Apporteerlust

Deze week gaat de film ‘Carrington’ de bioscopen in. Over Dora Carrington, de vrouw die haar talenten verborg achter haar partner, de beroemde biograaf Lytton Strachey. Een complex leven in de complexe wereld van de Bloomsbury’s.
ECHTE LIEFHEBBERS van Dora Carrington zullen hun hart wel vasthouden bij de film die over haar leven is gemaakt. Sommigen zullen hem niet eens willen zien, bang om hun eigen beeld te laten verstoren. Het is zo gemakkelijk om van haar leven een melodrama te maken. Een zielig verhaal over haar onmogelijke liefde voor de homoseksuele Lytton Strachey. Terwijl die liefde juist haar grootste inspiratiebron was. Zij noemde hem niet voor niets ‘my holy ghost’.

Liefhebbers van Carrington (ze wilde zelf bij haar achternaam genoemd worden) houden het meest van de brieven en de dagboekfragmenten die in 1970 van haar zijn gepubliceerd. Hoe kan de sfeer daarvan worden verfilmd? Niet. Daarom is in de film het accent ook op haar schilderkunst komen te liggen. Carringtons schilderijen zijn als illustraties bij haar leven. De film maakt van haar leven een schilderij.
‘Het is nogal gekmakend als je de ambitie van een Tintoretto hebt en je schildert als een muis’, schreef ze ooit. Vandaar dat er vrij weinig schilderijen van haar zijn. Ze was het drukst met het beschilderen van muren, kasten, tegels, meubels, kortom alles wat los en vast zat in de huizen die zij en Strachey bewoonden. Dat deed ze met dezelfde zwier en kwikzilverigheid als waarmee ze haar brieven met tekeningetjes versierde. 'Heb je ooit een vrouw gezien die zo opging in dingen?’ schreef een van haar minnaars, de schrijver Gerald Brenan, aan een vriendin die hij in vertrouwen nam als hij het weer eens moeilijk met haar had. 'Als je wilt weten hoe het met haar interesses, affecties en verlangens gesteld is moet je niet in haar hoofd zijn maar in de tuin, daar stopt ze alles in, en in de maaltijden, de meubels en de warmwaterkruik.’
Met die warmwaterkruik bedoelde hij Lytton Strachey. Niemand begreep iets van Carringtons toewijding voor hem. Ze was voortdurend met het decor van zijn leven in de weer. Je mist in de film dan ook regelmatig dialogen omdat er op de achtergrond zoveel te zien is.
ZE WILDE TIJDENS haar leven nooit exposeren. 'Ik schilder voor ons, voor mezelf, als ik me goed voel’, zegt ze als Strachey haar aanmoedigt eens wat werk in te sturen. Overschaduwd door tijdgenoten als Mark Gertler en Duncan Grant duurde het tot 1976 voor haar werk tevoorschijn kwam. Toen werd ze door de directeur van de Tate Gallery 'de meest miskende, serieuze schilder van haar tijd’ genoemd. Vanaf 23 september is er in Londen een retrospectief van haar werk te zien.
Ze had deze maand, ruim zestig jaar na haar dood, zelfs een tentoonstelling in Amsterdam. In een vitrine van de bioscoop Alfa op het Leidseplein hingen kopieen van haar bekendste schilderijen de film aan te prijzen. Zonder er overigens met een woord over te reppen dat het om rekwisieten ging. Een van haar lelijkste schilderijen, een vaas met bloemen, was prominent op een ezel gezet. Op de grond had men losjes wat penselen en een palet neergevlijd. Twee van haar mooiste schilderijen, het portret van Lytton Strachey en Tidmarsh - het huis waar zij het gelukkigst met hem was -, gingen schuil achter de letters die op het raam glashard 'Carringtons schilderijen hier te zien’ beweerden.
Dan had men het dit voorjaar in Parijs heel wat indrukwekkender aangepakt. De stad hing vol levensgrote posters. Overal zag je haar met Lytton Strachey in een paradijselijk Engels landschap lopen. Jonathan Pryce, die Strachey speelt, was in Cannes bekroond als de beste acteur. Niet geheel ten onrechte, hoewel hij een hoop aan zijn opgeplakte baard heeft te danken. En aan de one-liners van Strachey ('A cunt always makes me terribly desorient’) want hij stond bekend als een wit. Terwijl actrice Emma Thompson door haar manier van lopen, zitten, kijken en praten zozeer Carrington is geworden dat je haar gezicht bijna invult als je daarna een foto van de echte Carrington ziet.
Haar gezicht is eigenlijk op geen enkele foto duidelijk te zien. Ze was niet mooi, maar alle mannen die verliefd op haar waren, waren dat tot over hun oren. Virginia Woolf, die zeer op haar gesteld was, noemde haar gezicht 'clever’ - vandaar dat Emma Thompson zo'n uitstekende keus is.
