De autobiografie van Abou Jahjah

Arabisch of Europees?

Vanwaar die anti-Israël-houding van de Arabisch Europese Liga en vanwaar dat gehamer op de oude droom van de Arabische eenheid? Dat is toch niet relevant voor de Lage Landen? De autobiografie van Abou Jahjah verschaft helderheid.

Alleen al met haar naam wekt de Arabisch Europese Liga verwarring: is zij nu Arabisch of Europees? Arabisch spreken, koken en musiceren zijn misschien belangrijk en nuttig voor de persoonlijke identiteit, maar sociaal en politiek moeten allochtonen onvoorwaardelijk voor de plaats van vestiging kiezen, is de algemene opvatting. In die zin is de AEL een product van integratie: in westerse taal en met westerse middelen wordt een sociaal-politiek programma uitgedragen. De belangrijkste rol is hierbij weggelegd voor Abou Jahjah, die wel bespraakt de frustraties van veel migranten verwoordt en voor hen een plaats opeist in de maatschappij.

Verwarrend is echter de moeizaam geconstrueerde islamitisch-Arabische identiteit die door de AEL wordt uitgedragen. Waarom kan ze niet gewoon een Europese moslimbeweging zijn? Waarom die virulente anti-Israël-houding (het programma zegt «de ontmanteling van de zionistische entiteit» te beijveren); we hebben het toch over migranten hier, dus vanwaar dat haatdragende gezever over Israël? Net zoals het gehamer op de oude droom van «de Arabische eenheid» weinig relevant is voor de Lage Landen. Dit wekt niet alleen ergernis, maar ook achterdocht.

Tussen twee werelden, de autobiografie van Abou Jahjah, verschaft echter helderheid. De uitdrukking «ik begrijp waar je vandaan komt» is hier letterlijk van toepassing. Niet alleen als het gaat om zijn persoonlijke geschiedenis. Vanuit Arabische optiek is hier namelijk geen sprake van een unieke figuur. Er lopen duizenden Abou Jahjahs rond in het Midden-Oosten. Het boek biedt vooral nieuw inzicht in het besef dat Abou Jahjah, net als iedere buitenlander die hier komt wonen, niet alleen zijn eigen geschiedenis meedraagt, maar dat deze geschiedenis ook de enige maatstaf is voor zijn nieuwe leefomgeving. Geschiedenis is immers meer dan een reeks van historische feitjes en weetjes. Het betreft de gebeurtenissen die als peildata dienen in het emotionele leven.

Dat geldt ook voor Abou Jahjah. Hij is in Zuid-Libanon geboren en opgegroeid als zoon van een sjiïtische vader en een christelijke moeder, en op zijn negentiende naar België gekomen. Zijn motief voor migratie naar het Westen was niet politiek. Hij kwam voor een goede opleiding en een beter leven. Maar net als de meeste Arabieren heeft hij één trauma en twee woedes. Het trauma is het mislukken van de Arabische eenheid. De twee oorzaken hiervan zijn bron van de woede: het Europees kolonialisme en de stichting van de staat Israël.

Vóór de Eerste Wereldoorlog was de Arabische wereld (het gebied van Marokko tot en met Irak) onderdeel van het Ottomaanse Rijk. De Ottomanen kozen de kant van de Duitsers. De Engelsen beloofden de Arabische heerser in Mekka een «Arabisch rijk» als hij in opstand zou komen tegen de Ottomanen. Zo geschiedde, maar na afloop van de oorlog werd de Arabische leiders te verstaan gegeven dat de Engelsen en Fransen de Arabische wereld onderling al verdeeld hadden. Nieuwe grenzen werden getrokken. In 1922 werd bijvoorbeeld door de Fransen de staat Libanon in het leven geroepen. Abou Jahjah schrijft daarover dat hij, hoewel Libanees, is opgevoed met het idee geen nationale gevoelens te koesteren voor zijn land omdat het een product van het kolonialisme is.

