Naar het schrijversgraf

Apostel van Jack, Arthur, John en Paul

Waarom gaat iemand op zoek naar het graf van Jack Kerouac? Misschien is zo’n seculiere pelgrimage net zoiets als een voettocht naar Santiago de Compostela. Om tot zelfinzicht te komen. Schrijven en lezen is reizen in stilte.

Ik was op de verkeerde begraafplaats beland. Lowell, Massachusetts heeft er meerdere, en twee van de grootste liggen pal naast elkaar. Hier ergens zou hij moeten liggen: Jack ­Kerouac, hogepriester van de Beat, de man die van literatuur jazzimprovisatie maakte. Maar waar? Ik had geen rekening gehouden met een uitgestrekt woud van steen, maar had verwacht dat er bordjes zouden zijn, of dat Jack zich simpelweg aan me zou openbaren. De weinige bezoekers van St. Patrick’s reden per auto bij hun overledene van keuze voor, en wanneer ik ze probeerde aan te houden om de weg te vragen, gaven ze extra gas. Het was een zonnige herfstdag en het gebladerte lichtte op in vurige tinten die eerder warmte dan kou suggereerden, eerder leven dan dood.

Schuin tegenover de begraafplaats, aan Gorham Road, lag een slijterij. Daar haalden literaire pelgrims ongetwijfeld de drank die ze aan Kerouac offerden of in zijn bijzijn soldaat maakten, een ritueel waarover ik gelezen had. Achter de counter stond een Koreaan in Amerikaans uniform: spijkerbroek, slobberig T-shirt, baseballcap van de Red Sox. Ik stapte binnen en begon over Kerouac. De gedrongen veertiger zei, met topzwaar accent: ‘Kewack? Geen Kewack. Aanbieding? Johnny Wock. $ 15,99.’

‘Op zoek gaan naar iemands graf’, schrijft Valeria Luiselli in Valse papieren, ‘heeft veel weg van het ontmoeten van een onbekende in een café. (…) Van afstand kan elk persoon diegene zijn die op ons wacht; elke grafsteen het graf dat we zoeken. Om de juiste persoon te vinden moeten we ons onder de mensen, tussen de mausolea begeven, en geduldig wachten tot de ontmoeting daadwerkelijk plaatsvindt. (…) Het is zaak zorgvuldig de kneuzingen in het marmer na te lopen; om het gezicht van de onbekende te herkennen moeten we de voorstellingen van het verwachte profiel vergelijken met de variatie aan neuzen, baarden en voorhoofden die we tegenkomen; we zullen de blikken van de onbekenden moeten lezen zoals we een grafschrift lezen, tot we het juiste opschrift tegenkomen, het in steen uitgehouwen “ja, ik ben het” van de dode die op ons ligt te wachten.’

Ik bezoek graven, maar niet alleen graven. Ik bezoek geboortehuizen. Ik loop op blote voeten over het zebrapad van Abbey Road, rij door regenachtig Liverpool en schiet vol op een veld achter een kerk, waar de tiener Paul McCartney voor het eerst het skiffle-bandje van de tiener John Lennon zag. Ik struin door Harar, Ethiopië, op zoek naar sporen van Arthur Rimbaud, die er zijn laatste (maar nog steeds jonge) jaren sleet als koffie- en wapenhandelaar. Ik wandel rond Walden Pond, en probeer me voor te stellen hoe Thoreau het bos zijn thuis maakte, een plek om te zijn, in de meest fysieke zin, en om na te denken. ‘Omdat ik’, zoals hij schreef, ‘nadrukkelijker wilde leven, en louter de essentiële feiten van het bestaan in de ogen wilde kijken, om te zien wat het me te leren had en ik niet, wanneer de dag komt dat ik sterven zal, hoef te ontdekken dat ik eigenlijk niet geleefd heb.’

Wat doe ik op al die plekken? Het is meer dan het eren van de doden (McCartney leeft nog), en het ontstijgt, zo maak ik mezelf wijs, toerisme, de platste vorm van reizen. Zijn het seculiere pelgrimstochten die een diepe behoefte bevredigen? Zo ja, waarin verschillen mijn pelgrimstochten dan van de religieuze? Of verschillen ze minder van elkaar dan zowel atheïst als gelovige zou willen?

