Turkije ambieert een Tweede Ottomaanse Rijk

Arabisch roulette

Turkije tracht zijn invloed uit te breiden tot de Arabische lente-landen. Maar hoewel premier Erdogan er als een vriend wordt onthaald, zullen de broederlanden een Turks leiderschap nooit aanvaarden.

‘JE MOET er niet aan denken dat de Moslimbroederschap de macht overneemt’, sprak premier Mark Rutte toen de lente-opstand in Egypte uitbrak: 'Dan kan een machtsvacuüm ontstaan waarin Egypte niet de kant op gaat van Indonesië of Turkije, van een democratische staat met een grote islamitische bevolking, maar die van de Gaza-strook of Iran.’ Soortgelijke bedenkingen vielen ook in andere westerse hoofdsteden te beluisteren. Barack Obama kreeg zelfs het verwijt dat hij de Arabische lente 'verzuimde’ omdat hij de pro-westerse leiders Zine El Abidine Ben Ali (Tunesië) en Hosni Moebarak (Egypte) te lang de hand boven het hoofd hield.
In Turkse regeringskringen dacht men het tegenovergestelde: als de 'lentelanden’ allemaal de politieke islam omhelzen, kan Ankara hen wellicht verenigen in een soort gemenebest. Zo'n Turkse 'welvaartssfeer’ zou min of meer samenvallen met de contouren van het vroegere Ottomaanse Rijk en worden geschraagd door de gemeenschappelijke godsdienst. Het leek te mooi om waar te zijn, maar premier Recep Tayyip Erdogan van de islamitische Partij voor Recht en Ontwikkeling (AKP) aarzelde niet. Hij zette al zijn kaarten op de Arabische lente, ten koste van de moeizaam opgebouwde relaties met Iran, Syrië en Israël.
'Turkije lijdt sinds een jaar aan een onwaarschijnlijke aanval van arabofilie, een ziekelijke ophemeling van alles wat Arabisch is’, zegt Ersin Kalaycioglu, politicoloog aan de Sabanci Universiteit, vanuit zijn kantoor in Istanbul. 'Dat heeft niets met democratische verwachtingen te maken en alles met Turkse machtspolitiek. Die campagne is begonnen bij de orthodox-islamitische vleugel van Erdogans AKP. Die vleugel heeft de partij in zijn greep en neemt de eigenlijke besluiten in dit land. Deze islamisten hemelen de Arabieren op omdat zij aan de oorsprong staan van het ware geloof en omdat ze nu de weg terug lijken te vinden naar dat ware geloof. En het establishment van Buitenlandse Zaken gaat daarin mee, bij gebrek aan beter. De Turkse buitenlandse politiek was jarenlang stuurloos. Men hoopt nu dat de oriëntatie op de Arabische wereld een nieuw ijkpunt zal worden. Het is een enorme gok, maar Erdogan slaat alle bedenkingen in de wind.’
In september maakte de Turkse premier een soort triomftocht langs de Egyptische, Tunesische en Libische hoofdsteden. De Turkse premier kreeg in Caïro een heldenontvangst op het vliegveld en hij werd uitbundig bedankt omdat hij aan het begin van de Tahrir-opstand als eerste buitenlands staatshoofd de wankelende president Moebarak had opgeroepen om te vertrekken. Daarmee had hij zelfs de Moslimbroederschap, die altijd zeer sceptisch stond tegenover de 'verwesterde’ moslim Erdogan, voor zich ingenomen.
'Op Erdogan moet al dat enthousiasme hebben gewerkt als een warm bad’, zegt Hugh Pope, Turkije-kenner en in Istanbul werkzaam als onderzoeker voor de International Crisis Group, een gerespecteerde ngo. 'Het probleem is dat hij erin ging geloven. Hij is ervan overtuigd dat Turkije een missie heeft in de gebieden van zijn voormalige rijk, een lotsbestemming bijna. Het is pure emotiepolitiek. Dat is doodzonde, want de Turkse buitenlandse politiek was tot voor kort juist rationeel en helemaal niet stuurloos. Ze dateerde uit de tijd dat Turkije nog een serieuze kanshebber was voor toetreding tot de EU. En ze was gebaseerd op het voorbeeld van de EU: gebruik je economische invloed om je buren aan je te binden en probeer conflicten op te lossen door middel van overleg, investeringen en geleidelijke democratisering. Dat gooit Erdogan nu allemaal overboord.’