DE FILM IS gebaseerd op Michael Holroyds biografie van Strachey, oorspronkelijk een dubbeldekker van 1500 bladzijden, maar vorig jaar in een verkorte versie uitgekomen als The Shorter Strachey. Dat Jonathan Pryce en niet Emma Thompson in Cannes een prijs voor de beste acteerprestaties kreeg, wordt enigszins goedgemaakt door het merkwaardige feit dat de The Shorter Strachey in het Frans Carrington heet. Zo zal het ook in het Spaans, Italiaans en Duits gaan heten. Er komt geen Nederlandse vertaling, wat jammer is, want het is een verrukkelijke biografie in de beste Strachey-traditie. Lytton Strachey was aan het begin van deze eeuw een van de belangrijkste vernieuwers van het genre. Eminent Victorians maakte hem op slag beroemd.
Degene die in Nederland het meest voor Carringtons reputatie heeft gedaan is Charlotte Mutsaers. Toen zij haar brieven en dagboekfragmenten voor het eerst had gelezen, kwam ze tot de ontdekking dat er door haar zelfmoord 'niet zozeer een groot schilderes als wel een begaafd schrijfster verloren was gegaan’. Michael Holroyd lijkt dat volkomen met haar eens te zijn. Hij vergelijkt haar brieven met een bijna onbewust tot stand gekomen poezie waarin 'de dingen voortdurend in elkaar overlopen en uit elkaar voortvloeien en waarin voorwerpen, gebeurtenissen en mensen door haar aanraking gaan meetrillen met alles wat er aan verrukkingen, angsten, geluk en pijn in haar leeft’. Wat trouwens ook een omschrijving van Mutsaers werk zou kunnen zijn.
Dat is geen toeval. Hun verwantschap gaat verder dan de letter C in hun naam. Hoewel Mutsaers daar wel erg veel betekenis aan toekent. In haar bundel Kersebloed schrijft ze over de 'capricieuze C-familie’ dat de C-factor staat voor een bepaald soort kronkels in de hersens. Zo blijkt Carrington familie van, onder meer, Lewis Carroll, Benjamin Constant, Cortazar, Chapkis, Chlebnikov en natuurlijk van Charlotte Mutsaers zelf.
'Bien etonne’ zou Carrington met een zwaar Engels accent hebben gezegd als ze had kunnen beoordelen om wat voor gezelschap het ging. Ze hield ervan, net als Mutsaers, om Franse uitdrukkingen te gebruiken. Die had ze van Lytton Strachey geleerd. Toen zij hem in 1915 ontmoette was zij 24 en nog maagd (ondanks een jarenlange stormachtige relatie met de schilder Mark Gertler), en hij 36 en een immer verliefde homofiel. Beiden woonden nog thuis.
'I feel desperately homesick, but for what home?’ had Strachey al in 1905 aan zijn vriend Leonard Woolf geschreven. In zijn wanhoop had hij zelfs Virginia Woolf (toen nog Stephen) eens ten huwelijk gevraagd. Om dat de volgende dag tot beider opluchting te herroepen.
Om aan de benauwenissen van het ouderlijk huis te ontkomen logeerden Carrington en Strachey zo vaak ze konden bij vrienden. De coup de foudre waar Carrington nooit meer overheen zou komen, trof haar in het buitenhuis van Vanessa en Clive Bell. Vanaf dat moment was de Wet van Baas en Teef even onverbiddelijk en onontkoombaar van kracht als in Mutsaers roman Rachels rokje. De volgende zestien jaar van haar leven stonden in het teken van hondetrouw tot in de dood. Van een 'apporteerlust’ (ook een Mutsaers-woord) die Strachey zich soms gegeneerd, vaak vol verwondering maar meestal met welgevallen liet aanleunen.
Hun ogenschijnlijke ongelijkwaardigheid is op overeenkomsten gebaseerd die hun relatie uiteindelijk bindend maakte. Carrington was even weinig trouwlustig als Strachey en wilde geen kinderen. Zij wilde het liefst een Giotto worden, Strachey de Engelse Voltaire. Ze waren ook allebei ernstig onzeker over hun capaciteiten. Strachey was tijdens zijn leven een celebrity maar zag zichzelf diep in zijn hart als een mislukt schrijver. Carrington was zo onzeker over haar schilderijen dat ze ze aan bijna niemand liet zien.
Charlotte Mutsaers wijt Carringtons onzekerheid aan een gebrek aan moederliefde. Michael Holroyd die van Strachey aan een teveel. Zelf wel voelend dat hij niet eeuwig bij zijn moeder op schoot kon blijven zitten, zocht hij een substituut. Net als zij voor haar vader, de enige bij wie zij zich in haar jeugd prettig had gevoeld. Ze vonden in dat opzicht bij elkaar wat ze zochten, hoe gemakzuchtig die verklaring ook klinkt.
