ook ik moet zo praten en eigenlijk praat iedereen zo in uw boek. En wat nog gekker is: in 1973 praten ze precies hetzelfde als in 2003 en als in 2023.
  • Nou en? Ja, het is fictie hoor. En alleen romanpersonages hebben recht op leven. Die bewonen de necropolis waar mensen een soort volmaaktheid bereiken die op aarde niet voor ze is weggelegd. Of heb je soms stront in je ogen?
  • Uw literaire necropolis is een mortuarium, ben ik bang. Nergens gaat het leven. Dat ligt niet alleen aan uw eentonige taalgebruik, maar ook aan het feit dat u geen enkele gebeurtenis voor zich ziet. U heeft het allemaal bedacht.
  • Nou en? Moet het dan soms echt gebeurd zijn, zak tabak?
  • Allerminst. Maar ik geef u dit ter overweging: waarom geloven we het onmiddellijk als Suske en Wiske met Lambik die in een centaur is veranderd samen met een aangeklede geest moeten vechten tegen veertig rovers die uit een vliegende zeef komen gestapt? En waarom geloven we uw verhaal vanaf de eerste zin al niet en blijven we dat 713 bladzijdes lang niet geloven? Het begint meteen al: ik zou mijn naam verkocht hebben aan een ruimtevaartproject zodat ik een andere naam moet aannemen. Ja, dahag! Ik ben niet gek!
  • Droogkloot. Da’s toch leuk bedacht…
  • Voor een cabaretier, om een glimlach van twee seconden te oogsten op het Camerettenfestival. Maar niet om een boek van zevenhonderdnogwat bladzijden aan op te hangen. Even ongeloofwaardig is het onverkwikkelijke verhaal van de geboorte van de hoofdpersoon, toen zijn hoogzwangere moeder, verblind door de zon, een auto-ongeluk kreeg en het verwrongen staal haar baarmoeder opensneed. En u noemt dat: «De zon bracht mij met een keizersnede ter wereld.» Heeft u dan geen greintje inlevingsvermogen? U bent iemand die alleen maar vol is van zichzelf, en ook alleen maar voller wordt van zichzelf. Voor uw personages geldt hetzelfde: niemand wijdt ook maar een gedachte aan een ander. En zo (en daarom!) hangt het van onwaarschijnlijkheden aan elkaar. Terwijl het leven veel onwaarschijnlijker is, maar wel waar.
  • Wat ik schrijf is waar in hogere zin, zei Multatuli al. Daar heb ik die gribus hierboven niet voor nodig. Krijg nou wat. Ga jij lekker Suske en Wiske lezen en laat de literatuur aan de grote mensen. Ga je rukken. D’r is Leutertje luister op de radio…
  • Maar ook als Casanova door een van vuilniszakken gemaakte zee vlucht in een roeiboot geloven we het. En als een Deens prinsenkind wordt toegesproken door de geest van zijn vermoorde vader. Maar dat een jonge spits zijn debuut in het eerste jeugd elftal laat schieten voor een rol in een Tiroler seksfilm, zoals in uw boek gebeurt, wil er bij mij niet in, al mag het dan honderd keer ontleend zijn aan een echt bestaande film, Boogie Nights, en aan de treurige wederwaardigheden van softpornoacteur superstud Joost Zwagerman! En dat iemand zijn horoscoop leest en er nog in gelooft ook, zoals u ons wil doen geloven, is van zijn levensdagen nog niet voorgekomen.
  • Weet je wat het met jou is, Appie, jij hebt geen fantasie, net als het gros van die onsterfelijken die zich het vuil onder hun nagels vandaan zitten te vervelen om mij lastig te gaan vallen met dooie mussen die van het dak lazeren. Ik heb jou helemaal niet om je mening gevraagd. Maak zelf ’s wat.
  • Waarom bent u toch zo bang voor de dood, meneer Aft of moet ik zeggen meneer Spruw?
  • Dat was niet de afspraak. Zo ga ik straks pas heten!