De Turken hadden zelfs een koosnaam voor hun quasi-neutralistische buitenlandbeleid: de 'geen-problemen-met-de-buren-politiek’. Nu de kans op een eigen Turkse invloedssfeer zich aandient, riskeert Erdogan opeens keiharde aanvaringen met Syrië en Iran. Twee jaar geleden waren Erdogan en buurman Bashar al-Assad nog 'broeders’ die zelfs gemeenschappelijke kabinetsvergaderingen hielden. Nu de Syrische president in oorlog is met de helft van zijn eigen volk, keert Erdogan zich op hoge toon tegen hem. 'Eenzelfde ongezonde “broederschap” hadden we met Iran’, zegt Kalaycioglu. 'Totdat Teheran de eer van de Arabische lente voor zich opeiste. De Arabische lente is van Erdogan, vindt Erdogan. Dus slaan we nu door naar de andere kant.’

TERWIJL de Turken proberen de lentelanden aan zich te binden, vragen Ankara’s Navo-bondgenoten en Europese gesprekspartners zich af of Turkije erin zal slagen die landen te verzoenen met de democratie. De echte vraag, aldus Ersin Kalaycioglu, is of Turkije dat laatste eigenlijk wel wil. Was Turkije niet de laatste Navo-lidstaat die Moammar Kadhafi liet vallen, enkel omdat de twee landen zulke goede handelscontacten hadden? Kennelijk woog het belang van democratie in Libië niet zo zwaar als in Tunesië of Egypte. 'Het gaat Erdogan uiteindelijk om macht. En zelfs die dreigt hij te verspelen door zijn onbezonnen arabisme.’
Het moet gezegd: Erdogan heeft de Arabische bevolking meer te bieden dan diplomatieke solidariteit. Nu de Amerikanen en Europeanen met een diepe recessie kampen, kan Turkije met zijn goedlopende economie zorgen voor broodnodige investeringen in de Arabische landen. En de Turkse premier zelf vervult een voorbeeldfunctie. Voor Egyptische islamisten is de AKP het grote voorbeeld van een islamistische partij die langs democratische weg aan de macht komt. Sommige afsplitsingen van de Moslimbroederschap zweren bij de strategie van de AKP. Abdel Nomen Aboel Futouh, een geschorste bestuurder van de Moslimbroederschap die kandidaat staat bij de presidentsverkiezing van volgend jaar, noemt zich de 'Egyptische Erdogan’. Maar is dat een bewijs dat de echte Erdogan veel invloed heeft? 'Meer dan die voorbeeldfunctie heeft hij niet’, zegt Hugh Pope. 'De Arabische volken willen hun eigen Erdogan, maar ze willen niet dat de Turkse Erdogan hun komt vertellen hoe het moet.’
Ook voor Arabische liberalen lijkt Turkije een voorbeeld, namelijk van een islamitisch land dat democratische waarden en individuele vrijheid respecteert. Is dat dan wel terecht? 'Als je de feestelijke beelden even vergeet en kijkt naar wat Erdogan eigenlijk zei in Caïro en Tunis, dan zie je dat hij weinig woorden besteedde aan democratie en des te meer aan seculariteit’, zegt Kalaycioglu: 'Hij stelde dat de islam geen splijtzwam mag worden, maar de harten van de mensen moet winnen door het voortouw te nemen bij de modernisering van de samenleving. Zijn doel is dus niet in de eerste plaats de democratie veilig te stellen, maar de islam. Ik vrees dat dit het Turkse beleid in de komende jaren wordt. Als de nieuwe islamitische machthebbers in Egypte, Tunesië of Libië zich autoritair ontwikkelen, zal Ankara dat door de vingers zien. Vergeet niet dat Turkije zelf zich nog altijd op een kruispunt bevindt van dictatuur en democratie. Er zitten hier meer dan zeventig journalisten in de gevangenis omdat ze als “terrorist” zijn gebrandmerkt. Erdogan heeft daar totaal geen probleem mee.’