BEIDEN KONDEN LIEGEN als de beste en waren tegelijkertijd op een ongewone manier oprecht. 'Hij was de enige tegen wie ik nooit heb hoeven liegen’, schreef Carrington vlak na zijn dood in haar dagboek, 'omdat hij nooit van mij verwachtte dat ik iemand anders was dan ik was.’ Holroyd schrijft dat zij zo in hem opging dat zij bijna haar eigen identiteit verloor. Maar het wonderlijke is juist dat haar toewijding totaal was zonder dat het haar eigenheid aantastte. Emma Thompson ziet kans dat onnavolgbaar prachtig zichtbaar te maken. Elk gebaar, elke blik, druipt van liefde zonder ooit kwijlerig te worden.
Het liefst had zij het paradijs aan zijn voeten gelegd, maar ze begon met een huis. Als een bezetene door Engeland fietsend vond ze Tidmarsh Mill, waar ze tot 1924 zouden blijven wonen. Als hij voor het eerst komt kijken zegt ze, terwijl ze redderend zijn koffers naar binnen sjouwt: 'Als ik groter was zou ik je over de drempel dragen.’ Op de muur van zijn slaapkamer heeft ze Adam en Eva in het paradijs geschilderd. Boven het bed, waarin ze zo vaak samen schurkend zouden liggen. Pratend, lachend, ontbijtend, de post doornemend, maar zelden vrijend.
'Hoe moet dat dan met het lichamelijke?’ had Strachey gevraagd nadat Carrington hem haar liefde had verklaard. Dat kon haar niet schelen. Hij antwoordde zorgelijk dat haar dat wel zou moeten kunnen schelen. Haar apporteerlust ging zo ver dat ze daarna besloot dan eindelijk toch maar met Mark Gertler naar bed te gaan. Om Strachey vooral niet de indruk te geven dat ze iets van hem verwachtte. Waar ze bang voor was, bleek te kloppen: ze vond er niets aan. Maar ze gaf niet op en schreef flink dat Ralph Partridge, haar volgende minnaar, waarlijk een 'excellent bedfellow’ was. Waar het in werkelijkheid op neerkwam was dat Strachey zich meer tot hem aangetrokken voelde dan zij.
'Wat is het leven toch vermoeiend’, verzucht hij in de film bij het in bed stappen tegen haar (alle teksen zijn uit hun brieven afkomstig): 'Ladies in love with buggers, and buggers in love with womanisers, and the price of coal going up too. Where will it all end?’ Het eindigt ermee dat Carrington tegen haar zin met Ralph Partridge trouwt. Zodat Strachey zich bijna dagelijks aan het zicht op zijn machtige tors kan verlustigen. Meer niet, want Partridge bleef onverstoorbaar heterofiel, ondanks hun jarenlange menage a trois.
Toen ze Partridge net had leren kennen, had ze het gevoel gehad zich voor hem te moeten excuseren. 'Hij is zo saai als een Noorse tandarts’, schreef ze. En Virginia Woolf vulde aan: 'Ralph Partridge is a bit of a bore; but then what muscles! How he cuts wood, breeds hens, and answers the bell!’ Carrington was volgens haar twee keer zijn gewicht in goud waard. Helaas bleek Lytton Strachey daar anders over te denken. Nadat Partridge een verhouding met Frances Marshall kreeg, kwam er bijna een eind aan hun driehoeksverhouding. Strachey was niet van plan bij Carrington te blijven als Partridge van het toneel zou verdwijnen.
Want naast heel veel meer was Lytton Strachey natuurlijk ook gewoon een valse nicht. Hoewel je dat vergeet als je Carringtons brieven leest. Dan kun je niet anders dan gecharmeerd van hem raken. Tegenover zijn Bloomsbury-vrienden deed hij evenwel zo onverschillig over haar, dat het geen wonder was dat ze haar in de eerste plaats als zijn huishoudster zagen. Dat Virginia Woolf Carrington belasterde waar ze maar kon, zoals Mutsaers in Kersebloed beweert, is onzin. Ze was eerder op een moederlijke manier met haar lot begaan. Woolf kon inderdaad net zo malicieus zijn als Lytton Strachey, maar wat Carrington betreft is er in haar dagboeken of brieven nauwelijks iets te vinden dat Mutsaers heftige beschuldigingen rechtvaardigt.