  • Bent u bang voor wat ze met u gaan uitspoken als u zelf een personage bent geworden? Uw hoofdpersoon Satink moet Movo worden om zo zelf de dodendans te ontspringen. Hij moet zich dupliceren tot een homo duplex, verscholen achter een absurde afkorting, verwijzend naar de MOeilijke VOeten van de homo complex bij uitstek, Oedipus. U lijdt overduidelijk aan het syndroom van Jeroen Brouwers, die ook bang is dood te gaan en onmiddellijk te worden vergeten. U zoudt daar juist blij om moeten zijn, te gaan behoren tot het legioen van grote vergeten schrijvers van het eind van de vuilste eeuw tot nog toe, de vorige, de twintigste, zoals u die in uw niet te stuiten perifrastische uitleggerigheid noemt.
  • Het leven op aarde is één grote dodenwake en dat mag ook wel eens gezegd worden.
  • Maar waarom komt het er allemaal zo moeizaam uit? Zo obstipaat. Verwrongen. Moeizaam, moeizaam geploeter door de bagger, terwijl u een rotsblok meesleept aan een touw, het rotsblok dat uw boek is. De kringspier in verkrampte werking, niet de schrijfspier. En sinds u de spreektaal heeft omhelsd, is het alleen maar erger en onechter geworden. Blijft u toch in Godsnaam schrijven als Bosboom Toussaint!
  • Het is ook nooit goed…
  • U heeft een zware taak, nergens spat ook maar het geringste vonkje schrijfplezier van de bladzijde. Geen enkel oog voor het toeval, het onverwachte, de deur die één enkel woord open kan gooien, het voorval dat vele voorvallen in zich draagt. Nergens wordt het een feest. Het lijkt wel alsof het een straf is voor u.
  • Dat is het ook. Een straf die ik anderen opleg. Het is afzien. Wie aanzien wil, moet afzien.
  • Dat heb ik gemerkt. De lezer ziet u zweten en zwoegen om uw banale filosofietjes («een dag komt nooit weerom» en «elk moment is er één» en «later vond de mens, geheel overeenkomstig zijn luie aard, het wiel uit» en «Shakespeare heeft het allemaal voorzien»), uw levenloze uit de dikke duim gezogen bedenksels, uw fantasieën uit de pornofabriek, uw fopdialogen («Je komt glashard te laat…!» «Professor, toch…» «Nono Nescio, of zo iemand.» «Ja, die. In Dichtertje. Zo heet dat verhaal.»), uw samenklonteringen van clichés en vage klachten («slordig uit de grond gestampte proletarische wijken»), zo stoer, zo literair verantwoord mogelijk in te pakken. «Bewegingsetiquette voor de aristocratische robots van Amsterdam-Zuid…» U wilt Céline zijn, of misschien zelfs Nietzsche… Maar het komt eruit als Youp van ’t Hek.
  • Dat zeg ík niet, dat zegt mijn roman figuur. Ben je nou helemaal van het jaar nul. Christusnogantoe. Daar krijg je hem bij geen rechter mee overeind hoor.
  • Tant pis! Het blijft toch klinken als Youp van ’t Hek die op zijn al te navolgbare popiejopie- of liever gezegd poepieyoupiewijze zijn gal spuwt op zijn eigen wegroestende spiegelbeeld. Daar zit hem nou net het probleem: uw hoofdpersonen schreeuwen in het luchtledige. «Er bestaat geen polis tegen falende werkzaamheid van de zon», klaagt Movosatink. Wie had dat dan gedacht? Uw persoon is een bedenksel, een gefiguurzaagde dwerg voor boven de kapstok, geen homo duplex, maar een homo triplex. Houten figuren, figuren van hout. Over de profeet Hermans gesproken (die u overigens onvolledig citeert): waarom een mus van het dak schieten als je hem ook uit de muur kan trekken? Waarom iemand in het hart raken als je hem ook in zijn dikke pens kan treffen? Welnu, u bent waarlijk de eerste mens op aarde die is wat hij doet: dik.
  • Godverdomme, vuile klootzak, ik had je nooit in mijn boek moeten toelaten, ondankbare hond! Rot naar je moer!
  • Mag ik u er wel even aan herinneren dat ik ook nog de god ben van de ontijdige dood bij mannen en dat ik somber blikkend als de nacht met schrikwekkende klank van mijn zilveren boog negen dagen lang mijn pest pijlen door het Griekse leger liet vliegen?
  • Is dat een dreigement in de zin der wet?
  • Beschouwt u het in uw loze, saaie fictie maar als een vingerwijzing van uw horoscoopschrijver.