Gastcolumn

Apologie van een kleffe verslaggever

Ooit was het een onderwerp dat alleen in cafés op het Haagse Plein ter tafel kwam, tussen de borrels door. Verder richtten verslaggevers zich op hun werk: schrijven over de manier waarop politici opportunistisch hun principes inzetten om beleid te maken of tegen te houden. Voor en achter de schermen.

Medium columnpieter

Dat is geweest. Vandaag praten en schrijven journalisten, columnisten, wetenschappers, zelfs politici en allerhande activisten graag over de wijze waaróp de parlementaire pers verslag doet van de politiek. Populaire woorden: mediacratie en politiek-publicitair complex.

Die woorden klinken diepzinnig. Het onderwerp – niet minder dan de werking van de democratie – rechtvaardigt die diepzinnigheid. Maar opvallend genoeg is het gesprek over de relatie tussen pers en politiek vooralsnog allesbehalve diepzinnig, ondanks de groei van het aantal leerstoelen en vakgroepen politieke communicatie.

Hoe komt dat? Waarschijnlijk doordat het te verleidelijk is om de omgang tussen pers en politiek te presenteren als per definitie zorgelijk. Een populaire, bijna ingeburgerde gedachte: het is een kleffe boel op het Binnenhof, al dat geslijm, gelek en gelijm; geen journalist doet meer wat hij moet doen: waarheid tegenover macht stellen. In mijn jaren als politiek verslaggever hoorde ik de klachten eindeloos herhaald worden. Lezers zeggen te hunkeren naar meer beleid in de krant. Niet de wedstrijd met alle tackles, elleboogstoten en terugspeelballen, maar argumenten en doelstellingen. En dat zeer uitgebreid, geplaatst in historische context en geduid door deskundigen.

Yeah right.

Ik ving bot als ik zei: ‘Maar u handelt niet naar uw woorden. U zegt het beleid te willen, met koopkrachtplaatjes erop en eraan, maar u blijkt de verhalen over de elleboogstoot, de tackle en het “proces” te verslinden.’ Nee hoor, hoorde ik dan, dat zijn andere mensen. Domme mensen. En daarna werd telkens dezelfde conclusie getrokken: het is slecht voor de democratie als verslaggevers toegeven aan het verlangen van het publiek naar conflict en opwinding. Het is dezelfde conclusie als die welke de voornaamste wetenschappers en journalisten in het debat over de mediacratie trekken.

Onjuist is het niet. Maar het denken lijkt hier ook direct te stoppen, terwijl voor enig begrip van de invloed van media op politieke besluitvorming het niet genoeg is om louter de commerciële logica te verafschuwen die verslag­gevers en hun bazen hanteren bij het maken van het nieuws. Interessanter is om te zien hoe die commerciële logica de verslaggeving beïnvloedt. Wie dat serieus doet, ziet van alles. Onder meer dat die invloed niet per definitie de verslaggeving naar beneden haalt. Zo verkeerd is het niet dat verslaggevers in naam van oplagecijfers de kloof tussen henzelf en hun lezers klein houden. Maar de voordelen van een commerciële logica onder verslaggevers worden zelden verwoord.

Rechtsfilosoof Herman van Gunsteren deed een moedige poging. Na een half jaar te hebben meegelopen in de perskaravaan op het Binnenhof kwam hij in het boekje Pers Pectief (2009) tot de conclusie dat de Haagse verslaggeving in Nederland zo slecht nog niet is, met soms een uitschieter naar boven en naar beneden. Maar de hypes en hetzes dan? Die zijn toch verschrikkelijk? Nee hoor, meent Van Gunsteren, die hebben een belangrijke functie. De concurrentie binnen de kluit journalisten op het Binnenhof, redeneerde Van Gunsteren, zorgt ervoor dat iedereen elkaar tijdens een hype corrigeert. Als de Volkskrant bijvoorbeeld groot uitpakt met een familieconflict van een GroenLinks-­Kamerlid dat niets te maken heeft met haar politieke functioneren, zorgen andere kranten ervoor dat de plotselinge hype zich een dag later nog slechts richt op een geval van belangenverstrengeling uit haar verleden dat er wél toe doet. Omdat journalisten het prachtig vinden elkaar te corrigeren, zorgen ze er zelf voor dat halve en hele onwaarheden snel worden gecorrigeerd. Niets leuker dan een collega betrappen op een fout.

Wat Van Gunsteren deed, is commercieel oninteressant. Zijn boekje verkocht slecht. Cultureel antropoloog Joris Luyendijk kwam een maandje langs op het Binnenhof en zag vooral machtshonger, rellerigheid en klefheid. Het werd een geweldige hit: tienduizenden exemplaren verkocht. Het boekje paste goed in een genre waar een bekende quote van de Britse schrijver en tv-man Jeremy Paxman boven zou kunnen staan: ‘De mate van respect tussen journalist en politicus moet gelijk zijn aan die tussen hond en lantaarnpaal.’ Of neem de Nederlandse variant. In dit weekblad haalde GroenLinks-politica Andrée van Es met instemming een journalist aan die in de jaren vijftig zou hebben gezegd: ‘Politici? Kom op zeg, daar praat je toch niet mee, daar schríjf je tegen!’

Het is onzin. In werkelijkheid waren de banden tussen politici en journalisten in die goede oude tijd minstens zo innig, zo niet inniger. Van Es heeft dat drie decennia later zelf ervaren toen zij in Den Haag werkte, maar ze weet dat zo’n quote tegenwoordig op grote instemming kan rekenen. Want het cynisme over politieke journalisten en de politici die hen te woord staan, raakt salonfähig.

Politieke verslaggevers zijn aan de klachten gewend. En halen de schouders op. Ze hebben het wellicht ook gewoon te druk met achter­halen hoe de voor hen niet direct zichtbare werkelijkheid in elkaar zit. Want wat willen lezers, kiezers en burgers nu echt? Ze willen weten wat er is gebeurd en gezegd tussen Blok, Rutte, Bos en Samsom toen ze besloten de zorgpremie inkomensafhankelijk te maken. Bijvoorbeeld. Journalisten kunnen dat achterhalen, maar niet als ze over de broekspijpen van de hoofdpersonen plassen. Ook louter schrijven tégen politici, uit principe, helpt niet voor wie wil weten hoe iets zit. Er zit maar één ding op: met politici praten. Desnoods met een biertje erbij.


Pieter van Os is redacteur van NRC Handelsblad. In januari verschijnt van hem het boek Wij begrijpen elkaar uitstekend: De permanente wurggreep van pers en politiek

Beeld: Robin Utrecht/ANP