Weer een wereldoorlog later worden de Arabische landen (merendeels nog onder Europees koloniaal bewind) geconfronteerd met de stichting van de staat Israël. Ook dit is in Arabische ogen een voortbrengsel van het Europees kolonialisme, aangezien het voortvloeide uit de vage Engelse toezeggingen in 1917 omtrent een «nationaal tehuis» voor joden.

Net als veel van zijn mede-Arabieren tracht Abou Jahjah deze woede en dit verzet te verwoorden in een ideologie. Abou Jahjah heeft een lange zoektocht achter de rug die voorlopig geëindigd lijkt te zijn bij het programma van de AEL. Als tiener voelde hij zich aangetrokken tot de seculiere sjiïtische beweging Amal, die opkwam voor de sociaal en economisch achtergestelde sjiïeten in Libanon. Later stapte hij over naar de Syrische Baath-partij. Deze partij wordt door het Westen vooral vereenzelvigd met de dictatoriale regimes van Syrië en Irak. Ideologisch is de Baath socialistisch, seculier en nationaal (de Arabische eenheid).

Abou Jahjah nam enthousiast deel aan de politieke discussies van zijn Baath-cel in Libanon, was onder de indruk van de strakke organisatie binnen de partij en begon de ideologie in praktijk te brengen: hij weigerde op school de Libanese vlag te groeten en organiseerde ook stakingen om het recht voor islamitische leerlingen op te eisen om op vrijdag naar de moskee te mogen. Ik ben niet religieus, schrijft hij daarover, maar het ging om het principe.

Hier zien we al de politiek actieve Abou Jahjah zoals wij die nu ook kennen. Abou Jahjah is echter dwangmatig in zijn behoefte om een sluitende ideologie te vinden voor zijn denkbeelden. Een ideologie is nood zakelijk, meent hij, maar heeft alleen zin als deze «wetenschappelijk onderbouwd» is. Als hij aan het einde van zijn autobiografie een apart hoofdstuk inruimt om de «menselijke dialectiek» uit de doeken te doen waar het AEL-programma op gebaseerd zou zijn, doemt onmiddellijk het beeld op van de koffiehuizen in het Midden-Oosten waar met veel koffie en sigarettenrook wordt gedebatteerd over de voors en tegens van het leninisme en trotskisme, en de sprekers elkaar met Hegel, Engels en Heidegger om de oren slaan.

Dit dogmatisme leidt soms tot uitkomsten die haaks staan op de oorspronkelijke gedachte van de Arabische eenheid. Over de Iraakse inval van Koeweit schrijft Abou Jahjah bijvoorbeeld: «Wij voelden in de eerste plaats opluchting omdat er nu in elk geval een staat minder was (zodat de eenheid van ‹de Arabische natie› dichterbij kwam — mb) en we verheugden ons een Golfstaat te zien ondergaan.»

Zou het komen doordat Abou Jahjah te lang in Europa heeft gewoond dat hij vasthoudt aan de droom van de Arabische eenheid en de ogen sluit voor de werkelijkheid? In termen van eenheid hebben Arabieren een voorsprong op Europeanen wegens hun gemeenschappelijke taal, maar in tegenstelling tot Europa verzandt de droom van een Arabisch-economische unie steeds weer in onderlinge verschillen. De Arabische verdeeldheid blijkt vooral op pijnlijke wijze bij de grensovergangen tussen twee Arabische landen, waar een niet-Arabische buiten lander in een mum van tijd kan passeren, terwijl lange rijen Arabieren eindeloos in de zon op hun visum staan te wachten.

Die eenheid waardoor Abou Jahjah zo geobsedeerd is, lijkt zich daarom vooral buiten de Arabische wereld te voltrekken. Dat gold al voor de Arabische moedjahedien die in de jaren tachtig afreisden naar Afghanistan om te vechten tegen de sovjets. Zij ervoeren daar hun Arabische verwantschap meer dan thuis. Hetzelfde lijkt nu te gelden voor de Arabieren in Europa en Amerika. Abou Jahjah verhaalt van een vriend die hij kende als overtuigd Libanees nationalist, maar die zichzelf nu «Arabier» noemt, niet uit overtuiging, maar omdat hij in het Westen zo wordt aangesproken.