Vooralsnog lijken de lentelanden het 'Turkse voorbeeld’ te volgen. In Egypte gaat de Partij voor Vrijheid en Rechtvaardigheid, de politieke vleugel van de Moslimbroeders, aan kop in de peilingen. In Tunesië haalde Ennahda, de islamitische partij van Rashid al-Gnannouchi, bij de verkiezingen een forse meerderheid en in Libië verkondigt de overgangsraad al voordat er goed en wel verkiezingen zijn geweest dat het land een 'islamitische’ grondwet zal krijgen. Hun populariteit gaat gepaard met democratische leuzen die meer dan een lippendienst aan de democratie lijken te zijn. De Moslimbroeders zijn niet meer de doctrinaire beweging van weleer. Al-Ghannouchi heeft nooit tot het kamp van de geharnaste islamisten behoord en pleit voor een open, moderne islam die sociale rechtvaardigheid en vrouwenrechten hoog in het vaandel heeft. De Libische situatie is volop in beweging en in Syrië, Jemen of Bahrein is de uitkomst van de quasi-burgeroorlogen nog volstrekt ongewis.
Over de omgang van de potentiële islamitische machthebbers met democratie en mensenrechten valt in dit stadium daarom weinig te zeggen. Maurits Berger, hoogleraar islam aan de Universiteit van Leiden, schetst de onduidelijkheden: 'De uitkomst ligt ergens op een spectrum van het CDA tot het Hitler-syndroom.’ Dat de islamitische partijen waarschijnlijk overal aan de macht komen, vindt hij niet verwonderlijk. 'In de laatste dertig jaar zijn de lentegebieden geleidelijk geïslamiseerd. Na de islamitische machtsgrepen in Iran en Pakistan eind jaren zeventig en de daarmee gepaard gaande islamiseringsgolf schrokken de Arabische dictators zich een ongeluk. Om het volk tevreden te houden werden moskeeën gebouwd en ging de president van Egypte voor het oog van de camera’s op bedevaart naar Mekka. Langzaam kreeg de islam een grotere rol in de maatschappij. Het aantal hoofddoekjes in het straatbeeld nam toe. Dat was een eerste, stille revolutie van het volk.’
De tweede, luidruchtige revolutie van afgelopen jaar was gericht op democratie. Twee belangrijke wensen van moslims zijn daarmee vervuld. Uit een breed opgezet onderzoek van Gallup World Poll naar wat moslims willen (Who Speaks For Islam?, 2008) blijkt dat de eerste wens een grotere rol van de islam in de samenleving is en dat niet ver daarna het verlangen naar democratie komt. Richard van Leeuwen, arabist verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, kwalificeert die rangorde echter: 'Ze eisen hun vrijheid op, dat is heel mooi, maar economische motieven zijn bij de opstanden ook belangrijk geweest. Als de nieuwe leiders een goed economisch toekomstperspectief bieden is er misschien al gauw niemand meer die om vrijheid roept.’
Dat die behoefte niettemin leeft, kan worden opgemaakt uit de massale opkomst bij de verkiezingen in Tunesië, naast Egypte het voornaamste 'lenteland’. Negentig procent van de bevolking trok naar de stembus. Grote winnaar was al-Ghannouchi, die jaren in ballingschap in Londen leefde en daar artikelen schreef tegen het westerse materialisme. Wat voor maatschappij staat hem voor ogen? 'Al-Ghannouchi wil een samenleving met een moderne economie, maar wel met hoofddoekjes’, zegt Van Leeuwen: 'In dat opzicht benaderen hij en de meerderheid van de Tunesische kiezers nog het meest het voorbeeld van Turkije en Erdogan. Al-Ghannouchi heeft altijd gezegd dat de dictatuur de ontwikkeling van de maatschappij - de natuurlijke manier om de moderniteit toe te laten - heeft onderbroken. Er heerste een soort opgelegde, kunstmatige moderniteit.’ Dat hij die fout wil herstellen door de islam een voorname plek te geven binnen de maatschappij lijkt voor de Tunesische revolutionaire jeugd geen onoverkomelijk probleem te zijn. 'Ze zijn moslim en ze zijn meestal niet gekant tegen een rol van de islam in de maatschappij’, zegt Van Leeuwen.’ Ze willen geen sharia, maar wel fatsoensnormen die ontleend worden aan de islam.’
