Arabische literatuur voor dummies

Om kennis te maken met literatuur moet je een lezer zijn. In de Arabische literatuur moet je over het algemeen geen lezer zijn, maar een duiker. Je leest niet, maar haalt diep adem en duikt erin. Eigenlijk is een diepe ademteug nog niet genoeg, je moet een complete duikuitrusting kopen.

Als je een Arabisch boek leest, moet je niet proberen te begrijpen wat de schrijver geschreven heeft, maar wat hij niet heeft kunnen schrijven. Arabische literatuur wordt geschreven in de schaduw van het zwaard, de zweep en het goud. O, in elke zee kun je parels of een schat vinden. Maar ik raad je niet aan te gaan zoeken naar pareltjes in de Arabische literatuur. Het zijn er te weinig en ze verdienen geen lange zoektocht. Het is een literatuur van complimenten: ik schrijf vandaag over jou, jij schrijft morgen over mij. Ik roem jou, jij roemt mij. Ik prik jou met mijn pen, jij prikt mij.

Persoonlijk ben ik gestopt met het lezen van Arabische boeken. Er is geen Arabische schrijver of dichter die mij nieuwsgierig maakt. De enige twee Arabische boeken waarvan ik kan genieten en leren zijn boeken zonder schrijvers: Duizend-en-een-nacht en de Koran. De Arabische literatuur – behalve de literatuur die op internet gepubliceerd wordt – is gecastreerd. Ze is vastgebonden met een riem en loopt achter wie betaalt of wie bang maakt. Ze blaft, kwispelt en plast op bevel.

Mijn eerste roman in het Nederlands schreef ik onder invloed van de Arabische literatuur. Daarin stond een verhaaltje over een leeuw, de koning van het bos. Ik dacht toen in het Arabisch en schreef in het Nederlands.

Op een dag zat de rechtvaardige leeuw op zijn troon, toen de leeuwin bleek binnenkwam. Ze huilde en dat had hij nog nooit gezien. De leeuw was verbaasd door de tranen van zijn grote liefde.

‘Huil je omdat ik je niet genoeg aandacht heb gegeven?’ vroeg hij haar.

‘Nee’, snikte zij. ‘Iets ergers.’

‘Huil je omdat ik niet met jou in een bootje over het heldere meer heb geroeid, terwijl dromerige apen op hun droevige gitaren mooie melodietjes voor jou spelen?’

‘Nee, iets ergers.’

De leeuw voelde dat er iets vreselijks met zijn vrouw was gebeurd en stond op.

‘Heeft een onbeschofte wolk zonder toestemming zomaar op jouw schaduw geregend?’ vroeg hij, terwijl hij naar haar toe liep.

‘Nee, iets ergers.’

De leeuw schudde haar door elkaar. De mussen van het vuur van de boosheid vlogen uit zijn ogen om daarna als as neer te vallen, terwijl hij haar smeekte hem te vertellen wat er in hemelsnaam gebeurd was. ‘Iemand heeft mij verkracht’, zei ze.

Als ik dit stuk opnieuw zou schrijven, zou ik het zo doen:

‘Waarom huil je?’ vroeg de leeuw bezorgd aan de leeuwin.

‘Iemand heeft mij verkracht.’

In de eerste versie gebruikte ik 165 woorden om te vertellen waarom de leeuwin huilde, met veel overdreven zinnen die niets betekenen. Wat ik in het Arabisch in 165 woorden vertel, vertel ik in het Nederlands in veertien woorden. Een A4’tje schrijven in het Nederlands kost mij veel tijd. In het Arabisch doe ik er misschien een paar minuten over, maar ik schrijf liever in de dode Nederlandse taal zoals ik wil en wat ik wil dan in het Arabisch zoals en wat er van mij gewild wordt.

Op een avond toen ik moest optreden, kwam een Arabische man naar me toe met mijn laatste dichtbundel in zijn hand. Met rode pen had hij strepen gezet onder regels als ‘Mijn lieve penis,/ de enige waarheid/ waarin ik geloof,/ betrouwbare gids,/ mijn beste vriend,/ mijn ik.’

‘Uw vaderland is bezet door de Amerikanen’, zei hij tegen mij. ‘En u schrijft over uw penis? Zou u niet beter over de Amerikanen en de oorlog daar schrijven?’

Gelukkig kon de man geen rapportage schrijven voor een geheime dienst. Ik antwoordde hem:

‘Sorry meneer, maar ik ben zelf bezet door mijn penis. Als ik van hem bevrijd ben, zal ik zeker over de Amerikaanse bezetting van Irak schrijven.’

Ik geloof dat het voor mijn pen beter is te schaatsen op de bevroren letters van de Nederlandse taal dan te verbranden in het gevaarlijke vuur van het Arabisch.