Dezelfde tegenstrijdig heden bestaan ook als het gaat om de islamitische identiteit. Abou Jahjah schrijft dat hij gedurende zijn jeugd in Libanon wel gelovig was, maar verder weinig ophad met religie, en zeker niet als politiek instrument. Pas in België werd dat anders. Daar heeft hij zich, onder invloed van Arabische vrienden, ervan laten overtuigen dat de islam en het Arabisch nationalisme niet alleen verenigbaar zijn maar noodzakelijkerwijs samengaan. Ook hierin volgt Abou Jahjah een nieuwe trend in de Arabische wereld, namelijk dat de islam vooral wordt omhelsd door de voormalige socialisten, die daar vervolgens dezelfde oude dogmatische redeneringen op loslaten.

Zo gebruikt Abou Jahjah enkele pagina’s voor een wetenschappelijke verhandeling over de wijze waarop hij de «identiteit» van personen vaststelt. Deze is opgebouwd uit drie concentrische cirkels. De binnenste wordt gevormd door de «etnische groep», daaromheen de kring van het «volk», en deze is weer omcirkeld door de «islamitische gemeenschap».

Een mooi beeld, maar het is meer een theoretisch model dan dat het de complexe belevingswereld van migranten lijkt te beschrijven. Dat bleek wel uit de afwijzende reacties van Turkse migranten, die alleen in de buitenste «islamitische» cirkel thuis hoorden, en van de Marokkaanse Berbers die Abou Jahjah er niet echt van kon over tuigen dat ze behoorden tot de tweede cirkel van het (Arabische) volk.

Inmiddels heeft Abou Jahjah daar consequenties uit getrokken. Naast de AEL is nu ook een politieke partij opgericht met de naam Moslim Democratische Partij. Dat lijkt meer tegemoet te komen aan de behoeften van islamitische immigranten in Europa. Maar Abou Jahjah zal zich dan wel moeten realiseren dat hij daarmee mensen aantrekt die een emotionele geschiedenis met zich meedragen die niets met die van de Arabieren heeft uit te staan. Israël heeft voor een Nigeriaanse of Pakistaanse moslim niet dezelfde lading als voor een Palestijn.

Abou Jahjah is niettemin trots op het theoretische raamwerk dat hij hierover heeft ontwikkeld, en meent ook dat de AEL «verder gevorderd» is in het theoretisch laten samengaan van islam en arabisme dan andere organisaties in de Arabische wereld. Dat is wat aanmatigend, want juist in zijn eigen land van afkomst, Libanon, heeft Hezbollah al veel langer een soortgelijke ideologie ontwikkeld. Deze lijkt zó veel op die van de AEL dat een directe relatie voor de hand zou liggen. Abou Jahjah zegt echter dat hij in zijn jonge jaren niets met deze beweging ophad («ze leken wel Jehova Getuigen!») al heeft hij, net als alle andere Libanezen — inclusief de christenen — respect gekregen voor de verzetsdaden van Hezbollah tegen de Israëlische bezetter. Ook Hezbollah hanteert een Arabisch-islamitische identiteit. Het Arabische element staat daarbij voor een gedeelde geschiedenis, taal en gedeelde gewoonten, en het islamitische voor waarden, geloof en bepaalde religieuze instituties. Anders dan de AEL heeft Hezbollah overigens geen dromen over een verenigde Arabische natie. Net als veel andere islamitische bewegingen in de Arabische wereld is Hezbollah vooral een nationale, want Libanese beweging.

Er is meer wat Abou Jahjah deelt met Hezbollah. Hun hartgrondige afkeer van Israël bijvoorbeeld. Dit wordt deels ingegeven door de algemene Arabische woede over het ontstaan van Israël. Libanon heeft echter ook een eigen geschiedenis met Israël. Het zuiden van Libanon is van 1978 tot 2001 bezet geweest door Israël. Het belangrijkste motief van Israël was het veiligstellen van zijn noordelijke grens tegen aanvallen en aanslagen van Palestijnse strijders die in het zuiden van Libanon verzameld waren. Maar de sjiïeten — de gemeenschap waar Abou Jahjah en Hezbollah toe behoorden — vormden de grootste bevolkingsgroep van Zuid-Libanon. Zij hebben het meest geleden onder de bezetting van dit gebied.