De Australische schrijver Morris West omschreef de mens ooit als een wezen dat door twee werelden wandelt en op de wanden van zijn grot de wonderen en nachtmerries van zijn spirituele pelgrimages vastlegt. Wandelen, lopen, bewegen (rijden mag ook, graag zelfs, als het maar ver is), het oversteken van grenzen, zowel fysiek als mentaal, het heeft er allemaal iets mee te maken. Veel mensen mediteren om een bepaalde contemplatieve, emotionele of zelfs transcendente staat te bereiken, maar daar ben ik te ongedurig voor. Zet me vijf minuten op een stoel en de onrust verspreidt zich van mijn brein naar mijn hart naar mijn benen. En hup, verder maar weer. Ik kan beter denken (voelen?) als ik iets doe. Ik denk met mijn handen (schrijven), en ik denk met mijn benen (reizen). Er bestaat, zoals Robert Macfarlane opmerkt in The Old Ways, een krachtig verband tussen lopen en de verbeelding. De indrukken en vermoeienissen onderweg maken het gekweekte pantser week, het membraan van de geest permeabel. Om binnenin in beweging te komen, moet ook het lichaam bewegen.

Maar bewegen op zich is niet genoeg. Een pelgrimstocht vergt een specifiek einddoel, zoals de hadj een einddoel heeft, en de camino, de voettocht naar Santiago de Compostela. Volgens conservatieve schattingen van The Alliance of Religions and Conservation gaan jaarlijks zo’n tweehonderd miljoen mensen op pelgrimstocht naar Lourdes, Onze Lieve Vrouwe van Guadalupe, de Klaagmuur, Mekka, Karbala, Tirupati en nog tientallen plekken die grote betekenis hebben binnen wereldreligies. Vele miljoenen meer gaan naar plekken die losstaan van een officiële leer of een Hogere Macht.

Zo’n tocht begint met een jarenlange periode van conditionering en uitgebreide voorbereiding: lezen, luisteren, routes uitstippelen, doordesemd raken. Daarna een reis die bij voorkeur gepaard gaat met tegenslagen, een basis­voorwaarde voor het soort moeizame overwinningen dat emotionele overgave mogelijk maakt. Het is een bezigheid die van paradoxen aan elkaar hangt. Ik herinner me reisschrijver Colin Thubron, die de kora volbracht, een voettocht rond de voor hindoes en boeddhisten heilige berg Kailash – een nooit beklommen berg waar sommigen letterlijk omheen kruipen, om elke meter grond te kunnen raken. In To a Mountain in Tibet schrijft hij over de dood van zijn ouders en zijn zus, en suggereert dat dat zijn reden was om op pelgrimstocht te gaan. ‘Wat blijft is het verlangen dat dingen anders zijn dan ze zijn. Dus kies je een betekenisvolle plek op het oppervlak van de Aarde, de bestemming voor een seculiere pelgrimage. Je gaat op reis (dat is mijn vak, tenslotte), lopend naar een plek voorbij je eigen geschiedenis.’ Inderdaad, maar het is ook het exact omgekeerde. Niet oplossen en ontkomen aan jezelf en de historie, maar juist je identiteit versterken, dieper in jezelf graven, jezelf beter leren kennen, het internaliseren van historie. In rituelen bestendig je dat het werk van díe schrijver, díe band, de leer van díe god of díe profeet bepalend is voor wie je bent. Zo vind je een belangrijk deel van jezelf buiten jezelf.

Lowell – fabrieksstad, textielstad, arbeidersstad – verkeert feitelijk al sinds de Grote Depressie in malaise, met slechts kleine oplevingen dankzij de oorlogseconomie of een verdwaalde oosterse zakenman. Maar Lowell is waar ­Kerouac, kind van Frans-Canadese arbeids­migranten, opgroeide, gevormd werd en uiteindelijk terugkeerde.

Verderop, nog steeds langs Gorham Road, vond ik het gietijzeren toegangshek tot Edson, een begraafplaats die georganiseerd bleek volgens een heus stratenplan. Woonden Jacks resten aan Washington en 5th? Aan 3rd en Lincoln? Mijn State by State Guide to the Beat Generation gaf geen uitsluitsel, maar een ‘grid’ bood de mogelijkheid methodisch, blok voor blok, graven af te vinken. Kerouac moest onder een platte, kleine steen liggen, verscholen tussen, en mogelijk onder, de herfstbladeren. Ik wist dat ik mijn aandacht moest richten op het ernaast gelegen familiegraf van de familie Sampas – waarin ook een in de oorlog gesneuvelde jeugdvriend van Jack is bijgezet. Dat graf­monument zou fier overeind staan, en dus makkelijker herkenbaar moeten zijn. En inderdaad, dankzij de familie Sampas wist ik, een uur later, het graf te lokaliseren.