Een groot deel van het volk wil het, de jeugd heeft er weinig problemen mee, maar veel vrouwen maken zich zorgen over hun onder Ben Ali verworven rechten. Ook atheïsten en andersgelovigen vrezen de toekomst. Kort voor de verkiezingen werd op een Tunesische tv-zender een film getoond waarin een vrouw een gesprek heeft met God, die ook in beeld komt, getekend en wel. 'Dat werd een enorme rel’, vertelt Maurits Berger. 'Want dat mocht niet, vonden islamitische hardliners. En dat tegen de achtergrond van een kiezerspubliek dat voor een deel heel islamitisch georiënteerd is.’ Al-Ghannouchi veroordeelde tot nog toe alle vormen van geweldpleging door zijn aanhangers, maar niet hun fanatisme en ook niet hun soms vergaande eisen. Als machthebbers beetje bij beetje toegeven aan zulke druk is de kans groot dat de maatschappij islamiseert, ook al is het regime zelf niet radicaal. Berger vervolgt: 'In het ergste geval krijg je een soort censuur van de straat die bepaalt hoe je je gaat kleden, wat je wel of niet kunt drinken, wat je kunt zeggen. Men was altijd bang voor islamisering van bovenaf, dit is een islamisering van onderaf.’

RADICAAL islamitische bewegingen maken gebruik van de instabiele situatie door spanningen te verscherpen. Deze hardliners zijn voornamelijk radicale salafisten, aldus Van Leeuwen: 'Ze zijn een kleine groep binnen het salafisme, een omvangrijke stroming in de Arabische wereld. “Salafist” betekent letterlijk dat je voor je geloof kijkt naar de voorvaderen als een soort model. De eerste salafi waren moderne denkers. Zulke “moderne” salafi bestaan nog steeds, ze zijn heel gelovig en staan ook voor democratie. Het is een groep met prominente “leden” zoals Al Qaradawi, die als ideoloog ook grote invloed heeft op de Moslimbroederschap.’ Een tweede, veel grotere groep bestaat uit salafi die geloven dat je precies zoals de profeet moet leven. 'Die lopen in jurken en sandalen en dragen pluisbaarden, allemaal dingen waarvan ze aannemen dat de profeet ze ook deed. Die leven in hun eigen stolpje. Ze zijn vaak niet geïnteresseerd in politiek.’
Een derde groep zijn de radicale salafi die de islam wel politiek vorm willen geven, vaak gewapenderhand, aldus Van Leeuwen: 'Er wordt gezegd dat de agressie tegen de kopten van zulke groepen afkomstig is, dat ze dit soort conflicten creëren om de spanningen te vergroten. Deze kleine groepen provoceren echt, steken kerken in brand.’ Ook het Tunesische filmincident is vermoedelijk door radicale salafi in gang gezet. Toch moet ook de rol van de grote groep geweldloze salafi niet onderschat worden, zegt arabist Roel Meijer van Clingendael: 'De meerderheid houdt zich weliswaar niet bezig met politiek - de islamitische waarden zouden door politieke compromissen maar vertroebeld worden - maar toch is in Egypte sinds de val van Moebarak een verschuiving aan de gang. Op een dag hadden de salafi een bijeenkomst op het Tahrirplein en toen kwamen er tienduizenden mensen. Een plein vol baarden, dat was schrikken. Kennelijk zijn ze toch goed georganiseerd.’
De organisatiestructuur van de salafi is namelijk een schimmenparadijs. Dat neemt niet weg dat ze zich tamelijk hiërarchisch gedragen door een paar prominente islamitische geleerden te volgen. Meijer: 'Waar iedereen bang voor is, is dat de salafi en de Moslimbroeders het op een akkoord gooien en een meerderheid in het parlement krijgen. Salafi zijn in veel gevallen tegen het christendom. Ze hebben geen concept van burgerschap en burgerrechten en gaan helemaal uit van islamitisch recht.’ Het is de vraag of zo'n samenwerking ooit tot stand komt. 'De salafi zijn geen fans van de Broederschap’, zegt Meijer: 'Die heeft geen ideologie, heeft weinig ideeën over wat de juiste religieuze doctrine is, terwijl salafi menen dat ze de waarheid in pacht hebben.’ Daar komt bij dat de Broederschap al lang geen eenheid meer is. De beweging verjongt zich niet en de politieke partij die eruit voortkwam is al even star. Een aantal jongere mensen - overigens nog steeds vijftigplussers - is uit het bestuur gestapt om een liberale koers te varen.