Abou Jahjah was zes jaar toen het Israëlische leger in 1978 Zuid-Libanon binnenviel. Zijn familie heeft herhaaldelijk moeten vluchten. De definitieve terugtrekking van de Israëlische troepen in 2001 heeft Abou Jahjah niet kunnen meemaken. Hij woonde toen al tien jaar in België. Maar de bezetting, de doden en gewonden, en vooral ook de vernederingen hebben duidelijk diepe sporen bij hem achtergelaten.

Dit heeft zeker bijgedragen tot wat misschien wel het meest tekenend is voor Abou Jahjah: zijn bijna fanatieke opstandigheid tegen alles wat riekt naar onrechtvaardigheid. Zijn sjiïtisch-Libanese achtergrond speelt hierbij ongetwijfeld een belangrijke rol. Want voor sjiïeten — en dat was misschien niet Abou Jahjahs religieuze overtuiging, maar wel zijn leefomgeving — is het bestrijden van onrecht bijna gelijk aan een religieuze plicht. En onrecht was er in overvloed. Niet alleen vanwege de bezetting, maar ook wegens de machtsstrijd die de vele christelijke en islamitische gemeenschappen in Libanon onderling voeren.

Abou Jahjah is opgegroeid in een periode dat de sjiïtische moslims in Libanon zich ontworstelden aan hun sociaal-economisch en politiek achtergestelde positie. Ze behoorden tot de armsten van het land. Hoewel groot in aantal werden zij niet meegewogen in de verdeling van de machtsposities die in Libanon grondwettelijk was gebaseerd op religie: de president is maronitisch christen, de premier is soennitisch moslim, enzovoort. Pas in 1994 kwam hier een voor de sjiïeten voordelige verandering in.

De sjiïeten hebben zich de afgelopen dertig jaar uit hun gemarginaliseerde en verdrukte positie opgewerkt tot een groep die sociaal en politiek wordt erkend. Nog belangrijker is misschien wel dat het een groep is die haar eigenwaarde en trots heeft herkregen. De seculiere Amal, waar Abou Jahjah zich in eerste instantie toe aangetrokken voelde, speelde een belangrijke rol in deze emancipatie, en later ook de islamitische Hezbollah-beweging.

Die strijd tegen onrecht, van vechten voor een eigen identiteit, van het opkomen voor een achtergestelde minderheid, heeft Abou Jahjah in Europa voortgezet. Het komt vreemd over dat een Libanees pur sang indruk kan maken op zijn medemigranten, die niet alleen geboren zijn in België of Nederland maar ook voornamelijk uit Marokko komen waar het pan-arabisme en de strijd tegen Israël lang niet zo sterk leven als in het Midden-Oosten. Maar het is juist zijn Libanees-sjiïtische achtergrond, gekoppeld aan strijdbaarheid, die Abou Jahjah zijn stem geeft. Zijn manier van denken, zijn aanpak en zijn optreden mogen bij autochtonen regelmatig verwarring en achterdocht wekken, tegen zijn historische achtergrond zijn ze logisch.

De AEL is daarom ook niet zozeer het product van de multicultuur, maar van de «multihistuur» waarin wij nu leven. Daar kan geen integratiecursus iets aan veranderen. Tegelijkertijd is deze historische pluraliteit de reden voor het politieke falen van de AEL. Abou Jahjah is populair wegens zijn verbale scherpte, maar zijn politieke programma staat nog te veel in de Arabische wereld. De migranten die hier zijn geboren mogen daar wel enige affiniteit mee hebben, maar hun dagelijkse problemen liggen duizenden kilometers verder, hier, in de Lage Landen.

Op 2 maart is in De Unie in Rotterdam een openbaar debat tussen Abou Jahjah en Maurits Berger

Dyab Abou Jahjah

Tussen twee werelden: De roots van een vrijheidstrijd Meulenhoff/Manteau, 368 blz., € 17,95