Het was alsof ik een geliefde van lang geleden tegen het lijf liep, bijna bij toeval. Mijn hart sloeg een slag over, er was een moment van herkenning en, al weet ik niet waarom, schrik. Ik kwam aarzelend dichterbij en vlijde me neer aan Jacks voeten en botten.

Bij leven was Kerouac steeds kleiner geworden; zijn stream of consciousness opgedroogd, boog hij voor een kleinerende God. Daar zat hij, de Koning van de Beat, bij zijn moeder op de bank, bekvechtend, drinkend, verschrompelend. Dit bijna anonieme graf was het logische eindstation, alsof hij dubbel begraven moest worden. Zelfs de naam waaronder iedereen hem kende, werd hem afgenomen. Geen Jack, maar ‘Ti Jean’ (Kleine Jan) en de boekeinden: John L. Kerouac. MAR 12, 1922 – OCT 21, 1969. Maar wel: ‘He honored life.’

Het graf was aangekleed door voorgaande bezoekers – het was fijn te zien dat het er niet al te veel waren, dat ze hun best hadden moeten doen het graf te vinden, en het graf op een bepaalde manier verdiend hadden. Er stonden lege flessen (Bushmills, Remy Martin, Guinness), er lagen een leeg pakje Marlboro, half opgerookte peuken, schelpen, een kaart met Jacks beeltenis, een penny, een pen, wat briefjes. ‘Jack, thank you for all the joy you brought me. I hope you have eternal peace and comfort.’ Ook vond ik, op een uitgedroogd, bijna perkamenten velletje een weinig vormvaste haiku: ‘Kerouac in Earth-Heaven/ We kiss the/ orange leaves.’ Die schreef ik over in mijn aantekenboekje.

Misschien moet ik hier stilstaan bij nóg een aantal mogelijke – en minder florissante – redenen om op pelgrimstocht te gaan. Redenen waaraan ik ook zelf, in meer of mindere mate, schuldig ben: 1) ermee kunnen koketteren; 2) de schreeuwende verveling en morele leegte van het moderne leven verdrijven (of althans: jezelf wijsmaken dat je dat aan het doen bent); 3) het nog even uitstellen van daadwerkelijke, belangwekkende levenskeuzes.

Die laatste twee werden me gesuggereerd door een recent boek: Gideon Lewis-Kraus’ Sense of Direction: Pilgrimages for the Restless and the Hopeful. Lewis-Kraus is dat typische moderne wezen: cultureel angehaucht, verveeld. Een groot kind, serieel monogaam, zonder vaste betrekking, hypotheek of daadwerkelijke verplichtingen; iemand die naar Berlijn verhuist om zich te wentelen in een cultureel klimaat waar de ironie zelf belachelijker is geworden dan hetgeen ze ontmaskeren wil; iemand die ‘a nonstop moral holiday’ geniet, al duurt het lang voor Lewis-Kraus dat – high van het gebrek aan levensernst – door heeft. Eenmaal door­drongen van de richtingloosheid van zijn levenspad onderneemt de schrijver een aantal fameuze pelgrimstochten, waar­onder de Camino de Santiago de Compostela en de 88 tempels van Shikoku. ‘Een pelgrimage zoals deze’, schrijft hij, ‘is een oude en lichamelijke vorm van shock-therapie, een structuur die onderhouden en gepromoot wordt om ons een lijfelijk gevoel van dankbaarheid voor en verwondering over de diversiteit en vrijgevigheid van de wereld te schenken, een wereld die veel groter is dan onze kinderachtige angsten, onze moedeloosheid, onze spijt.’

Voor mij werken die ‘officiële’ pelgrimages niet. Ik heb zelf ooit een stuk van de 88 tempels van Shikoku gedaan, maar mijn religieuze scepsis liep me continu voor de voeten. Een theoloog merkte ooit op dat het bezoeken van een ‘echt’ heilige plek je goed en kwaad kan doen, maar het bezoeken van een ‘onechte’ plek je helpt noch schaadt – het is maar een placebo. Nog even los van het feit dat placebo’s wel degelijk een gunstig effect kunnen sorteren, zijn voor een atheïst uiteindelijk alle religieuze plekken ‘onecht’.