Veel kans maakt die liberale koers echter niet, zegt Amr Bassiouny, blogger en Tahrir-revolutionair van het eerste uur. Volgens hem is de revolutie verraden en maakt het niet uit of het leger dan wel de Moslimbroederschap in Egypte de dienst gaat uitmaken. 'In juli ben ik gestopt als activist. Toen begreep ik dat we belazerd waren en dat het leger koste wat het kost de macht in handen wilde houden. De opstand werd geleid door mensen uit de middenklasse, maar de ongeletterde grote massa volgt blindelings het leger. Of de islamisten, dat wil zeggen de Broederschap, de salafi en andere meer of minder radicale groeperingen. Die weten hoe ze de massa moeten mobiliseren. Als die massa tenminste niet te druk bezig is met de strijd voor zijn dagelijks brood. Mochten de Moslimbroeders aan de macht komen, dan zullen ze cosmetische maatregelen nemen zoals het sluiten van bars, maar de corruptie en het machtsmisbruik zullen als vanouds doorgaan. We waren beter af onder Moebarak. Toen konden we tenminste op het strand een drankje drinken of met een vriendin over straat lopen. Er komt een braindrain in Egypte die het land berooid zal achterlaten. Het wordt hier een “democratie” van armen en analfabeten.’

DE TURKSE invloed op al deze ontwikkelingen is verwaarloosbaar. Erdogan vergist zich als hij denkt de Moslimbroederschap te kunnen beïnvloeden, zegt politicoloog Ersin Kalaycioglu: 'Daarvoor zijn ze als Egyptenaren veel te trots. En Egypte is niet het enige lenteland waar Turkije zich in de nesten werkt. In plaats van geen problemen hebben we straks alleen nog maar problemen met de buren.’ Hij is het meest verontrust over Syrië, waar de toestand tegelijk het onoverzichtelijkst en het explosiefst is. Het is onbekend of de Syrische religieuze leiders, die na de frontale aanval van Assad senior op de Syrische Moslimbroeders in 1984 in ballingschap gingen, radicaal of juist pragmatisch zijn geworden. Mocht Assad junior ten val komen, dan is de grote vraag wat er gaat gebeuren met de christenen in Syrië en vooral met de alevitische minderheid die nu de elite vormt maar die door soennitische bril wordt gezien als een ketterse sekte. Omdat het in Libanon en Irak ontbreekt aan een sterk gezag kan zowel Turkije als Israël ongewild in een Syrisch vacuüm worden gezogen.
Volgens de voormalige sociaal-democratische minister van Buitenlandse Zaken Murat Karayalcin verkeert Ankara veel te veel in Ottomaanse sferen, zo zei hij tegen Trouw: 'De AKP-voormannen gedragen zich onder invloed van de economische groei als de nieuwe bazen van de regio. Ze bezigen constant dreigende taal jegens Syrië. Turkije zou zich niet in een dergelijk moeras moeten storten.’ Kalaycioglu is het met hem eens: 'Helaas wordt door de Syrische islamisten voortdurend aan Erdogan getrokken.’ Deze week melden de Turkse kranten - niet voor het eerst - dat de leider van de Syrische Moslimbroederschap, Mohammed Riad Shakfa, Ankara openlijk smeekt om militair te interveniëren in de bloedige Syrische burgeroorlog: 'Wij Syriërs zien liever een ingrijpen van Turkije dan van het Westen om de burgerbevolking te beschermen.’
Het is een rampzalige ontwikkeling, beaamt Hugh Pope: 'De EU-landen hopen dat Turkije een democratische stimulans zal geven aan de Arabische lente, maar ze zien niet dat Turkije zich juist van hen afkeert.’ Volgens Ersin Kalaycioglu kan Ankara straks ook nog fluiten naar zijn voorbeeldfunctie: 'De Moslimbroeders verwachten van Turkije een zetje in de rug, maar er is geen sprake van dat ze ooit een Turks leiderschap zullen aanvaarden. Als het erop aankomt geven ze even weinig om democratie als om Erdogan. De kans is groot dat Turkije geïsoleerd en verbitterd achterblijft.’