'Had je “Eminent Victorians” niet aan Carrington moeten opdragen?’ vroeg Woolf nadat het boek in 1918 was uitgekomen. 'O nee’, zei hij luchtig, 'zo liggen onze verhoudingen niet.’ Wat een hartverscheurende vorm van verraad was. Als hij schreef sloop Carrington om hem heen, als hij haar voorlas hing ze aan zijn lippen, in plaats van in slaap te vallen, zoals zijn Bloomsbury-vrienden. Niemand hield zo van zijn werk als zij. Elke schrijver die hem dierbaar was, maakte zij zich eigen. Niemand moest zo om hem lachen als zij. Hij was in alles haar leermeester. Ze had het liefst dag en nacht met hem voor het haardvuur gezeten of over de Downs gelopen, pratend over literatuur. In het licht van zijn opmerking tegen Woolf doet het goed dat het nageslacht haar literair interessanter vindt dan hem.
OM DE ONGELOOFLIJK gecompliceerde choreografie van hun levens enigszins overzichtelijk te houden, heeft Christopher Hampton - die het script schreef en de film regisseerde - de hele Bloomsbury-groep tot figuranten teruggebracht. Van Virginia Woolf is zelfs geen glimp op te vangen. Het verhaal ontrolt zich in vijf episoden aan de hand van de vijf mannen die Carringtons leven bepaalden. Wat haar betreft had het er een mogen zijn, maar ze paste zich noodgedwongen aan. Haar coup de foudre wordt gespiegeld in die van de schrijver Gerald Brenan, die net zo redeloos verliefd werd op haar als zij op Lytton Strachey. Met hem lijkt ze, afgaand op het orgastisch aanzwellen van de afschuwelijke muziek, zelfs aan seks enig plezier te beleven. Maar hem voorgoed naar Spanje volgen is uitgesloten. 'Jij kunt gewoon geen wederzijdsheid aan’, schreef hij haar ooit in wanhoop.
Er ontbreekt iets sprankelends aan Carrington, ondanks absoluut briljante momenten. Het is niet precies te zeggen waaraan dat ligt. Misschien komt het wel door dat strijkkwartet van Michael Nyman dat de hele film door het tragische einde lijkt te voorspellen. Veel te nadrukkelijk en veel te dolby surround. Steeds dezelfde saus, bij alle vijf gangen, daar word je misselijk van. Kon de muziek maar uit, of zachter, dan zouden de subtiele shortcuts naar de uiterst complexe situaties misschien beter tot hun recht komen. Want daar hangt de film eigenlijk van aan elkaar. Soms kun je die misschien alleen opmerken als je Holroyds biografie kent.
In een enkel geval is de shortcut ook net iets te expliciet. Om te laten zien dat Carrington op het laatst steeds eenzamer wordt (Virginia Woolf vergeleek haar in die tijd met een 'sunflower out of the sun’), zie je in een korte scene hoe ze zich in Hamspray, het huis waarnaar ze in 1924 verhuisden, buitengesloten voelt. Ralph Partidge’s vriendin Frances is dan al lang in hun leven geintegreerd. Ze zijn een plafond aan het schilderen. Lytton komt voor het eerst binnen met zijn laatste grote liefde, de veel jongere Roger Senhouse. Ze lopen na het voorstellen het terras op. Carrington kijkt ze na en ziet het intieme gebaar waarmee Senhouse voorzichtig iets uit Stracheys baard plukt. Als zij zich afwendt ziet ze Frances liefdevol verf van Ralphs wang vegen. Die symmetrie, dat is net iets 'de trop’, zoals zij zelf zou zeggen.
Het treurigst voor wie meer van haar weet is niet haar zelfmoord, maar een moment vlak daarvoor. Het is 1932. Strachey is twee maanden geleden aan maagkanker gestorven. Carrington heeft al een zelfmoordpoging achter de rug maar is gered door Ralph. Hij en Frances houden haar voortdurend in de gaten. Ze staan achter een raam en zien haar in de tuin werken. Een goed teken, denken ze. Ze heeft ook een vakantie besproken met vrienden. Ze lijkt weer wat toekomstgerichter in de wereld te staan. Ze besluiten haar voor het eerst alleen te laten.
Ze schiet zichzelf dood. Ze laat een brief voor Ralph achter. Daarin vraagt ze of haar as op het plekje in de tuin mag worden begraven waar zij haar zo geruststellend bezig hebben gezien. Ze heeft honderd pond apart gezet voor een grafsteen, te maken door haar vriend Stephen Tomlin, de beeldhouwer. Ze vraagt ook of de as van Lytton vlak bij haar mag komen liggen. Ralph Partridge houdt die brief achter. Haar dood moet een ongeluk lijken. Begrijpelijk, dat had ze zelf zo gewild. Maar onbegrijpelijk is waarom dat graf er niet is gekomen. Sterker, niemand kan zich later herinneren wat er met haar lichaam is gebeurd.
Ralph en Frances trouwden en bleven op Hamspray wonen. Ze hadden liever een zwembad dan een graf in hun tuin en leefden nog lang en gelukkig.