Aan de rand van Matsuyama, op het terrein van een van de belangrijkste tempels, sprak ik met een oudere Japanner, die bijkans gek was geworden van de eenzaamheid en meermalen had getwijfeld aan het nut van zijn voettocht, waarvoor hij langdurig vrij had genomen van een veeleisende kantoorbaan. Verderop stond een Noorse jongen die zich niet alleen van al zijn gezichtsbeharing had ontdaan – inclusief wenkbrauwen – maar zijn hele identiteit leek te hebben afgelegd. Hij wist niet eens meer hoe oud hij was. Uiteindelijk heb ik de fiets en de trein gepakt en slechts een handvol van de 88 tempels bezocht. Just another bloody tourist.

Wat maakt een bestemming heilig? Het is een vraag die veel groter is dan het benauwde religieuze discours erover. Heilig is alles wat zo bepalend is voor je identiteit dat je er nooit afstand van zou kunnen of willen doen. Bij gebrek aan geloof in het Hogere heb ik voor mezelf de prestaties van mensen heilig verklaard: de literatuur, de muziek, de wetenschap, de ruimtevaart (om eens een zijstraat te noemen). Ik heb dingen in mezelf heilig verklaard: van sterke voorkeuren tot de wonden die ten goede en ten kwade bepaalden wie ik ben. Atheïsten boetseren hun eigen seculiere leer, hun eigen regels voor het leven, hun eigen idee van wat belangrijk is en blijvende waarde vertegenwoordigt. Dat klinkt als een privaat iets, maar het omvat ook de wens je – aan de hand van al die dingen – tot anderen te verhouden, tot de doden (en soms nog levenden) die je leven verrijkt hebben, en tot de levenden die je gevoelens delen. Maar ook daarin weer dat dubbele: ik vind het fijn als ik merk dat ik tot een select, liefst deskundig gezelschap behoor. Is het pad minder platgetreden, dan lijkt de impact groter. Ik wil me tegelijk tot iets verhouden en uniek zijn.

Ik heb een hele tijd aan Jacks graf gezeten, parkeerde een door de wind gegrepen briefje onder een van de flessen, veegde de bladeren van de platte steen, neuriede wat. De ongedurigheid die me gewoonlijk al na een paar minuten bevangt, liet op zich wachten. Al die tijd zag ik alleen een doorbuigende figuur met een hondje, een paar wijken verderop.

Hoewel Kerouac pas op latere leeftijd boog voor de gramstorige god van zijn moeder, was in zijn eigen reizen de religieuze ondertoon nooit ver weg. Kerouacs reisgezel Neal Cassady had, in Kerouacs woorden, ‘the tremendous energy of a new kind of American saint’. En dus volgde ­Kerouac hem over Amerikaanse wegen, een heuse apostel, waarna Kerouac zelf voor een generatie nieuwe apostelen heilig werd. Dat On the Road op een rol is geschreven, had wellicht een praktische reden – doortypen zonder velletjes te hoeven vervangen – maar associaties met heilige teksten zijn nooit ver weg. Het veertig meter lange manuscript wekt bovendien de suggestie van een weg op zich, een reis, een pelgrimstocht, een camino van papier. Literatuur en reizen zijn in On the Road expliciet verbonden, maar het verband zit op een bepaalde manier in elk boek. Schrijven en lezen is reizen in stilte. Elke literaire tekst is, om met Cyril Connolly te spreken, een periplus, een intellectuele rondvaart. De schrijver navigeert, zich niet altijd volledig bewust van de koers, de lezer is passagier, al bepaalt hij of zij mede het aangezicht van het aangetroffen landschap, of in elk geval: de betekenis van dat landschap. De wens via een tekst tot (zelf)inzicht te komen, en tot verbinding met anderen, maakt van veel romans niet alleen een reis maar een verhulde pelgrimstocht. Vooral die romans die uitdagen, inspanningen vereisen en hun geheimen moeizaam prijsgeven.

Toen ik wegliep bij het graf voelde ik wat ik al eerder ervoer: een vreemde mengeling van voldoening en teleurstelling. Het blijft reiken naar iets waar je soms grip op krijgt en vaker de grip op verliest. Misschien dat ik ze daarom blijf maken, deze seculiere pelgrimstochten. Next stop: Rockville, Maryland, het graf van F. Scott Fitzgerald.